Het legendarische debuut van Harry Mulisch

In 1951 organiseerde Hans van Straten namens het literaire tijdschrift Podium een samenzijn van literatoren: 'Omdat we weer eens wat moeten doen […] ben ik bezig een Podium-weekend in elkaar te draaien. Geen conferentie of congres, maar een lekkere rotzooi.' Het weekend zou het decor vormen voor het debuut van Harry Mulisch.

Het in 2015 verschenen boek Oorlog in de zestien is geheel gewijd aan het fenomeen van de ‘pinchhitter’ in het voetbal. De pinchhitter is een speler die niet in de basisopstelling start maar pas in het veld wordt gebracht bij een achterstand. Wanneer er dringend iets geforceerd moet worden doet men een beroep op hem, want zijn kwaliteit is dat hij een wedstrijd open kan breken. Bekende pinchhitters zijn Joop van Daele, Dick Nanninga en Pierre van Hooijdonk.

 

Wie ook zeker niet had misstaan in dit boek is Harry Mulisch. Op zondag 2 december 1951 kwam de 24-jarige Haarlemmer als invaller in actie bij de wedstrijd Podium-De Windroos. Volgens de overlevering was de stand op dat moment 1-2. Toen scheidsrechter Willem Frederik Hermans niet veel later afblies (hij hanteerde een soort natuurtrompet als fluit) was het 3-2 geworden. Pinchhitter Mulisch had twee keer gescoord.

 

Een Podium bieden

Lees ook

Het duel werd gespeeld in het kader van het ‘Podiumweekend’, een samenzijn van redacteuren, medewerkers en relaties van het literaire tijdschrift Podium op 1 en 2 december 1951 in kasteel Oud-Poelgeest, tussen Leiden en Oegstgeest. De grote aanjager van het evenement was redactiesecretaris Hans van Straten. Hij organiseerde het weekend in samenwerking met ‘De Windroos’, een poëziereeks onder redactie van Ad den Besten en uitgegeven door de Uitgeversmaatschappij Holland.

 

1951 was een turbulent jaar voor Podium. Tijdens een manifestatie in het Stedelijk Museum, de ‘Podiumavond’ van 1 maart, toonden de Vijftigers zich voor het eerst met veel bombarie aan het publiek. Het derde nummer (mei-juni) bevatte een fragment van de novelle ‘Melancholia’ van Gerard Kornelis van het Reve en een voorpublicatie uit de roman Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans. Beide teksten zorgden voor heel wat consternatie. Wegens een masturbatiescène in de novelle had staatssecretaris Cals kort daarvoor een reisbeurs aan Van het Reve geweigerd. De publicatie van het fragment in Podium en een scheldtirade jegens katholieken in de tekst van Hermans leidden ertoe dat de bewuste aflevering van Podium na een klacht van de katholieke Volkskrant door de politie in beslag werd genomen. Hierdoor stond het blad wel volop in de schijnwerpers, wat zeker meespeelde toen Van Straten in het najaar zijn plannen ontvouwde. Op 17 oktober schrijft hij aan redacteur Gerrit Borgers:

 

Omdat we weer eens wat moeten doen […] ben ik bezig een Podium-weekend in elkaar te draaien. Geen conferentie of congres, maar een lekkere rotzooi. […] Een en ander bezorgt ons tenminste weer wat publiciteit: dat mag ook wel, want geen ene krant schrijft meer over ons proces.

 

Circulaire Podium, ca. begin november, opgesteld door Hans van Straten. Collectie: Literatuurmuseum

 

Naast literaire activiteiten moest er ook aan teambuilding worden gedaan, bijvoorbeeld door ‘een voetbalwedstrijd tussen dichters en de rest’. Begin november verzendt Van Straten namens Podium een circulaire, die zwaarmoedig begint: ‘De tijden zijn zwart.’ Reden te meer om een festival te organiseren:

 

Géén moeizaam congres met belang-, maar ook slaapverwekkende referaten, geen conferentie waar gezellig aan de cultuur wordt gebouwd, maar een poging om het isolement van de jonge Nederlandse kunstenaar voor één weekend te doorbreken. […] Zondagmorgen is er een voetbalwedstrijd, waarvoor we als tegenstander Libertinage hebben aangezocht, maar we denken eigenlijk dat het flauwe kerels zijn en dat ze niet komen. Voetballen doen we in elk geval, Charles is niet te houden.

