Ronald Giphart: psycholoog en pornograaf, samen in een hersenkamer

Zeven kantjes vulde Ronald Giphart begin jaren negentig met niet minder dan 151 mogelijke titels voor zijn romans en verhalen. Scheldwoorden en Latijnse gemeenplaatsen, literaire termen en grove woordgrappen wisselen elkaar af. Een intrigerend inkijkje in zijn gedachten. 

 

De titel. Hij pakt je of hij pakt je niet. Trekt je in de analoge dan wel digitale boekhandel naar dat ene omslag waarop ie in matte of glanzende, schreeuwende of stille, strakke of sierlijke letters prijkt. We worden met de dag meer eerste-indrukmensen: een goede titel is een goed boek, een slechte titel is bij voorbaat een misser. Maar wat bepaalt of een titel de kassa’s zal doen rinkelen? Waarvan worden de kopersharten warm?

 

Met die vraag worstelde Ronald Giphart toen hij begin jaren negentig een lijst met mogelijke titels voor zijn romans en verhalen samenstelde. Zeven kantjes werden het, 151 potentiële titels in totaal. We weten niet in welke fase van het schrijfproces hij zijn ideeën neerpende: wel kunnen we vermoeden dat ze niet allemaal met dezelfde serieuze bedoeling op het papier belandden. Het steeds kriebeliger wordende handschrift en de gelijkblijvende kleur van de inkt zouden erop kunnen wijzen dat hij alles in één enkele sessie uit zijn gedachten schreef.

 

Christiaan Weijts nam eerder al de negen geboden onder de loep die de jonge Ronald op 24-jarige leeftijd aan zichzelf oplegde. ‘Een Heel Erg Belangrijk, Geheim, Hoogstpersoonlijk Decreet’ noemde hij deze leefregels, dat hem er nogmaals van bewust maakte dat ‘ALLE TIJD, ENERGIE en INSPIRATIE dienden gestoken te worden in LITERATUUR’. Toen vingen we al een glimp op van Gipharts lijstjesdrang, die hem dwong tot het uiteenzetten van romantijdspaden, hoofdstukschema’s en personagestambomen.

 

De 26 titels en plannen op de eerste pagina zijn doorgekrast. Ze werden ongeschikt bevonden – of juist gebruikt, leert een snelle inventarisatie: de suggestie Platonische sletten (nummer 6) keert terug in Giph (1993), evenals The Last Christmas Tour (nummer 12); eerstgenoemde als een gedachte vrouwentypering door het hoofdpersonage, laatstgenoemde als titel van een hoofdstuk. Suggestie nummer zeven, Pilaren in het donker, zou de titel worden van Gipharts nieuwjaarsgeschenk voor uitgeverij Noordhoff, dat begin 2018 verscheen in een reeks kleinoden over het onderwijs, geschreven door grote namen uit de Nederlandse literatuur, waarmee de educatieve uitgeverij jaarlijks haar relaties bedankt voor de prettige samenwerking. Nummer veertien, Nooit Meer Amsterdam, zou de titel worden van een kort verhaal dat in 1992 in de bloemlezing Max. 36 verscheen, waarin schrijvers van ten hoogste 36 jaar onder het selecterend oog van toenmalig Vrij Nederland-recensente Jessica Durlacher hun schrijfkunsten mochten vertonen.

Een aantal is ongetwijfeld in minder letterlijke vorm terug te vinden. ‘Vriendschap overwint alles’, luidt nummer 25, een adagium dat als leidend voor een groot deel van Ronald Gipharts oeuvre geldt. Hij deelde die gedachten met zijn jeugdvriend Bert Natter, zeker in het begin zijn vaste kompaan, met wie hij zijn voorkeur voor een cocktail van respect voor de hogere literatuur en platte ongein deelde. Enkele ideeën vielen de schrijver, consistent als zijn smaak was, zelfs twee keer te binnen: ‘Beroemde ontmaagdingen’ staat zowel op nummer 15 als 99. Soms zijn de plannen vrij generiek (88: ‘Zo kan het ook’, 100: ‘Ik weet het ook niet’), andere keren juist extreem precies (110: ‘Manuscript in een pak melk gevonden’, 89: ‘De weemoed die aantast en heelt tegelijk’).

