Harry
Mulisch

1963

F. Bordewijk-prijs
Harry Mulisch (1927-2010) kreeg de F. Bordewijk-prijs 1963 (toen nog Vijverberg-prijs genoemd) voor De zaak 40/61.

De zaak 40/61: een reportage (1962) is een persoonlijk ooggetuigenverslag van het historische Eichmann-proces in Jeruzalem. 40/61 was het nummer van de zaak-Eichmann op de rol van de arrondissementsrechtbank.


Mulisch schreef de artikelen oorspronkelijk voor Elseviers Weekblad. Toen nazi-kopstuk Adolf Eichmann in 1960 was opgepakt in Argentinië en in Israël berecht zou worden, wist Mulisch dat hij daarvan verslag wilde uitbrengen en benaderde hoofdredacteur H.A. Lunshof. De dagenlange huiveringwekkende getuigenverklaringen grepen hem zeer aan. De artikelen vulde hij aan met dagboekfragmenten en verslagen van de reizen die hij maakte naar Duitsland en Polen: hij bezocht de ruïne van Eichmanns kantoor in Berlijn en het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. 


‘Ik ben jurist noch journalist, ik ben een schrijver, de enige die zich in deze mate met Eichmann heeft beziggehouden. Ik ben niet uitgenodigd voor deze reportage, ik heb mijzelf aangeboden, de zaak Eichmann heeft meer met mij te maken dan ik zelf weet; en deze relatie gaat verder dan een thematisch verband met ander werk, dat ik heb geschreven of nog zal schrijven: mét mijn werk wijst zij naar iets, dat ik zoek. Ik kan natuurlijk zeggen: Eichmann is mijn vader. Maar dat is vervelend, dat moeten anderen maar zeggen. Ik zou ook kunnen zeggen: ik ben het zelf. Maar dat is te fraai. Ik kan ook zeggen: in het proces openbaart zich het mysterie der werkelijkheid. Maar dat heb ik al gezegd. Ik zou nu willen zeggen: hij hoort tot de twee of drie mensen die mij veranderd hebben.’


Historicus J. Presser besprak 40/61 in De Gids: Mulisch’ boek, een serie reportages met bespiegelingen erdoorheen gevlochten, was ‘ronduit voortreffelijk’. Zijn ‘briljant geschreven, meeslepende en pittige tekst’ was ‘gevaarlijk’ voor de ‘onwetende jonge mensen die er gretig naar zullen grijpen’.


Advocaat Abel Herzberg, die zelf in deze periode ook een boek schreef over Eichmann, besprak De zaak 40/61 op verzoek van de Volkskrant en uitte een belangrijk bezwaar. In Mulisch’ tekst bleef het te zeer in het vage of Eichmann uitsluitend ‘op bevel’ handelde. ‘Op grond van uitvoerig bewijsmateriaal [is] onweerlegbaar vastgesteld dat dit feit NIET juist is, dat Eichmann weliswaar bevelen heeft opgevolgd, maar niet omdat zij bevelen waren, maar omdat hij zich daarmede vereenzelvigd heeft. Daarenboven is komen vast te staan, dat hij bij de uitvoering daarvan eigen initiatieven heeft ontwikkeld, waardoor hij veel verder gegaan is dan hem was gelast. Verder is bewezen, dat hij in hoogst belangrijke aangelegenheden op eigen gezag heeft gehandeld.’ Herzberg gaf als voorbeeld de dodenmars in Hongarije. Mulisch leek dit alles te negeren, en maakte van Eichmann ‘een soort vol-automatische massa-guillotine’, wat het zicht op de persoon en op de nationaalsocialistische beweging vertroebelde, aldus Herzberg. 

 

Jury

Van de jury onder voorzitterschap van A. Mout maakten deel uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois en Gerrit Kamphuis.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 1.500 gulden verbonden. De prijsuitreiking vond plaats op donderdagavond 19 december 1963 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Hans van Dijk / Anefo / Nationaal Archief, CC0