‘De rattenkoning’ van Jacques Waterman is onmiskenbaar gebaseerd op zijn ervaringen in Theresienstadt

In 2017 nam toenmalig conservator Dick Welsink de nalatenschap van Jacques Waterman in ontvangst uit handen van diens jongste broer. De verhalen over wat het Joodse gezin Waterman tijdens de oorlog was overkomen, maakten diepe indruk.

 

In november 1970 verscheen de bundel Album van Jacques A. Waterman. Hij zag er, met zijn donkerrood velours omslag met goudopdruk, erg negentiende-eeuws uit. Omdat de erin opgenomen gedichten goeddeels rijmden, werden ze door de kritiek voor pastiches versleten. In maart 1973 volgde nog een tweede bundel, Maanden, jaren, met soortgelijke poëzie. Opnieuw waren de recensenten zuinig met complimenten, met uitzondering van Willem Wilmink in De Tijd die enkele gedichten zeer goed vond. 

 

Op 24 augustus 2017, meer dan veertig jaar na Watermans overlijden (hij was op 2 mei 1975, kort na zijn zevenenveertigste verjaardag, in Haifa gestorven), mocht ik als conservator van het Literatuurmuseum de nalatenschap uit handen van zijn jongste broer Ronald in ontvangst nemen. Die bestond onder meer uit brieven, handschriften en documenten, voor het merendeel kopieën. Bij de overdracht vertelde hij met gruwelijke details wat het joodse gezin Waterman tijdens de oorlog in Theresienstadt was overkomen en wees me in dat verband speciaal op het handschrift van het ongepubliceerde gedicht ‘De rattenkoning’. 

 

 

Het gezin Waterman op het strand bij Noordwijk in 1938

 

 

Nu ik bijna vijf jaar later de inmiddels geordende schenking doorneem, is een van de eerste zaken die ik zie een stapeltje aan elkaar gehechte bladen met fotokopieën van allerhande persoonlijke documenten uit de administratie van de kampen waarin Jacques Waterman, samen met zijn ouders, twee broers en een zus, geïnterneerd is geweest. Op het eerste blad kopieën van de Ausweiskarte en de Arbeitskarte van kamp Westerbork, met op de eerstgenoemde de datum van aankomst: 29 september 1943, en het nummer van de barak waarin hij ondergebracht werd, 71. Daarvoor had het gezin een half jaar in kasteel De Schaffelaar in Barneveld verbleven. Zijn vader, H.I. Waterman, hoogleraar aan de Technische Hogeschool Delft, stond met zijn gezin op de lijst van beschermde Joden. Deze Barneveldgroep was in het vooruitzicht gesteld daar te kunnen blijven. Dit bleek een loze belofte en ze werden alsnog naar Westerbork afgevoerd. 

 

Kopieën van de kampadministratie uit het archief van Jacques Waterman

 

 

Op 4 september 1944, na bijna een jaar in Westerbork, werd het gezin met een van de laatste treinen op transport gesteld naar Theresienstadt in Tsjechië. Op de Ausweiskarte wordt die datum niet vermeld, wel staat onder aan de kaart de gedrukte mededeling ‘Diese Karte immer bei sich tragen u. bei Abreise aus dem Lager abgeben’. Op 10 september 1944 ontving Jacques Waterman van de Zentralevidenz, de instantie in Theresienstadt die belast was met de dagelijkse controle van het aantal gevangenen, een kaart met zijn KENN-Nummer. Ook kreeg hij een Arbeitsausweis waarop werd vermeld dat hij als Hilfsarbeiter bij het ‘Gezondheidswezen’ als ‘Desinfektor’ werd aangesteld. Via een op 27 januari 1945 gedateerde kaart kreeg hij de opdracht zich de volgende dag om kwart voor negen ‘pünktlich und zuverlässig’ te melden in Hauptstr. 2/Raum 244 met de bedoeling mee te werken aan de bouw van nieuwe barakken. Op 3 mei werd de controle van het kamp door de nazi’s overgedragen aan het Rode Kruis, vijf dagen later werd het officieel door het Rode Leger bevrijd.

