Pierre
Kemp

1956

Constantijn Huygens-prijs
Pierre Kemp (1886-1967) kreeg de Constantijn Huygens-prijs 1956.

De Maastrichtse dichter Pierre Kemp toonde zich ‘in een tiental bundels, sinds 1934 verschenen, een vruchtbaar en zuiver dichter’, zo stelt de jury. ‘In de controverse bestaande tussen hen, die deze verzen wel aardig, speels, charmant en liefelijk vinden, maar er diepere betekenis aan ontzeggen en degenen, die dit oeuvre van hoge poëtische waarde achten, heeft het bestuur onvoorwaardelijk voor de laatstgenoemde opvatting partij gekozen.’ De anderen hebben weliswaar gelijk, maar gaan met hun kwalificatie slechts ‘tot de bodem’. De dubbele bodem hebben ze niet ontdekt ‘en nog minder daaronder gekeken’.

 

Volgens de jury werkt de dichter vanuit de filosofische idee van de ‘immanente negativiteit’: het niets is de grond der dingen en vormt met het zijn der dingen het eeuwige ‘worden’. ‘Tot dat niets, waartoe naar zijn woord “alles verrilt”, wil de dichter zich reduceren tot hij zelf vervluchtigt tot geest – tot muziek.’ In Kemps gedichten treedt de mens buiten zichzelf, hij raakt ‘verdingd’, en omgekeerd komen de dingen op hem toe. Dingen en mens en ontmoeten elkaar in het gedicht.’ Onderstaand gedicht ziet de jury als een kenmerkend voorbeeld:

 

Als ik sterf zullen er dan

geen geesten komen, die zeggen,

Kijk, daar waait Kemp uiteen!

Was het eigenlijk ooit een man?

Liep hij ooit voor de vrouwen weg

en liep hij er wel omheen? Was hij wel meer dan een geest

of is hij misschien maar muziek geweest?

 

Hier is ‘meer aan de orde (…) dan het charmant beleven van kleur, bloem en dier’; een ‘wijs en diepgaand levensbesef [is] hier op hoogst eenvoudige en muzikale wijze verwoord’.

 

Pierre Kemp, die in 1956 zeventig werd, debuteerde al in 1914 met de bundel Het wondere lied, maar zijn eerste poëzie was nog conventioneel. Met Stabielen en passanten uit 1934 vernieuwde hij zich totaal. Het Parool typeert zijn werk vanaf deze jaren als ‘nieuwe, zeer oorspronkelijke, beeld- en kleurrijke poëzie, meestal bestaande uit korte, vaak grappige gedichten met dikwijls een diepe zin’. Pierre Kemp was ambtenaar van de Limburgse Staatsmijnen en volgde in zijn jonge jaren teken- en schilderlessen bij Rob Graafland in Maastricht.

 

Het Limburgsch Dagblad riep Kemp in 1956 uit tot ‘Man van het Jaar’: ‘Hij is de eerste uit Limburg die op een biënnale voor poëzie verscheen met zijn werk. Een Limburger tussen de groten van de hele wereld!’ juichte de krant. Zijn zeventigste verjaardag was een literair Limburgs hoogtepunt.

Jury

De jury bestond uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois, Gerrit Kamphuis, A. Mout.

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 2.500 gulden verbonden. De officiële uitreiking vond plaats op vrijdag 30 november 1956 in het stadhuis van Den Haag. Pierre Kemp was daarbij om gezondheidsredenen niet aanwezig, hij was te horen op een geluidsopname.