Weerzien in de eeuwigheid – echte liefde volgens Rhijnvis Feith

De romans en gedichten van de 18de-eeuwse schrijver Rhijnvis Feith zijn zo doordrenkt van sentimentaliteit dat het onrealistisch, bijna absurd wordt. Maar volgens Feith zelf was dat juist de kracht ervan: zijn teksten laten zien wat échte liefde is.  

 

Een hopeloze liefde, tegengewerkt door dwingende factoren zoals ouders en de christelijke moraal. Daarover gaat de roman Julia van Rhijnvis Feith uit 1783, een verhaal over twee jonge mensen die verliefd op elkaar zijn maar die liefde niet kunnen vieren. Met zijn romans en gedichten vertegenwoordigde Feith het sentimentalisme in de Nederlandse literatuur. 

 

Niet alleen word je bij het lezen van Julia in iedere gedachte en gevoelsingeving van de personages volledig meegenomen, ook voel je al snel de onafwendbaarheid van het naderende onheil. Want werkelijk alles wat mis kan gaan, gaat mis.

 

Julia en Eduard besluiten, zolang zij niet mogen trouwen, uit elkaar te gaan en op elkaar te wachten, in een constante, bijna ondraaglijke hunkering naar liefde en nabijheid. Ze schrijven elkaar brieven, en na een lange periode van afzien is daar het verlossende woord van Julia: ze kunnen eindelijk trouwen en een leven met elkaar beginnen. 

 

Het noodlot slaat dan pas echt toe; wanneer Eduard arriveert blijkt Julia geheel onverwachts te zijn overleden. Eduard blijft gebroken achter, met een groot doodsverlangen, maar zelfs daar mag hij niet aan toegeven vanwege het taboe dat daar op rust vanuit het christendom. Hem rest niets anders dan een leven in totale rouw en verdriet, waarin hij iedere dag alleen maar kan wachten tot hij zal sterven en Julia in de hemel zal weerzien.

 

De uiterst romantische thematiek kenmerkt zich bij Feith dus zeker niet door een mierzoete blik op de werkelijkheid. Sterker nog, zijn werk staat bol van verbolgenheid over de hardheid van het menselijk bestaan. Zo ook in het gedicht ‘Scheiding en Wederzien’, waarvan het Literatuurmuseum een handgeschreven versie bezit.

Waar je bij het lezen van Julia in het begin nog de hoop hebt op een romantisch eind-goed-al-goed verhaal, is bij dit gedicht de opbouw andersom. In de eerste strofe (van de tien) bevindt de ik-persoon zich in een uiterst ongelukkige, bijna transcendente positie. ‘Wat beelden zweven om mij henen? / Is ’t wezen of slechts ijdle schijn?’

Na een paar regels herpakt de dichter zich enigszins, en wordt het voor de lezers duidelijk wat er aan de hand is. In de eerste strofen is er überhaupt geen enkele emotie mogelijk, hij bevindt zich in een diep dal van rouw en verdriet, compleet murw geslagen. Na een aantal strofen is daar eindelijk een traan, maar wel een ingehouden traan. ‘Op dat hij niet te vroeg de smarte / De vrees van ’t zaamgeschroeide harte / Aan ’t steeds nog hopend kroost verraad?’ De hoop blijkt ijdel, de geliefde van de dichter is gestorven, en dat dringt later in het gedicht ook tot hun kinderen door.

 

 

Wat volgt is een klaagzang van ongelooflijk diep verdriet. Door het verouderde taalgebruik en de extreem diepe put waarin de dichter zich bevindt vergt het wel heel veel inlevingsvermogen me hierdoor te laten raken. Maar ga er maar eens aan staan, met woorden een volledige uitdrukking geven aan de allerdiepste menselijke emoties, zoals het liefhebben van iemand, het verlies van diegene, de rouw die daarop volgt, en het leven dat dan doorgaat. 

 

De kritiek die Feith al direct op zijn sentimentele teksten kreeg, raakt aan het bezwaar dat ik ook nu nog bij lezing ervan ervaar. Er gaat zoveel mis, de situatie is zo uitzichtloos, dat het niet waarheidsgetrouw en zelfs bijna absurd voorkomt. Het is moeilijk om niet in de lach te schieten. In Brieven over verscheidene onderwerpen, een omvangrijk werk dat bestaat uit steeds meerdere brieven over een onderwerp zoals ‘Het genie’, ‘Over den smaak, deszelfs waardij, en over de schoonheid’, schrijft Feith uitgebreid over dit aspect van het sentimentalisme, volgens hem juist de kracht ervan. 

 

De schrijver van sentimentele teksten is als een moraalridder voor de samenleving. De teksten zouden laten zien wat echte liefde is, en dat die dus niets te maken heeft met geld, genot of maatschappelijke positie. Als jongeren dit inzien zullen ze volgens Feith niet toegeven aan lichamelijke verleidingen voor het huwelijk maar besluiten om elkaar eerst echt te leren kennen en daarna al dan niet te trouwen. Dit zou weer leiden tot een vermindering van het aantal echtscheidingen. 

 

Waarheidsgetrouw of niet, filosofeert Feith, een betere moraal moet toch het doel zijn van iedere schrijver? In realistische boeken zakt de moraal van de samenleving alleen maar verder af. In deze volgens Feith volkomen liefde zou een scheiding door de dood een onuitwisbare indruk op de achtergeblevene achterlaten. Uitzichtloos is dit echter niet:

Onderling voor elkanderen geschapen, kan hen de tijd van één scheiden, maar de eeuwigheid verzamelt hen weêr, en daar zijn ze één, onafscheidelijk één. Daar heên gaan hunne liefste gedachten, hunne strelendste bespiegelingen. […] De Winter is hun Lente – de middernacht dageraad – de wildernis een Eden – de hut een hemel – de waterdroppel nectar – het kruimpje brood ambrozijn. Waar ze zich missen, is de geheele natuur hun een rijk des doods. De trillende grashalm stond in betrekking tot het beminde voorwerp, en zij waren zich onderling de belevende en bezielende geest der geheele schepping. Niets – niets kan hun dit verlies vervullen – dan de Eeuwigheid, voortaan het eenige verschiet, waar hun traanend oog vrolijk heen zweeft.

Voor Rhijnvis Feith was er altijd nog die ene troostrijke gedachte, namelijk dat er iets is wat al deze menselijke dieptepunten ver te boven gaat. Hij vond troost in het christelijk geloof, en maakte er zijn missie van om dit met zijn lezers te delen, zoals duidelijk blijkt in de laatste strofe van het gedicht ‘Scheiding en Wederzien’: 

Juich, lijder! Uit uw droeve nachten
Als gij de dierbren na blijft smachten
Met wie ge uw laatste vreugd zag vlien
Juich, als het wee u dreigt te stikken
De scheiding duurt slechts oogenblikken,
Eene eeuwigheid het wederzien!

En voor alle sentimentalisme-critici, volmaakte-liefde-hekelaars en romantiek-vitters met mij heeft Feith de volgende boodschap. Wie dacht dat hij overdreef heeft het niet begrepen: 

 

‘Wat zijn hier overdreven tafereelen? […] Zeker zulke tafereelen van Liefde zullen de meeste menschen doen zien, dat ze de Liefde nimmer gekend hebben.’

Portret van Rhijnvis Feith door Willem Bartel van der Kooi, 1820 (collectie Literatuurmuseum)