Weijts noemt de negen geboden ‘een manifest vol ironie en studentachtige humor’, dat, zo bevroedt hij, toch ‘in een door en door ernstige bui is geschreven’. De ironische, bombastische en studentikoze toon gaan in dat document samen met grootse ambities. Hetzelfde kunnen we vermoeden van deze uitputtende lijst, waarop het ongetwijfeld lollig bedoelde ‘Moederkoekhappen’ (nummer 26) prijkt naast de ogenschijnlijk bloedserieuze Awater-verwijzing ‘Er staat altijd wat er staat’ (nummer 23). Het ritmische ‘Papapatatje oorlog’ (29) staat in de buurt van het historisch klinkende ‘Arbeiders vroeger en nu’ (38). Scheldwoorden en Latijnse gemeenplaatsen wisselen elkaar af, literaire termen en grove woordgrappen volgen elkaar naadloos op.

Hoe langer je je ogen over de regels laat gaan, des te meer krijg je het idee te hebben plaatsgenomen in de woonkamer van een duale geest, waar de boekenkasten zowel gevuld zijn met pornoblaadjes als met studieboeken, waar aan de muren erotisch naakt naast wereldkaarten hangt. In Gipharts hoofd leeft het serieuze en wetenschappelijke met het uitdagende samen. Leven ze in harmonie?

Het intrigerendst aan dit inkijkje in Gipharts gedachten vind ik nog wel het onuitputtelijke zoeken waarvan het getuigt. Want naar een titel is het zoeken als ie je niet meteen binnenvalt. Hij laat soms eindeloos naar zich speuren, treuzelend om een hoekje in je brein, geduldig afwachtend tot je het bijna opgeeft. Bijna. Want wat je maakt, verdient een naam. En waar we voorafgaand aan de geboorte van een kind eindeloos door boeken met suggesties kunnen bladeren, dwingt het bedenken van een titel voor een roman, verhalenverzameling, dichtbundel of bloemlezing juist tot het tegenovergestelde: het moet unieker dan uniek zijn – voor de online vindbaarheid, tegen de ongewilde associaties met andere werken.

Want associaties, daar leeft een titel op. De woorden roze en rood wekken de verwachting van zoetsappigheid, bij grijs denken we inmiddels gek genoeg aan seks en bij blauw en zwart gokken we op dreigend en duister. Maar het gaat verder. Kies je voor een abstract duo, dan sluit je je aan bij de klassiekers van Dostojevski, Tolstoj en Jane Austen (Misdaad en straf, Oorlog en vrede, Trots en vooroordeel). Momenteel populair is de langere titel, inclusief lidwoorden, persoonsvormen en aanverwante grammaticale zaken. Wie gaat voor zo’n exemplaar, dat vaak ook een bepaalde zijnsvraag lijkt te willen beantwoorden, plaatst zichzelf onvermijdelijk in een recentere traditie naast Nina Polak (Gebrek is een groot woord), Marieke Lucas Rijneveld (De avond is ongemak) en Maartje Wortel (Dennie is een star). De absurdistische titel dan, die direct al het hele plot wil omvatten: De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, Een korte geschiedenis van de tractor in de Oekraïne. Of het – ogenschijnlijke – neologisme, dat direct een poëtische pretentie verraadt: Nachtouders, De buitenvrouw. Allemaal kennen ze hun eigen geschiedenis, hun eigen tijdsperiode van opleving, hun eigen associatiewaterval.

Het was die waterval waaronder Giphart baadde toen hij deze ideeën neerpende – ongeremd door de angst dat ooit iemand over zijn schouder zou meekijken, ongehinderd door de gedachte dat het merendeel er wellicht nooit zou komen. Hij gaf gehoor aan zijn twee innerlijke stemmen: de psycholoog en de pornograaf, samenlevend in zijn hersenkamer. 

Ronald Giphart in de Schrijversgalerij

 

De portretten van Jean Marie Mersmans zijn trefzeker, expressionistisch en karaktervol. De kracht die uit zijn portret van Ronald Giphart spreekt, past bij de manier waarop de schrijver begin jaren negentig de letterenwereld opschudde met zijn overrompelend frisse schrijfstijl en met seks gevulde boeken. 

 

Lees hier het verhaal achter dit portret.