 

Redacteur J.B. Charles, pseudoniem van de criminoloog W.H. Nagel, was een erkende liefhebber van de edele voetbalsport. De kosten voor deelname bedragen ƒ 5,50 voor wie tot zondagavond blijft en ƒ 6,50 voor wie maandagochtend nog van het ontbijt gebruik wenst te maken. Er wordt op grote belangstelling gerekend:

 

De accommodatie van het kasteel is beperkt tot 100 bedden, om teleurstelling te voorkomen melde men zich vooral spoedig aan. 

 

Voorlopig programma Podiumweekend, Hans van Straten aan Gerrit Borgers, 13 november 1951. Collectie: Literatuurmuseum

 

Op 13 november stuurt Van Straten het voorlopige programma aan Borgers. De voetbalwedstrijd zal op het middaguur aanvangen en een uur duren. Er zijn inmiddels dertig bedden gereserveerd. Een analyse van de aanmeldingen brengt een probleem aan het licht, zo blijkt uit een brief van 19 november:

 

[E]r dreigt op het weekend een mannenoverschot te ontstaan. Of, exacter, een tekort aan vrouwen. Kan jij er behalve Annie niet nog een paar meebrengen?

 

Voor het doorgaan van de voetbalwedstrijd vormt het in elk geval geen belemmering. De tegenstander is toch niet het concurrerende tijdschrift Libertinage, zoals in de circulaire stond. Dat was waarschijnlijk een grapje geweest; ‘dichters tegen de rest’ was immers al bij aanvang het plan.

 

Die zondag 2 december is het fris, een graad of acht slechts, maar het is wel droog en de zon breekt zelfs af en toe door. Van de wedstrijd zijn elf foto’s van de hand van Frans Zuydwijk overgeleverd. Twee ervan zijn groepsfoto’s, al onthullen ze helaas niets over de opstellingen der beide elftallen, om met Tom Egbers te spreken. De selectie poseert op het grasveld voor het kasteel, met op de achtergrond rechts de oranjerie en links boerderij Melkersrust.

 

De selectie; staand v.l.n.r: J.B. Charles, Hans van Straten, Harry Mulisch, Paul Rodenko, Ad den Besten, Remco Campert (vrijwel geheel schuilgaand achter Den Besten), Maurits Mok, Henk van der Horst, D. Opsomer, Leo Klatser, Oey Tjeng Sit, Willem Frederik Hermans, Wim Schouten, Bert Schierbeek en L.F. Abell; gehurkt v.l.n.r.: Henk van Tienhoven, Geert Lubberhuizen, Herman van Praag, Gerrit Borgers en Meine S. Koops; liggend/zittend v.l.n.r.: Jan Meulenbelt, Bergman. Collectie: Literatuurmuseum

 

De Podium-redacteuren Van Straten, Charles, Borgers en D. Opsomer (Dick Vriesman) staan erop. Ad den Besten van De Windroos. Geert Lubberhuizen en Wim Schouten namens uitgeverij De Bezige Bij. Dichters van wie een bundel in de Windroosreeks was verschenen, zoals Jan Meulenbelt, Henk van Tienhoven, Bergman (pseudoniem van Aart Kok) en Paul Rodenko. Die laatste was ook aan Podium verbonden geweest en had erin gepubliceerd, net als Hermans en Loet Abell.

