De hof van Eeden achter de bouwmarkt

door Christiaan Weijts
Wat is er vandaag nog over van historische literaire plekken? In deze serie reist Christiaan Weijts door het land met foto’s uit het archief van het Literatuurmuseum en schiet die ‘opnieuw’. Deze keer: de schrijvershut van Frederik van Eeden op Walden, in Bussum.

Wat zou er nog over zijn van Walden, de idealistische kolonie die Frederik van Eeden precies honderdtwintig jaar geleden oprichtte bij Bussum? Talloze hutjes en huisjes verrezen toen op landgoed Cruysbergen, dat een zelfvoorzienende gemeenschap moest worden annex rustoord voor psychiatrische patiënten.

 

De werkhut van Van Eeden

 

Van Eeden liet, naast zijn villa De Lelie, een werkhut bouwen, waar hij in alle rust kon schrijven. Toen hij een paar jaar later een relatie kreeg met Truida Everts, een van de kolonisten, liet hij de hut herbouwen naast haar huisje.

 

Er is een foto van 9 maart 1925. Frederik van Eeden poseert voor de ingang van de hut, handen in zijn zakken, en tuurt peinzend naar de fotograaf. Walden is dan allang failliet maar zijn hut, een ruim tuinhuisje, is er nog en schijnt ook nu nog te bestaan.

 

Frederik van Eeden voor zijn hut te Walden

 

Naar die plek ben ik onderweg, deze warme dag, eind mei, met de foto in mijn hand. Erg hoopgevend ziet het er niet uit. Tussen een Gamma-filiaal en een horecagroothandel slingert een betonweg langs opslagloodsen, vrachtwagens en industriële hekken.

 

Dit kan niet kloppen, denk ik, en wil al weer omkeren, maar dan zie ik, in een bocht van een stenen schutting, een poort met een koperen bel ernaast. Naamplaatje in de vorm van een kat. Na mijn bellen klinkt er lang niets, dan voetstappen over het grint.

 

In één keer in het paradijs

 

De vrouw die opendoet registreert tevreden de verblufte uitdrukking die nu op mijn gezicht moet staan. ‘In één keer in het paradijs,’ constateert ze. Achter haar is een schitterende tuin, met gazons, wat beelden, zithoekjes, en – ik herken het onmiddellijk van foto’s – het huisje van Truida Everts, wit met houten luiken.

 

Liesje de Graaf-Cramer (69) is de huidige bewoonster. Ze woonde er jarenlang met haar man Marius, die zestien jaar geleden overleed. ‘Ik neem u meteen mee naar de hut. Die was zijn grote project, dus ligt hij er nu ook naast begraven.’ Een rood bordje met zijn naam markeert de plek waar zijn asurn ligt.

Foto: Christiaan Weijts

 

Marius was drieëndertig jaar ouder en werkte als pr-medewerker bij de golfkartonfabriek Van Meurs, die eigenaar was van het terrein. Na hun trouwen zochten ze een betaalbare woning. ‘Klaas van Meurs zei: staat hier achter niet nog een huisje op het terrein? Nou, dat wel, maar het was één grote wildernis. Negen ton vuil hebben we eruit gehaald. Er was geen cv. De schimmel stond op de muren.’

 

Ze brachten alles weer in oude staat terug, inclusief de hut van Van Eeden. Keurig groen geschilderde planken en hagelwitte kozijnen glimmen in de zon. Inmiddels moet je afdalen om binnen te komen, waar, ondanks het warme weer, de kachel brandt. ‘Dat doe ik één keer per week, om het vocht eruit te houden.’

Foto: Christiaan Weijts

 

Er is een zithoekje met wat boekenkastjes, er hangen gordijntjes, foto’s, kleden op de vloer. ‘Daar stond zijn bed, want hij sliep er ook wel eens, of bracht er gasten onder.’

 

In de loop der jaren heeft ze heel wat te stellen gehad met de hut. Een paar jaar terug dreigde hij helemaal te verkrotten, en kwamen er allemaal acties om de hut te behouden. Allerlei groepen gingen met De Graaf in gesprek. De Historische Kring, de gemeente… maar niemand wilde investeren in een hut op particulier terrein.

 

‘Op een gegeven moment zei ik: zolang het dak niet gerepareerd wordt, praat ik niet verder. Ze konden me allemaal de bout hachelen.’

 

Uiteindelijk erkende de gemeente het belang van deze unieke plek en hielp om de renovatie te bekostigen.

