Heelhuids door de taal: Frank Martinus Arion

Op 9 oktober 2026 krijgt Frank Martinus Arion, een van de belangrijkste Caribische schrijvers, zijn schrijverssteen in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. Tessa Leuwsha verdiept zich in het leven en vroege werk van Arion: als slimme student uit Curaçao vertrok hij in de jaren ’50 naar Nederland. Al bleek ‘het moederland’ beslist niet het gedroomde paradijs.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Vlak voordat ik op vakantie ga naar het Caribische eiland Saint Lucia, ontvang ik het eervolle verzoek van het Literatuurmuseum of ik over dichter en schrijver Frank Martinus Arion wil schrijven. In de collectie van het museum bevindt zich van hem onder meer een typoscript van zijn gedicht ‘Achter de wagen van Elias aan’ uit 1962. In mijn koffer neem ik zijn roman Dubbelspel mee, een dichtbundel van de op Saint Lucia geboren dichter Derek Walcott en een roman van de Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul. De schrijvers zijn generatiegenoten en werden geboren in een kolonie; Frank Martinus Arion op Curaçao in 1936.

Saint Lucia is wonderschoon. De blauwe zee spoelt overal aan in kleine baaitjes met witte stranden. Maar het eiland is ook kleinschalig. In ieder plaatsje staat pontificaal een katholieke kerk, dwingende erfenis uit de koloniale tijd. In Saint Lucia moet ik denken aan Curaçao, aan de diepe Sint Annabaai die Willemstad verdeelt in de kleurrijke stadsdelen Punda en Otrobanda. In Otrobanda groeide Frank Martinus Arion in de jaren veertig op. De plaatselijke mores waren er beklemmend. Overgewaaid uit het moederland Nederland, en in overgecompenseerde vorm in het rijksdeel geïnstalleerd. Het gouvernement en de kerk bepaalden er de dagelijkse gang van zaken. De witte bolwerken wisten tot in de fijnste haarvaten van de samenleving door te dringen; geen ontkomen aan voor de zwarte eilandbevolking, nazaten van de slavernij. De eigen cultuur was volstrekt ondergeschikt daaraan.

 


In dat koloniale landschap groeide Frank Martinus op in grote armoede. Zijn moeder overleed toen hij drie jaar was, zijn vader was afwezig. Frank Martinus verbleef bij zijn grootmoeder en bij verschillende tantes. Het moet een eenzaam jongensbestaan zijn geweest, bepalend voor de rest van zijn leven. Nergens thuis te zijn op een eiland van slechts eenenzestig kilometer lang en veertien kilometer op zijn breedst. Dat hij goed kon leren bood een uitvlucht. Hij belandde op school bij de fraters, weliswaar achter in de klas: de eerste rijen waren bestemd voor de witte kinderen. Als zwart kind mocht Frank Martinus bovendien geen schoenen dragen. Het raciale onderscheid greep terug op de slavernij: het was slaafgemaakten verboden geweest om schoeisel te dragen.

In zijn meest bekende roman Dubbelspel uit 1973 zou de schrijver dat gegeven als motief gebruiken. Vier Antilliaanse mannen spelen op zondag domino, met een paar schoenen en hun eigen leven als inzet. Het boek werd in 2006 heruitgegeven tijdens de allereerste actie van Nederland Leest. Bij deze heruitgave verzorgde schrijfster Hella S. Haasse een lofrede die ze eindigde met: Het [boek] maakt duidelijk hoe weinig wij hebben begrepen van dat gebied en de mensen die er leven. Voor Frank Martinus bestond er in zijn jeugddagen maar één mogelijkheid om onder dat onbegrip uit te komen en iets van zijn leven te maken: weg zien te komen naar het zich superieur wanende moederland. Dat lukte in 1955 met een studiebeurs. Al bleek Holland beslist niet het gedroomde paradijs.  

