Na het lezen van 'Een Vruchtenmandje' kun je fruit niet langer als levenloos voedsel zien

Anne Louïse van den Dool bekijkt in het archief een bijzondere uitgave van Een Vruchtenmandje, een boek met versjes van Lizzy Ansingh en illustraties van Nelly Bodenheim. Beiden worden geschaard onder de Amsterdamse Joffers, een groep vrouwelijke kunstenaars die elkaar hadden leren kennen op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Voor Een Vruchtenmandje werkte het duo nauw samen. In korte, humoristische versjes met passende illustraties veranderen druiven in droeve eenlingen en blijkt een sierpompoen een luie donder te zijn.  

Het Literatuurmuseum kreeg vorig jaar een bijzonder boek in handen: Een Vruchtenmandje, een boek met versjes van Lizzy Ansingh (1875-1959) en tekeningen van Nelly Bodenheim (1874-1951). Beiden worden geschaard onder de Amsterdamse Joffers, een groep vrouwelijke kunstenaars die elkaar eind negentiende eeuw hadden leren kennen op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Ze behoorden tot de eerste generaties vrouwelijke voltijdstudenten en stonden daarmee op een kruispunt in de geschiedenis, toen vrouwen langzaam maar zeker als zelfstandige kunstenaars werden gezien.

 

Behalve Ansingh – die niet alleen schreef, maar ook schilderde – en Bodenheim behoorden ook Coba Ritsema, Marie van Regteren Altena, Ans van den Berg, Jacoba Surie, Betsy Westendorp-Osieck en Jo Bauer-Stumpff tot deze groep. Hun werk, dat tot het laat-impressionisme wordt gerekend, bestaat vooral uit stillevens, interieurs en portretten – onderwerpen die voor vrouwelijke schilders in die tijd gebruikelijk waren, omdat onbegeleid eropuit trekken nog niet altijd werd geaccepteerd. 

 

Ze konden weliswaar studeren aan de kunstacademie, maar mochten nog niet naar naaktmodel schilderen, omdat ze het daarvan licht in de bol zouden krijgen

 

Mijn interesse in Een Vruchtenmandje was meteen gewekt: ik werkte mee aan de tentoonstelling Coba Ritsema. Oog voor kleur in het Frans Hals Museum. In die expositie staat misschien wel de meest gelauwerde Joffer centraal. De Haarlemse Ritsema oogstte met haar kleurrijke schilderijen en pasteltekeningen al op jonge leeftijd veel lof in binnen- en buitenland. Vooral haar verstilde voorstellingen van meisjes die je op de rug ziet, vielen in de smaak bij zowel pers als publiek. 

 

Sinds ik Ritsema en haar collega-Joffers ken, ben ik onder de indruk van hun werk. Ze laten zien dat je ook – of misschien juist – origineel kunt zijn als je te kampen hebt met beperkingen in je kunstenaarspraktijk. Ze konden weliswaar studeren aan de kunstacademie, maar mochten nog niet naar naaktmodel schilderen, omdat ze het daarvan licht in de bol zouden krijgen. Ook in musea en galeries kregen ze minder kansen dan hun mannelijke collega’s: in hun tijd was gemiddeld slechts een op de vijf exposerende kunstenaars vrouw.

 

Overigens is het fenomeen ‘Joffers’ zelf ook een product van mannelijke framing. Die term werd in de jaren 1910 gemunt door criticus Albert Plasschaert en betekent zoveel als ‘welgestelde, jonge, ongetrouwde vrouw’. Inmiddels voelen we wel aan dat het niet helemaal kies is om vrouwen te definiëren op basis van hun huwelijkse staat, in plaats van hun bijdrage aan de kunst. Bovendien waren de vrouwen eerder een vriendengroep van wisselende samenstelling dan een vaste club met een vooropgezet plan. De suggestie van de Joffers als collectief had daarnaast vooral voor de succesvollere leden – zoals Ritsema, Ansingh en Bodenheim – een remmende werking op hun individuele kunstenaarspraktijk. 

