Arthur
van Schendel

1947

P.C. Hooft-prijs
In 1948 is de P.C. Hooft-prijs 1947 voor verhalend proza toegekend voor ‘Het oude huis’, uitgereikt aan de erfgenamen van Arthur van Schendel.

De P.C. Hooft-prijs 1947 voor het oeuvre van Arthur van Schendel is toegekend op voordracht van een jury bestaande uit Gerard B. Brom, L. Brummel, Dirk Coster (voorzitter), Garmt Stuiveling, Victor E. van Vriesland en H.J. Michaël (ambtelijk secretaris). Aan de prijs is een bedrag verbonden van fl. 1.500.

 

Arthur François Emil van Schendel (Batavia, 5 maart 1874 – Amsterdam, 11 september 1946) was het vijfde kind in het gezin van een luitenant-kolonel van het KNIL. Na diens pensionering, in 1879, vestigde het gezin zich in Haarlem. Een jaar later overleed de vader. De moeder van Van Schendel kreeg een nieuwe vriend, die nogal agressief was. Arthur ging al vroeg zelfstandig wonen en maakte de middelbare school niet af. Hij trouwde twee keer; zijn eerste vrouw stierf jong. Met zijn eerste vrouw woonde hij in Wales, met zijn tweede vrouw vooral in Italië. Van Schendel was zeer reislustig. Het grootste deel van zijn schrijversleven speelde zich af in het buitenland, maar hij had wel vaak contact met Nederlandstalige vakbroeders, zoals Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Menno ter Braak. Hij publiceerde in verschillende tijdschriften en kranten.

 

In 1931 kreeg hij de Van der Hoogtprijs, in 1933 de Tollensprijs en postuum, in 1947, de P.C. Hooft-prijs voor de roman Het oude huis (1946). Hij werd door een paar Nederlandse hoogleraren voorgedragen voor de Nobelprijs. Zijn werk werd regelmatig vertaald. Zo werd Het fregatschip Johanna Maria vertaald in het Engels, Russisch, Italiaans, Noors, Zweeds en Duits. Na zijn dood nam zijn populariteit snel af. Nu wordt nog maar een enkele titel uit zijn omvangrijke oeuvre gelezen. ‘Maar toch’, schrijft Kees Fens in Doorluchtig glas (1997), ‘De waterman is misschien wel de mooiste Hollandse roman.’

Uitreiking

De prijs is in 1948 uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst.