De evolutie van het schrijfgerei: Shift-F7-proza op de iMac

Het Literatuurmuseum heeft tal van vulpennen, potloden, balpennen en een grote collectie typemachines in beheer, en zelfs complete computers en laptops. Christiaan Weijts dook het depot in voor een tweeluik over schrijfgerei.

 

Lees hier deel 1: Van vulpen naar typemachine – en terug. 

 

Waarom intrigeert een simpel kroontjespennetje van Gerard Reve me meer dan een elektrische Triumph-typemachine van Arnon Grunberg? Waarom voel ik wel iets voor de Remington van Maarten Biesheuvel terwijl de iMac van Joost Zwagerman me tamelijk siberisch laat?  

 

Plat design, volkomen anoniem. Ik had verwacht op zo’n blauw-transparante vissenkom te stuiten in het depot van het Literatuurmuseum. Die had nog enigszins nostalgische gevoelens kunnen opwekken, op de manier van oude Atari’s en Commodore-64’jes in het Nationaal Videogame Museum in het sfeervolle Stadshart Zoetermeer. Zwagerman moet zo’n apparaat in bezit hebben gehad, als een van de eersten, kort nadat Steve Jobs het ding op 6 mei 1998 met de gebruikelijke tamtam lanceerde.  

 

Zwagerman schreef immers op 2 januari 1999 in de Volkskrant, in een stuk over zijn worsteling met het internet: ‘Pas toen we kort geleden overstapten op de iMac joegen wij alsnog met virtuele klapschaatsen door cyberspace, onvermoeibaar muisklikkend tot ver over de grenzen van verzadiging, hetgeen óók weer de wijzers van depressie, intellectuele misselijkheid en zelfverachting diep in het rood deden uitslaan.’ 

 

 

De iMac van Joost Zwagerman die zich in de collectie van het Literatuurmuseum bevindt: geen vissenkom, maar een plat design

 

 

De evolutie van het schrijfgerei: van vulpen naar typemachine – en terug

Lees artikel

Zou dat het kunnen zijn? Een kroontjespen en typemachine zijn louter bestemd voor de sacrale arbeid van de literaire conceptie, terwijl op zo’n iMac alles passeerde, van pornosites tot belastingaangiften.  

 

De waardering voor museaal schrijfgerei is gebaseerd op een illusie. Met voorwerpen die naar de individuele hand zijn gaan staan, heb je het idee dat je tastbaar dicht bij de magie komt. Slijtsporen, vingerafdrukken, provisorische reparaties, ze verwijzen naar het individuele genie, niet naar het universele, volkomen inwisselbare massaproduct uit een Chinese of Koreaanse fabriek.  

 

De romanticus die dromend door het depot dwaalt, realiseert zich niet dat elke schrijver werkt met het grootste massaproduct dat er bestaat, de meest algemene gebruiksvoorwerpen op aarde: de taal.  

 

Anders dan musici of schilders werken dichters en schrijvers met een medium dat elke sterveling dagelijks gebruikt. Vakkenvullers, boekhouders, ministers en verpleegsters. Ze gebruiken allemaal taal, en het is fascinerend dat we een systeem ontwikkeld hebben waarin zesentwintig verschillende vormpjes, op een oppervlakte of een scherm, de spil zijn geworden van onze menselijke interactie. 

 

Dat je kunstwerken kunt maken met die zesentwintig letters is waanzinnig, en de werkelijke magie is dat het totaal niet uitmaakt hóé ze precies op zo’n oppervlakte terechtkomen.  

 

Je kunt erover discussiëren of je van een e-book evenveel kunt genieten als van een gedrukt exemplaar, één ding is zeker: zo’n gedrukt boek geeft je een betere leeservaring dan het handgeschreven manuscript, dat je eerst nog moet ontcijferen.

 

 

De elektrische typemachine van Arnon Grunberg, een Triumph Adler Gabriele 7007L

 

 

Het is vreemd dat de filosoof Martin Heidegger dat zo slecht begreep, toen hij in de jaren veertig in Parmenides zijn twijfels uitte over de typemachine:  

 

‘De hand is, samen met het woord, het essentiële onderscheidende van de mens. De mens “heeft” geen handen, maar de hand houdt het wezen van de mens vast, want het woord als het essentiële rijk van de hand is de grond van het wezen van de mens. De typemachine scheurt het schrijven uit het essentiële rijk van de hand, dat wil zeggen het rijk van het woord. Het woord zelf verandert in iets “getypts”.’ 

 
Heidegger vreesde voor eenvormigheid als het woord werd losgekoppeld van het handschrift. Maar anders dan bij de beeldende kunst ging het in de literatuur nooit in eerste instantie om het ‘origineel’. Dat is nu juist het prachtige eraan. Het gaat per definitie om ‘reproducties’.  

 

Eerder al snakte Walter Benjamin in ‘Einbahnstrasse’ (1928) naar iets ter verrijking van de dwingende eenvormigheid van schrijfmachineletters. ‘De typemachine zal de hand van de letterkundige pas van de pen vervreemden als de precisie van typografische vormen direct in het concept van zijn boeken is doorgedrongen. Je zou kunnen veronderstellen dat er dan nieuwe systemen met meer variabele lettertypen nodig zouden zijn. Ze zullen de soepelheid van de hand vervangen door de innervatie van bevelende vingers.’ 

