Menno Wigman: ‘Soms bind ik me vast aan mijn bureaustoel als een gedicht tegensputtert’

Emma van Hooff schreef als twintigjarige haar eerste aanzetten tot poëzie onder de ogen van Menno Wigman. Bijna tien jaar later bekijkt ze zijn schoolagenda, waarin ze de dichter als zeventienjarige leert kennen. Ze komt zijn inspiraties van toen tegen, van Gerard Reve tot Simple Minds, en herkent boven alles de volledige overgave aan gedichten die hem toen al kenmerkte.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

‘Soms bind ik me vast aan mijn bureaustoel als een gedicht tegensputtert.’ Het is oktober 2017 en in een klaslokaal op de Herengracht in Amsterdam luister ik met vier medestudenten naar een man in strak, zwart pak. ‘Gewoon een touw, door de leuningen heen en achterop de rug gebonden. Pas als er geen ontsnapping mogelijk is, dan moet je wel.’ Niet het standaard advies van een docent aan zijn poëzieleerlingen, wel eentje dat ik nooit vergeet (en ja, heel af en toe zelf zou toepassen). We knikken, niemand zegt iets. De rest van de les lezen we sonnetten, van Bloem, Baudelaire en Krog, maar dat beeld van de dichter vastgebonden op zijn stoel blijft als een rat aan mijn hersenen knagen. Vastbijten, zeg ik tegen mezelf ’s avonds laat in de trein terug naar huis. Je moet je erin vastbijten, Em.

De man in het zwarte strakke pak? Menno Wigman natuurlijk, de grootheid onder de Nederlandse dichters. Al had ik daar in 2017 als twintigjarige nog geen weet van, amper een woord van hem gelezen en geen enkel boek van zijn hand in de kast. Maar goed ook, denk ik nu. Als ik had geweten welke legendarische regels uit zijn pen waren geschoten, had ik waarschijnlijk niets in zijn lessen durven zeggen, laat staan de moed gehad mijn eerste aanzetten tot poëzie onder zijn ogen te schuiven. Wat ik wel deed, en gretig ook.

 

Dat beeld van de dichter vastgebonden op zijn stoel blijft als een rat aan mijn hersenen knagen

 

Buiten de lesuren om vroeg ik hem per mail welke dichters ik zou moeten lezen. Nog diezelfde avond antwoordde hij met hele lijsten aan namen: Emily Dickinson, Edna St. Vincent Millay, het overrompelende werk van Dylan Thomas (van wie ik vooral zijn voordrachten op YouTube moest beluisteren), de altijd verbazingwekkende F. Harmsen van Beek en Anne Sexton, ja, dat leek hem wel wat voor mij. Ik noteerde het allemaal in mijn agenda en bestelde boek na boek.

Vreemde gewaarwording: bijna tien jaar later hang ik boven zijn schoolagenda. Een groen klein boekje volledig met doorzichtige tape beplakt, waardoor het glanst. Op de eerste pagina lees ik de plaats, Santpoort. Daaronder het jaartal, 1983, en de naam, Menno Wigman. Maar daarachter staat nog iets in kriebelig handschrift, er staat, er staat, staat het er echt? Ja, het staat er echt: dichtervorst. Ik onderdruk een lach. Welke zeventienjarige noemt zichzelf in godsnaam zo?

 

De agenda van Menno Wigman. Op de rechterpagina linksboven staat 'dichtervorst' geschreven. Collectie: Literatuurmuseum

 

Op dat vreemde ‘dichtervorst’ na, lijkt het op het eerste gezicht gewoon de agenda van een puber. Er zijn foto’s van halfnaakte vrouwen, plaatjes uit de Donald Duck, zwierig handschrift van meisjes: ‘Lieve Menno, wil je verkering met mij?’, ‘Groetjes en een kusje van Marieke xxx’ en ‘Wanneer maak je het nou uit met Sannah?’ Cijferlijsten met hoge uitschieters voor Nederlands, lage voor wiskunde en Latijn. Nog meer sensueel poserende vrouwen, lesroosters, vrolijke stickers van lachende paarse druiventrossen, maar dan: een uitgescheurd interview met Gerard Reve over De Grote Gerard Reve Show, een krantenknipsel over de benoeming van A. Roland Holst tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, een portret van Louis-Ferdinand Céline en opnieuw Reve, paginagroot. Ik lees dat de jonge Menno concerten bezoekt van Simple Minds, Doomed Youth en Birds With Ears en zie hem voor me als hij op vrijdag 4 november een mondharmonica koopt en daarna een krul door de afspraak in zijn agenda zet.

