Altijd spaarzaam met het woord – over het debuut van Neeltje Maria Min

Al vóór de verschijning van Neeltje Maria Mins debuut Voor wie ik liefheb wil ik heten kwam haar spaarzame productie ter sprake. ‘Iedere keer denk ik dat dat het laatste gedicht is geweest.’ Toch zou ze het schrijven beslist niet kunnen laten. Het opschrijven misschien wel, ‘maar dan gaan de zinnen toch gewoon door’.

 

Hoeveel zinnen hebben zich zo vastgezet in het collectieve geheugen als Neeltje Maria Mins ‘voor wie ik liefheb, wil ik heten’? Een zin die mede zo beklijft door de tederheid die ook de naam van de dichter uitstraalt: de verkleinde voornaam; de achternaam die zich als synoniem van ‘weinig’ én als vervoeging van het liefhebbende werkwoord ‘minnen’ laat vertalen, waarin geen stokje naar boven of naar beneden uitsteekt. 

 

En dan natuurlijk die dienstbare betekenis: dat wat jou het meest tot jou maakt, je naam, in de handen van een ander willen leggen. Niet voor niets komt er geen hoofdletter voor in haar debuut Voor wie ik liefheb wil ik heten, waarvan we zelfs die grote V in een kleine moeten veranderen – blijkens de ‘door neeltje min gekorrigeerde proef’ in de collectie van het Literatuurmuseum. 

 

Min was 22 toen de bundel in 1966 verscheen. Geen enkel van haar gedichten zou zo bekend worden, geen van haar volgende bundels zou zo succesvol zijn. Ze publiceerde spaarzaam: na haar debuut bracht ze enkel Een vrouw bezoeken (1985), De ballade van Kastor Elim Wolzak (1985) en Kindsbeen (1995) uit. Publiceren was nooit haar doel geweest, liet ze eens in een interview weten: ze vond de ophef eromheen vreselijk. Zo nu en dan stuurt ze in kleine oplage een gedicht de wereld in. Verder houdt ze zich het liefst afzijdig.

 

Met die ene zin, ‘voor wie ik liefheb, wil ik heten’, roept Neeltje Maria Min krachtig een specifieke en tegelijkertijd herkenbare manier van liefhebben op: de neiging je helemaal aan iemand te willen overgeven, een onbeschreven blad voor iemand willen zijn, je willen vormen naar het lichaam en de ziel van de ander. Wie het hele gedicht kent, weet dat de ondertoon in feite des te treuriger is: de openingsregels ‘mijn moeder is mijn naam vergeten, / mijn kind weet nog niet hoe ik heet’ impliceren eerder dat het lyrisch ik op zoek is naar een geborgenheid die blijkbaar niet in het dochter- of moederschap kan worden gevonden. 

Interessant genoeg staat in die drukproef een handschrift van het openingsgedicht, maar ditmaal mét hoofdletters. Het handschrift werd opgenomen in de bundel. Het is alsof ze het gedicht ook met haar vingers wilde overbrengen, in pennenschrift op papier. De rest van de gedichten liet ze – op het toevoegen van een enkele spatie, dubbele punt of witregel na – onveranderd. De dichter was tevreden.

 

Neeltje Maria Min mag zich in haar letters klein houden, in haar aanroepingen eigent ze zich ruimte toe. De gebiedende wijs die ze vaak gebruikt, staat haaks op dat kleingehouden ik dat we kennen. Kalm verhaalt Min over een bekraste moeder-dochterband, in een onopgesmukte stijl die af en toe bijna prozaïsch aandoet. Des te bijzonderder is het dat zij in een, zo vertelt de inleiding, ‘langdurig en moeizaam interview’ dat bij de drukproef is gevoegd, aangeeft nooit proza te schrijven. Haar antwoorden zijn inderdaad korter dan kort; de lezer krijgt spontaan medelijden met Maatstaf-interviewers Bert Bakker en Wim Gijsen, die ieder woord uit haar lijken te moeten trekken. 

Er komt niet eens een brief uit haar pen, vertelt Min. Andere dichters leest ze niet: ze vindt hen saai. Alleen Lucebert kan haar goedkeuring wegdragen: anders dan de interviewers, die hem als ‘een nogal moeilijke dichter’ beschouwen, vindt Min zijn werk ‘volkomen duidelijk’. Het nieuws volgt ze niet; voor boeken heeft ze geen geld. Ze schrijft het best ’s nachts, in stilte. Deze 22-jarige debutant schrijft afgezonderd van de wereld, van andere woorden die invloed op haar uitoefenen.

Ook dan al komt haar spaarzame productie ter sprake: eens in de drie maanden schrijft ze, vertelt ze, een paar gedichten. Haar ‘opvallende taalbeheersing’ dankt ze naar eigen zeggen aan het feit dat ze vanaf haar veertiende ‘eerst heel slechte dingen in elkaar geflanst’ heeft, die ze allemaal in de prullenbak heeft laten belanden. Op de vraag of ze denkt nog veel te zullen schrijven, antwoordt ze: ‘Iedere keer denk ik dat dat het laatste gedicht is geweest.’ Toch zou ze het schrijven niet kunnen laten: hoewel, het opschrijven misschien, ‘maar dan gaan de zinnen toch gewoon door’. 

 

Tijdens dit interview laat ze zich ook kort uit over de tekeningen die ze af en toe maakt, waarvan er vier staan afgedrukt. Onlangs trad ze opnieuw met dit andere talent naar buiten; ze was de tekeningen zelf alweer vergeten en vond ze terug toen ze aan huis gekluisterd was door een hersenschudding. De meeste zijn gemaakt met Oost-Indische inkt, sommige met wasco. Thuis werd getekend aan de keukentafel om maar niet te hoeven praten – een zwijgzaamheid die ze in haar debuut zo verwoordt: ‘hoe moet ik, wat ik zeggen wil, zeggen? / het woordtekort is niet op te heffen.’ Ze meldde zich aan bij de avondschool voor kunstnijverheid, maar zakte voor het toelatingsexamen omdat ze haar werk niet kon toelichten. 

Misschien danken we Neeltje Maria Mins dichtkunst wel aan haar onvermogen zich op dat moment in woorden uit te drukken. De Eerste Bergensche Boekhandel, waar ze al haar hele leven komt, wijdde een expositie aan de tekeningen en gaf ze vervolgens in beperkte oplage uit. Zonder ook maar een snipper tekst erbij – op uitdrukkelijk verzoek van de kunstenaar. Neeltje Maria Min als tekenaar en dichter, groot en klein in woord tegelijk.