Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief
‘Soms bind ik me vast aan mijn bureaustoel als een gedicht tegensputtert.’ Het is oktober 2017 en in een klaslokaal op de Herengracht in Amsterdam luister ik met vier medestudenten naar een man in strak, zwart pak. ‘Gewoon een touw, door de leuningen heen en achterop de rug gebonden. Pas als er geen ontsnapping mogelijk is, dan moet je wel.’ Niet het standaard advies van een docent aan zijn poëzieleerlingen, wel eentje dat ik nooit vergeet (en ja, heel af en toe zelf zou toepassen). We knikken, niemand zegt iets. De rest van de les lezen we sonnetten, van Bloem, Baudelaire en Krog, maar dat beeld van de dichter vastgebonden op zijn stoel blijft als een rat aan mijn hersenen knagen. Vastbijten, zeg ik tegen mezelf ’s avonds laat in de trein terug naar huis. Je moet je erin vastbijten, Em.
De man in het zwarte strakke pak? Menno Wigman natuurlijk, de grootheid onder de Nederlandse dichters. Al had ik daar in 2017 als twintigjarige nog geen weet van, amper een woord van hem gelezen en geen enkel boek van zijn hand in de kast. Maar goed ook, denk ik nu. Als ik had geweten welke legendarische regels uit zijn pen waren geschoten, had ik waarschijnlijk niets in zijn lessen durven zeggen, laat staan de moed gehad mijn eerste aanzetten tot poëzie onder zijn ogen te schuiven. Wat ik wel deed, en gretig ook.