Toen al in de ban van punk, maar toch vooral ook van de dood. Zo lees ik zinnen als ‘waar is dit kutleven voor? O godverdomme ik weet het niet’, ‘Een week door dit helse leven gaan’ en, in het handschrift van waarschijnlijk een klasgenoot: ‘Menno Wigman – deathfreak’. Door zijn hele agenda staan aanzetten tot gedichten gekrabbeld, vaak in de vakantiedagen en weekenden. In deze gedichten is de dood alom aanwezig, net als in zijn latere werk. Je hoeft maar door Wigmans verzameld werk te bladeren of je stuit op vele gedichten die eindigen met dat onherroepelijke einde. Bijvoorbeeld in de twee slotregels van het prachtige ‘Oneindig wakker’: ‘o mooie dingen en mijn mond benoemt het / voor ik me met het domme zwart verzoend heb’. Ook maakte hij deel uit van de Poule des Doods, waarin hij gedichten schreef voor eenzame uitvaarten, wat hij bleef doen tot een paar maanden voor zijn dood.

 

Op dat vreemde ‘dichtervorst’ na, lijkt het op het eerste gezicht gewoon de agenda van een puber

 

Maar we lopen op de zaken vooruit, hier, met de agenda voor mijn neus, is hij zeventien en schrijft hij als puber het gedicht ‘Grafschrift’:

 

Zowel Liefde als Leven gaan voorbij

Zodat ik nergens rust en vrede vind

Dan in de Dood en het vergeten getij

Waar mijn lijden vergaat met de wind

 

Voor in de agenda staat een eerste versie van ditzelfde gedicht, een versie die nog lijkt te haperen. Deze zeventienjarige dichtervorst schreef dus niet alleen gedichten, hij herzag ze ook, schrapte en schoof tot hij tevreden was. Pas dan printte hij ze, en zelfs in de geprinte versies zie ik af en toe een zwarte stift strepen zetten. Niet snel tevreden. Kan altijd beter.

 

In de agenda schreef Wigman verschillende versies van het gedicht 'Grafschrift'. Collectie: Literatuurmuseum

 

Ik hoor het hem opnieuw zeggen: ‘Pas als er geen ontsnapping mogelijk is, dan moet je wel.’ Ontsnappen aan de taal, dat deed hij toen al niet. Zijn hele agenda is doordrenkt van strofes, opzetjes voor gedichten met in de kantlijn het bijbehorende rijmschema ABAB of AABB. Bijna bezeten, zoals er soms staat neergepend welke boeken hij op welke dag moet lezen. Dylan Thomas, J.M.A. Biesheuvel, Henry Miller, Lucebert, Paul Verlaine, Jeroen Brouwers, Harry Mulisch, George Orwell, Simon Vestdijk: er komt geen einde aan.

Ook spoort de jonge Wigman zichzelf aan tot publiceren en noteert op 4 november, dezelfde dag waarop hij die mondharmonica koopt: ‘opzoeken Revisor-Groep’. Een jaar later zal hij in eigen beheer zijn eerste dichtbundel uitbrengen, Van zaad tot as (1984). Daarna verhuizen naar Amsterdam, studeren, Baudelaire vertalen, tot het literaire circuit toetreden. Liever zou ik schrijven: leven, hij zal daar volop gaan leven. Maar ik weet ook, het leven van Menno was ondergeschikt aan zijn talent. Alles wat voor hem lag, zou gaan wijken voor de gedichten die in hem rondkropen.

 

Door zijn hele agenda staan aanzetten tot gedichten gekrabbeld, vaak in de vakantiedagen en weekenden

 

Bij het omslaan van de laatste pagina kom ik opnieuw dat woord tegen: dichtervorst. Ik lach niet meer, krijg het eerder koud. Menno Wigman is het altijd geweest: een dichtervorst die zich vastbeet in zijn gedichten, die de nacht verkoos boven de dag, zich vastbond aan zijn bureaustoel om het ritme in zijn werk als een monnik te perfectioneren. Geen grootheidswaanzin van een puber, maar simpelweg een dichter die zijn lot erkent.

 

Aanzetten tot gedichten in de agenda van Wigman. Collectie: Literatuurmuseum.