‘Ik leefde durend in de veronderstelling, dat een overwinning van het duitsche nationaalsocialisme tot de mogelijkheden behoorde’
‘Ik leefde durend in de veronderstelling, dat een overwinning van het duitsche nationaalsocialisme tot de mogelijkheden behoorde’
Verder lezen

Van veelbelovend naar fout: Henri Bruning, deel 2

H

enri Bruning was een van die schrijvers die vrijwel direct na de oorlog te horen kregen dat ze zich tien jaar lang koest zouden moeten houden. Dat was een hard gelag, om meerdere redenen. Bruning leefde van zijn schrijfwerk en had acht kinderen te onderhouden. Maar meer dan dat, hij realiseerde zich weliswaar dat enkele wezenlijke keuzes niet naar wens hadden uitgepakt, maar zichzelf als ‘fout’ omschrijven, dat ging hem te ver.

Omdat hij zoveel literaire vrienden had, dacht hij aanvankelijk dat de onverkwikkelijke geschiedenis met een sisser zou aflopen. Het is ontluisterend om de brieven te lezen die Bruning aan A. Roland Holst schreef, waaruit blijkt dat de waarheid langzaam maar zeker, maar vooral opvallend langzaam, tot hem doordringt. 

Aanvankelijk – eind oktober 1947 – probeert hij monter de beweringen over zijn ideologische overtuigingen te ondergraven; hij had immers ‘geheel naar waarheid’ aan Anton van Duinkerken verteld ‘dat het nationaalsocialisme definitief achter me lag. Anton van Duinkerken nam dit (hetgeen ik zeer waardeerde) zonder meer als waarheid aan, doch de Centrale Eereraad vraagt een ándere motivering dan die welke ik gaf’. De kwestie is, zo legt Bruning uit, dat hij ‘durend in de veronderstelling leefde, dat een overwinning van het duitsche nationaalsocialisme tot de mogelijkheden behoorde’ en hij voelde het als zijn ‘plicht tegen de onzuiverheden in zijn verantwoordingen, conclusies etc. polemisch te ageeren’. 

Hij komt met deze verdediging niet ver, en in december aarzelt hij al om een brief aan de Eereraad te sturen, ‘uit vrees, dat men het mij nog moeilijker wil maken dan de situatie voor mij reeds is’. Die brief (die Bruning een titel had meegegeven, alsof het een essay is: ‘Over mijn Rechters…’) is een interessante tekst, omdat hij zelf haarscherp ziet gebeuren wat hij voor onmogelijk had gehouden: het wegvallen van alle collegiale steun. Aanvankelijk hadden Vestdijk, Roland Holst, Pieter van der Meer de Walcheren en Van Duinkerken blijkbaar allemaal steun betuigd. Brunings conclusie: dat deden ze terwijl ze wísten wie ik was, ‘ondanks de wetenschap van de aanwezigheid van een dossier’). En daarin stond dat Bruning zijn politieke ideeën weliswaar trouw was gebleven, maar dat hij zich nooit had bezondigd aan ‘infame handeling’.

Zijn verweer komt dus hierop neer: respectabele letterkundigen wisten wie hij was, en praten nog steeds met hem, daarom mag de Eereraad hem de toegang tot de republiek der letteren niet ontzeggen. Nu dat wel is gebeurd, heeft de raad hem ‘beroofd van de eer, het respect, dat ik tot dusver, ondanks al het gebeurde, bij deze en andere letterkundigen genoot’. Het publicatieverbod van nog eens zes jaar zit hem dan ook meer dwars dan de tweeënhalf jaar gevangenschap die hij vanwege zijn collaboratie op dat moment al achter de rug heeft. 

Stap voor stap legt hij vervolgens in de brief uit waarom de Eereraad hem zijn publicaties niet kwalijk mag nemen: omdat een tekst nog vóór de oorlog werd geschreven, omdat een tekst toch nauwelijks verspreid kon worden, omdat hij weliswaar de geest van het nationaalsocialisme steunde maar niet de daden, omdat hij verkeerd, dat wil zeggen, kwaadwillig geïnterpreteerd is. Dat hij kwalijke zaken heeft verdedigd, moet hij wel toegeven, maar hij wil niet erkennen dat hij ‘in dienst [is] gesteld van de vijandelijke propaganda’. 

Ook moge ik U er hier nogmaals aan herinneren, dat na het verschijnen van Dr Menno ter Braak’s ‘In Gesprek met de Onzen’, waarin drie zeer waardeerende en uitvoerige beschouwingen over mij voorkomen en waarin ook de term ‘edel-fascist’ wordt gebezigd, geen sterveling hier in Nederland erover gedacht heeft, daarop te reageeren met ‘Wat, die schoft met zijn slaafsch opdringen hier van het duitsche nationaalsocialisme; die verrader die onze cultuur aan ’s vijands dwang heeft willen uitleveren; die de nagedachtenis van Ter Braak doorlopend heeft bezwijnd, - moeten wij dien nog, nú nog, als ’n edel-fascist beschouwen; moeten dié artikelen nóg, nú nog, onder den titel “In Gesprek met de Onzen” worden opgenomen!?’ Er is zelfs geen flauwste toespeling in die richting verschenen, – iets wat toch mínstens zéér bevréemdend is als ik degene ben, dien U in mij wenscht te zien.

Nogmaals gebruikt hij dus het argument dat zijn collega’s hem respecteerden, en uit deze passage blijkt duidelijk de wanhopige woede en het fundamentele onbegrip dat bij hem leefde. Bruning was een van ‘de onzen’ geweest, maar dat was voorbij.

 

Volgend hoofdstuk

Net op tijd bijgedraaid

Het kan haast niet anders, of Bruning moet J.C. Bloem benijd hebben. Voor de oorlog betoonde Bloem zijn sympathie voor het Italiaanse fascisme. Maar hij was op tijd bijgedraaid en hoefde zich voor de Eereraad niet te verantwoorden.

Hoofdstuk openen