 

Innervatie: zoals zenuwen een weefsel binnendringen, zo moeten de vingers de lettertypen kunnen binnendringen, en allerlei nuances kunnen uitdrukken. Benjamin wilde een typemachine die je kon bespelen als een pianotoetsenbord, met alle kleuringen en registers van dien. 

 

In feite verlangde hij naar onze computers, met al die verschillende lettertypen en opmaakmogelijkheden. En wat hij wilde is nog steeds niet werkelijk gerealiseerd, al zijn er initiatieven in die richting. 

 

Het grafisch ontwerpbureau Underware (bij literatuurkenners bekend van het ludieke ‘ironieteken’ dat ze voor het Boekenbal van 2007 ontwierpen), werkt aan ‘dynamische lettertypes’, een concept dat zij ‘grammatografie’ noemen, dat nieuwe vormen van expressie mogelijk maakt waar statische letters voor tekortschieten.

 

 

De romantische illusie van het scheppende genie wil dat er geen apparaten aan te pas komen. Geen backspace-toetsen, geen cursors, geen insert-toetsen

 

 

Fascinerend experiment, maar de tijd zal leren of we er echt literatuur mee gaan maken. Schrijven is de taal weer nieuw maken, de taal ontdoen van die gebruikswaarde. Het is die beperkte zesentwintig letters dusdanig combineren dat ze de partituur worden van een muziekstuk dat elke lezer in zijn eigen hoofd opvoert, met zijn eigen verbeeldingskracht. Schrijver en lezer maken het werk samen, aan weerszijden van taal, die op zichzelf een dode code is, die tijdens het lezen verdwijnt.  

 

Op die manier blijft het echte ‘handschrift’ van een auteur altijd herkenbaar, onafhankelijk van opmaak en lettertypen. Een Italiaans computerprogramma was in 2000 al in staat om, als een soort literaire DNA-test, Marek van der Jagt te ontmaskeren als een pseudoniem van Arnon Grunberg. Vijftien jaar later claimde een Poolse wetenschapper dat zijn software in vijf minuutjes achterhaald had wie er achter Elena Ferrante schuilging, Domenico Starnone. Liefhebbers waren teleurgesteld, of bleven in ontkenning. Beroofd worden van een illusie doet altijd pijn.  

 
De romantische illusie van het scheppende genie wil dat aan het totstandkomingsproces geen apparaten te pas komen. Het liefst geen backspace-toetsen, geen cursors, insert-toetsen. In één keer, uitgestort of ingefluisterd, pent het genie het neer, hooguit met tussenkomst van een kroontjespen en bloedwarme inkt.

 

 

Kroontjespennen van Gerard Reve

 

 

Nog niet eerder ontroerde een schrijfmachine me zo als die van Biesheuvel

Lees artikel

Schrijven met een iMac of op de iPad (Connie Palmens Jij zegt het schijnt op de iPad geschreven te zijn): voor de romanticus voelt dat een beetje alsof ze Picasso betrappen op fotoshoppen.  

 

Ook dat gaat in het geval van de literatuur niet op. Net als mijn collega’s surf ik veelvuldig naar woordenlijst.org, of naar synoniemen.net. Sterker nog: bij het vertalen van de citaten van Heidegger en Benjamin hierboven heb ik gebruikgemaakt van Google Translate.  

 

Het genie, of laten we gewoon zeggen: de creativiteit, die zit niet in de opgeslagen parate kennis van het geslacht van woorden, noch in het spontaan kunnen produceren van zoveel mogelijk synoniemen. Creativiteit is het combineren van van alles en nog wat uit verschillende werelden. Creativiteit is nieuwe verbindingen leggen waardoor wat op het papier of scherm gebeurt nieuw is, ter plekke voor je ogen wordt geschilderd, affikt of explodeert.  

 

Zo heb ik ook in principe geen bezwaren tegen speciaal voor roman- en scriptschrijvers ontwikkelde software als Scrivener, met eindeloze toepassingen zoals een plot uitstippelen, systeemkaartjes maken voor afzonderlijke scènes, biografische lijstjes van personages aanmaken, enzovoorts, enzovoorts.

 

 

iBook van Joost Zwagerman

 

 

Wat telt is het eindwerk, niet de weg erheen. Problematisch is het pas als dit digitale schrijfgerei zijn stempel al te nadrukkelijk op het werk drukt. Zo heb ik wijlen Thomas Blondeau het bloemrijke werk van wijlen Hafid Bouazza eens horen typeren als ‘shift-F7-proza’ – naar de synoniemenlijst-sneltoetsen in Word.  

 

Er is een gevaar dat het middel overheerst boven het doel. Bij oude luisteropnames van Pippi Langkous merk je weleens dat het stereogeluid net was uitgevonden. Soms hoor je een stem vrijwel helemaal op je linkeroor, en het antwoord uiterst rechts. De nieuwe techniek domineert dan het eindresultaat, maar vaak is het nieuwtje er snel af, en komt er wel een goede balans.   

 

Zo is er ook wel degelijk het gevaar van ‘Scrivener-proza’, dat zich al te dwingend plooit naar het stramien van systeemkaartjes, scènes en plotpoints. De vrijheid van de literatuur is uiteraard ook dat je kunt afwijken van zo’n traditionele vertelstructuur van expositie, climax en resolutie.  

 

Een sterke roman mag iets originelers dragen dan zo’n driedelig plot. Het werkelijke geniale is dat het blijft opgebouwd uit maar zesentwintig letters en een handjevol tekens, zonder dat het uitmaakt hoe die allemaal op de best denkbare plek zijn gekomen.

 

 

iBook van Joost Zwagerman