 

Charles heeft zich qua outfit goed voorbereid op de match. Ook Bergman is in korte broek en zijn schoeisel heeft wel iets weg van echte kicksen, genoeg voor Charles althans om hem in te lijven, zo herinnerde Bergman zich in 2000 tegenover Joris van Casteren:

 

J.B. Charles zag dat ik een paar laarzen aanhad met dikke noppen. ‘Jij voetbalt met ons van Podium mee,’ zei Charles. ‘Da’s goed,’ zei ik terwijl ik eigenlijk bij het Windroos-team hoorde. Charles liep er professioneel bij: shirtje, korte broek en echte voetbalschoenen. 

 

Actiefoto. Bergman (uiterst rechts) anticipeert op een dieptepass van Bert Schierbeek (links); in het midden Remco Campert en Harry Mulisch. Collectie: Literatuurmuseum

 

Op een andere foto zien we Bergman op links diepgaan, anticiperend op een lange pass van Bert Schierbeek.

 

De bal kwam goed aan, maar ik faalde jammerlijk in de afwerking door de bal keihard tegen de verbouwereerde Maurits Mok te schieten die om onduidelijke redenen het Windroos-doel moest verdedigen.

 

Bergman was sowieso niet te spreken over het ad hoc selectiebeleid van Charles: ‘Verder was het een samengeraapt zooitje tot en met.’

 

Het was zondag, dus er werd die middag ook in de landelijke competities gevoetbald. Ajax won moeizaam met 2-1 van RCH, Feijenoord (toen nog niet met een ypsilon gespeld) ging smadelijk met 5-2 onderuit in en tegen Eindhoven en regerend landskampioen PSV nam de volle winst mee op bezoek bij Sparta: 0-2. Overigens hadden de Grote Drie van het vaderlandse voetbal toen nog niet die status, dat zou pas in de jaren zeventig zijn beslag krijgen.

 

Wat dat betreft is er een aardige parallel met die andere Grote Drie, want die aanduiding raakte eveneens pas vanaf de jaren zeventig in zwang. Van het Reve was niet bij het Podiumweekend aanwezig, hij was net terug uit Engeland en zat midden in zijn eerste homoseksuele liefdesaffaire. Hermans was er wel, maar als erkende houten klaas – als kind werd hij ‘stijve Jezus’ genoemd – voetbalde hij wijselijk niet mee. Hij had zich over de arbitrale leiding ontfermd, wederom tot ongenoegen van Bergman:

 

Hermans fungeerde als scheidsrechter. Gewapend met een toeter stond hij aan de kant luidruchtig te trompetteren bij elke overtreding die niemand had begaan.

 

Mulisch had nog niets gepubliceerd, maar een week eerder was hem in de aula van de Gemeente Universiteit Amsterdam de Reina Prinsen Geerligsprijs uitgereikt voor het manuscript van Archibald Strohalm.

 

De symboliek druipt er vanaf. De polemist Hermans, luidruchtig aanwezig en streng oordelend over zijn collega’s, daarbij ook weleens licht marchanderend met de waarheid. De optimist Mulisch, fris van de lever en recht op het doel af, met het zelfvertrouwen en de trefzekerheid van de ware pinchhitter.

 

In Mijn getijdenboek (1975) noemde Mulisch de Prinsen Geerligsprijs ‘het begin van mijn stralende zegetocht door het publieke leven’. Het Podiumweekend markeerde vervolgens, zoals Van Straten later zou noteren, zijn ‘entree in het literaire leven’.

 

Twee goals en De Windroos aan de zegekar gebonden. Een legendarisch debuut.

 

Colofon

Bronvermelding

 

Voor dit artikel heb ik gebruikgemaakt van de in het Literatuurmuseum berustende correspondentie van Podium, brieven van Hans van Straten aan Gerrit Borgers en de foto’s van Frans Zuydwijk. De citaten van Bergman komen uit Joris van Casteren, In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters. Amsterdam 2002, p. 72. De gegevens over het wedstrijdverloop en het citaat van Van Straten over Mulisch komen uit Hans van Straten, Hermans: zijn tijd, zijn werk, zijn leven. Soesterberg 1999, p. 223.