 


In ‘Achter de wagen van Elias aan’ komen niet alleen indringende jeugdervaringen van Frank Martinus tot uiting, ook die uit zijn beginjaren in Nederland. Hij studeerde er Nederlands en ervoer als zwarte uitzondering opnieuw uitsluiting, bijtender wellicht dan op Curaçao, waar hij hoe dan ook tot de meerderheid had behoord. In een bar in Amsterdam zegt iemand het volgende tegen hem:

Er vertrekken uit Amsterdam boten genoeg. […] Je kunt dus nog altijd terug al ben je een neger.


In paniek ontvlucht Frank Martinus de bar, maar waarheen moet hij gaan? De enige oplossing ziet hij in de taal. Papiaments, de taal van zijn eiland, en voor hem een toevluchtsoord.

 

Doe alles maar blijf niet te lang weg uit de taal.

Als je te lang wegblijft kom je niet heelhuids in de taal terug.

Als je daarna terugkomt ben je uit de taal een tandeloze neger.

 

In het opvijzelen van de eigen, door de witten geminachte, taal ziet Frank Martinus een mogelijkheid om zijn eigenwaarde te hervinden. Maar de somberheid heeft hem dan helaas al overmeesterd:

 

Ik ben een vreemdeling aan het worden overal

 


In die ene, door de ziel snijdende zin, valt de kleine schoenloze Frank Martinus te herkennen en de volwassen student van jaren later, op de vlucht geslagen voor vreemdelingenhaat in een Amsterdamse bar. De eenzaamheid is alomvattend. Ook het in zijn jeugd ingeprente christelijke geloof biedt hem geen soelaas meer:

 

Ik ben verstard in de richting van God

Ik ben voor eeuwig vervloekt in de richting van God

 

Maar ondanks het diepe gevoel van verlatenheid, weet hij zich te herpakken. Lachend als een boer met kiespijn, of in het Surinaams-Nederlands gezegd met pierende tanden, zoals het nieuwe land van hem vergt:

 

Maar nu heb ik weer mijn roodwitblauwe glimlach op

 

Bewustzijn creëren voor het koloniale leed vormde hét thema van zijn werk, maar daarmee liep hij voor de troepen uit. Zijn meer activistische romans, zoals Afscheid van de koningin uit 1975, sloegen minder goed aan bij het Nederlandse lezerspubliek dan het met Antilliaans couleur locale doorspekte Dubbelspel.

 

Tijdens de lezing `De Brandende Kwestie van F.M. Arion', georganiseerd door SLAA in theater De Balie in Amsterdam, 1986. Collectie: Literatuurmuseum

 

‘Dubbelspel is een zwart meesterwerk van een zwarte kunstenaar’

Hij vertrok naar Suriname, dat in 1975 onafhankelijk van Nederland was geworden en waar een nationalistische wind waaide. Hij gaf les aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren en leerde er zijn vrouw kennen, de dichteres en cultureel antropologe Trudi Guda. Ook gaf Frank Martinus in Paramaribo aanzet tot de oprichting van de nog altijd bestaande Schrijversgroep ’77, waarin de Surinaamse en Caribische literatuur centraal staat. Nadat in 1980 de militair Desi Bouterse de macht in het land had overgenomen, trok het stel naar Curaçao. Frank Martinus begon er een school waar volledig in het Papiaments werd lesgegeven. Daarmee gaf hij, als bekende schrijver en yu di Kòrsou (kind van Curaçao), een belangrijke aanzet tot de hervorming van het taalonderwijs op het eiland.

Sinds 2001 werd het Papiaments ingevoerd als formele instructietaal in de eerste jaren van het basisonderwijs. Later konden scholen kiezen en er zijn scholen die volledig in het Papiaments lesgeven, niet in het Nederlands. Die ingrijpende wijziging moet Frank Martinus, ooit kind op de achterste schoolbanken bij de fraters, veel voldoening hebben gegeven. Jarenlang moest hij van een dergelijke taalomwenteling hebben gedroomd. Uit ‘Achter de wagen van Elias aan’:   

 

Wij openen de woorden waaruit nog steeds de vogels vliegen

die van ouds het geluk verachten

Ik sta dan ook op de boegspriet van de schepping

als een kemphaan als Jonas de voorste en ik spuug

om heiliger te ademen in het snijpunt van zee en lucht.