 

Van de koele meren des doods

 

Het voelt vreemd, om aan de werktafel te staan waar die andere foto, gemaakt bij Van Eedens zeventigste verjaardag in 1930, me aankijkt, als een droste-effect. Dichter bij Van Eeden kom je niet. Bij dit kantelraampje, bij het licht dat onder dit schuine glazen dakje op deze planken valt, schreef hij Van de koele meren des doods. Aan dit tafeltje noteerde hij in zijn dagboek: ‘Het beantwoordt alles hier aan mijn bedoelingen. Ik leef hier rustig en eenvoudig en voel mij dagelijks gezonder en vrediger. Geen slechtheid meer in me.’

Frederik van Eeden in zijn hut te Walden, 192X

 

Een enkele keer komen er nog wel Van Eeden-liefhebbers op pelgrimstocht, zegt De Graaf. ‘Er stond eens een jongen op een racefiets. Die was helemaal uit België gekomen. Dan moet je ernstig je best doen. Normaal laat ik mensen niet zomaar binnen als ze geen afspraak maken. Maar dit was een uitzondering.’

 

En er was eens iemand die meende zeker te weten dat hij een reïncarnatie was, of van Van Eeden, of van een vriend van hem. Marius nam hem mee naar de grote beuk. Herinnert u zich deze boom nog? Nee, dat niet. Nou, die had er toch echt gestaan. Nee, dat spiritisme, daar moesten wij niets van hebben.’

 

Alhoewel. ‘Van Eeden is gestorven op mijn verjaardag. En de broer van mijn man woonde in het huis van Albert Verwey. En mijn moeder woonde in een flat op de plek waar Van Eedens eerdere huis, Villa Dennekamp, heeft gestaan. Toeval bestaat niet.’

 

De grote beuk is niet meer. Het gevaarte, met een vijf meter dikke stam, was ziek en moest vorig jaar gekapt worden. Binnen laat De Graaf me het fotoverslag zien dat ze ervan maakte. Een fotoserie waar ze het Requiem van Mozart onder heeft gemonteerd.

 

‘Die boom heeft Van Eeden nog gezien. Merkwaardig idee, niet? Er was al vaker sprake van dat die boom misschien weg moest. Iemand kon hem wel beter maken, voor twaalfduizend gulden. Nou, zei mijn man, mijn tijd zal hij wel duren. We dachten dat hij honderd zou worden. Gelukkig heb ik kunnen regelen dat ik in dit huis kan blijven wonen. Marius vroeg altijd: hoe moet het nu met jou, als ik er niet meer ben? Ach, zei ik, dan word ik de heks van de Franse Kampweg.’

 

Ze liet een ‘huisvlag’ maken die op het terrein wappert: een heks met bezemsteel en een kat.

 

‘Prinses! Prinsesje!’ roept ze even later. De poes komt aangerend. In de keuken ligt haar voer, een dood kuikentje, in een schaaltje. 

 

Het ‘opnieuw maken’ van de foto – want ik zou bijna vergeten dat ik daarvoor kwam – blijkt nog een hele klus. Op de plek waar in 1925 de fotograaf stond is nu een gigantische rododendron verrezen, en vlak ervoor krijg ik de hut er niet in z’n geheel op.

 

‘Als je er nu zo ín kruipt,’ zegt De Graaf, die me voorgaat. Nee, te dichtbegroeid. ‘Een ladder dan, dan kijk je eroverheen.’ En ze is al weer verdwenen naar een verder gelegen schuur om een enorme ladder te halen. Ook niet. Uiteindelijk maak ik de foto iets van opzij, met mijn rug in de rododendron.

 

 

Een hof van Eeden

 

‘Die Van Eeden was natuurlijk gek,’ zegt De Graaf als we weer ergens anders in de tuin ijsthee drinken. ‘Dat zie je in z’n ogen, op die foto’s van zijn zeventigste verjaardag. Die verwilderde blik.’

 

Zwijgend tuurt ze de tuin rond. Verderop, achter de muur gromt een vrachtwagen, maar hier kwetteren de vogels. Even kan ik me haarscherp inbeelden hoe Van Eeden hier rond zou wandelen, en zou kunnen zien wat ervan geworden is. Hij zou best tevreden zijn. Afgezonderd van de maatschappij is hier een hof van Eeden ontstaan, bewoond door een eigenzinnige bewoonster die zich met liefde ontfermt over wat hij naliet.