 

Op 6 juni ontving Waterman een kaart van het Czechoslovak Repatriation Office die hem het recht gaf terug te keren naar Delft. Daar was hij geboren en woonde het gezin voordat ze werden geïnterneerd in Barneveld. Als door een wonder hadden alle gezinsleden het kamp overleefd, via Metz reisden ze naar Nederland. Het laatste gekopieerde document is zijn Medical clearance certificate. Dat vermeldt dat hij herstellende is van vlektyfus, ‘nog geen tijd geweest voor doorlichting komt onder de hoede van Dr. Thomé te Delft’. 

 

Kopieën van de kampadministratie en de Medical clearance certificate uit het archief van Jacques Waterman

 

 

Al voor de oorlog was Jacques Waterman begonnen met het schrijven van gedichten, hij noteert ergens dat een gedicht met de titel ‘Uit d’eerste golf II’ is geschreven in 1938-1940, hij was toen elf of twaalf jaar. Niet lang na de oorlog moet hij de pen weer hebben opgenomen en in 1948 debuteerde hij op twintigjarige leeftijd met drie gedichten in het tijdschrift Criterium. Daarna bleef hij met tussenpozen schrijven, maar publiceren deed hij jarenlang niet. 

 

Wanneer het gedicht ‘De rattenkoning’, onmiskenbaar gebaseerd op zijn ervaringen in Theresienstadt, ontstaan is, weet ik niet. Het handschrift is niet gedateerd. Het is opgedragen aan zijn één jaar jongere broer A(braham) H(ein), roepnaam Bram. De tien strofen zijn om en om met zwarte en blauwe inkt geschreven: 

 

 

De rattenkoning (langere versie) 

voor: A.H. Waterman 

 

Zo vaak in mijn bestaan 

Moest ik oude zolders opruimen 

Of werkplaatsen afschuimen 

Waar mandflessen of roestige vaten staan 

 

Zo ook nu: De baas daareven weer 

Zei: Help ons in te pakken 

Flessen in houten bakken 

Bedek ze met houtwol en wit papier 

 

’k Dacht hoe destijds mijn broer en ik 

In onze gedwongen woning 

Den tweden rattenkoning 

Moesten assisteren te verzetten d’hele mik 

 

De twede rattenkoning, ja wat was die woest 

Dat was de man in ’t kamp 

Die met vergift en lamp 

En stok de rattenstand aldaar uitroeien moest 

 

Kennelijk moesten de twee broers bij het ‘Gezondheidswezen’ een aangewezen rattenbestrijder terzijde staan bij diens schier onmogelijke taak de rattenpopulatie in toom te houden. 

 

 

Zijn voorganger had heel wat meer vermocht 

Want deze had zijn baan 

Destijds heel goed verstaan 

De kampraad met zijn waren omgekocht 

 

‒ Met het nog onvergiftigd vlees en brood. ‒ 

De twede nieuw in ’t vak 

Iets wat hem nog ontbrak 

Was inzicht wat zijn baan voor perspektieven bood 

 

Door de volgende twee strofen is een kruis gezet, in de eerste regel zijn de woorden ‘de weelde’ doorgehaald. 

 

 

Hij werd bedwelmd door ’t al daar saâmgegaard 

Dan was er het moment 

Dat het lot ons verwend’ 

We zaten om de bakken heengeschaard 

 

Tussen de witte brokken brood. En gif 

Brachten we in het brood. 

Het licht viel uit. Geen nood 

We vraten ’t brood op haastiglijk en grif 

 

Het zou kunnen dat Waterman in technisch opzicht niet tevreden was over dit gedeelte, het rijm is krampachtig en driemaal het woord ‘brood’ in een strofe is misschien ook niet fraai. Of vond hij dat deze anekdote afbreuk deed aan de beklemmende sfeer van het gedicht? De voorlaatste strofe klinkt een stuk sterker: 

 

 

In ’t bestoft kantoor 

Zetten w’ een vat opzij 

De bodem bleef staan. Gele gelei 

Bedekte alles: Wij er vlot vandoor 

 

In de slotstrofe kijkt hij terug naar de tijd in het kamp die inmiddels lang achter hem ligt, maar nooit uit zijn gedachten is verdwenen: 

 

 

Zij zijn voorbij die dagen van weleer 

De rattenkoning is dood 

En wij zijn beiden groot 

En om te helpen zoekt ons niemand meer 

 

 

‘De rattenkoning’ van Jacques Waterman