 

 

 

Toch werkten de vrouwen wel nauw met elkaar samen, zo blijkt ook uit Een Vruchtenmandje. Het boek verscheen in 1927 bij uitgeverij De Spieghel in Amsterdam in een oplage van honderd exemplaren, bedoeld voor Ansinghs vriendenkring. Het exemplaar in de collectie van het Literatuurmuseum is nummer 67 uit de reeks. De tekeningen zijn op steen gedrukt, waarbij elk exemplaar door Bodenheim werd ingekleurd. Het schoonschrift is van grafisch kunstenaar Tine Baanders (1890-1971), die eveneens aan de Rijksakademie had gestudeerd. In de tijd waarin Een Vruchtenmandje werd gepubliceerd, was letterzetten nog de norm, en was sierhandschrift in drukwerk dus een zeldzame, ambachtelijke keuze. 

 

De opzet van het boek is simpel: Ansingh schreef korte, humoristische versjes over vermenselijkte fruitsoorten en Bodenheim maakte daar passende tekeningen bij. Zie bijvoorbeeld het openingsgedicht:

 

Bloesems juichen: zeker!

Vruchten zuchten: misschien

Die hebben al zooveel langer…

De vogels, de wespen gezien.

 

De tekst is voorzien van een perzikachtige vrucht die angstig opkijkt naar de kop van een zwarte vogel, terwijl naast hem een wesp rondvliegt.

 

 

Na het lezen van Een Vruchtenmandje kun je fruit niet langer als levenloos voedsel zien. Druiven worden plotseling droeve eenlingen die lusteloos aan een tros hangen, terwijl ze eigenlijk niets liever willen dan zingen en dansen. Radijzen worden vrolijke dames die ernaar verlangen gezamenlijk op stap te gaan naar Parijs. Een sierpompoen blijkt een luie donder, die niets anders doet dan een beetje tegen een deurpost liggen. 

 

Een Vruchtenmandje was lange tijd een schaarse uitgave – zonde voor zo’n bijzonder en zeldzaam voorbeeld van vrouwelijke artistieke samenwerking in die tijd. Gelukkig kwam daar onlangs verandering in: Stichting Kunsttunnel, die zich ontfermt over de nalatenschap van onderbelichte vrouwelijke kunstenaars, onder wie de Amsterdamse Joffers, bracht een facsimile-uitgave uit. De timing van deze uitgave is geen toeval: 2024 en 2025 markeren respectievelijk Bodenheims en Ansinghs 150ste geboortejaren. Ter gelegenheid daarvan werd in het Luther Museum Amsterdam ook een grote eretentoonstelling rondom Lizzy Ansingh georganiseerd, die voor velen gold als een ontdekking van haar werk en dat van de andere Joffers. 

 

Het exemplaar van Een Vruchtenmandje dat aan het Literatuurmuseum werd geschonken, is van Els van Staveren, die het na haar moeders overlijden in bezit kreeg. Zij werd in 1927 geboren; mogelijk was het dus een geboortecadeau. Zeker is dat het boek altijd in haar bezit is gebleven; binnen de familie werden de versjes zelfs regelmatig geciteerd (‘Amandeltje, wat ben je zoet; ik kan ook bitter zijn als ’t moet’).

 

Ansingh en Bodenheim bleven niet alleen hun hele leven lang vriendinnen, ook professioneel bleven ze elkaar vinden. In 1950, toen beiden de zeventig al waren gepasseerd, maakten zij samen het boek Tante Tor is jarig, dat verscheen bij Firma Dieperink in Amsterdam. Daarin herhaalden ze hetzelfde antropomorfe kunstje als in Een Vruchtenmandje, nu met een fantasieverhaal over insecten met typisch menselijke karaktertrekken. 

 

 

Terwijl ik door Een Vruchtenmandje blader, word ik bevangen door een gevoel van nabijheid bij deze vrouwelijke makers, me voorstellend hoe ze probeerden tekst en beeld in inhoud en vorm op elkaar af te stemmen. Uit dit project spreekt niet de pretentie van een De Stijl-manifest zoals dat van mannelijke collega’s Theo van Doesburg en Piet Mondriaan, die aan het begin van de twintigste eeuw wel als vernieuwende modernisten werden gezien en op die manier ook de geschiedenisboeken in gingen. Wel voel ik de warmte van een vriendschap die verder ging dan alleen een goed gesprek: men creëerde samen en voelde zich op die manier misschien zelfs een verlengstuk van elkaars kunnen.