In de bundel De noodzakelijke engel (1990) publiceerde Bernlef twee requiemgedichten gewijd aan de Amerikaanse tenorsaxofonist Warne Marsh (1927-1987). Het laatste gedicht, geschreven lang na Marsh’ verdwijnen:

Niets dan de muziek
die hij achterliet in
barnstenen vormen


Ik leg mijn oor te luisteren
hoor de herhaalde noodzaak
die hem plotseling ontviel


Keer op keer wordt het kristal
van de herinnering geslepen
in steeds kleinere facetten


Iedere cel zegt hetzelfde
zachter en zachter maar
zo scherp als een haar


Verlegen weeft hij zich heel
zweeft tussen maten op de
thermiek van het moment


Verre ster die flonkert
lang na zijn verscheiden
in de diamant van de naald.

Bernlef was een groot jazzliefhebber. Voor de iets oudere Remco Campert en voor hem betekende de nieuwe muziek het breken met de burgerlijke, saaie cultuur van de jaren vijftig. Wie een plaat wilde kopen en achter het net ving, hoorde van de muziekverkoper wie de koper was. Bernlef fietste naar dat adres en beluisterde met de onbekende koper de plaat. ‘Zo ging dat in die dagen.’ Zelf was hij een uitstekend jazzpianist. Op congresavonden of reizen met collega’s was hij aan het eind van de avond vaak achter de piano te vinden om daar z’n favoriete composities te spelen.

Voor Bernlef stond jazz dichtbij de poëzie. Hij was geen schrijver die de ene dag aan een roman werkte en de dag daarop aan een gedicht sleutelde. Een roman schrijven zag hij als een rationeel, vooropgezet proces. Bij poëzie was het altijd maar de vraag hoe de eerste regels zouden ontstaan. ‘Dan is er geen weg meer terug, dan moet je verder, maar hoe, dat weet je niet. Bij een roman meestal wel.’

 

Zijn jazzbeschouwingen verschenen in drie bundels: Schiet niet op de pianist (1993), Haalt jazz de eenentwintigste eeuw (1999) en Hoe van de trap te vallen (2006). Ook voor de niet-kenners uiterst toegankelijke verhalen en portretten uit de wereld van de jazz, waaruit pagina voor pagina de hartstocht van Henk Bernlef voor dit genre blijkt.

Muziek, meer dan welke andere kunstvorm ook, lijkt direct tot ons lichaam te spreken. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat muziek een soort esthetische bevestiging is van het perfect functioneren van ons lichaam, zijn ordening. De ontroering die zij teweeg brengt valt niet in woorden uit te drukken omdat zij zich buiten de taal afspeelt, in een universum waar wij, onbeschermd door woorden en begrippen, zelf bespeeld worden.

Uit: ‘Vanuit de verte’- in Haalt jazz de eenentwintigste eeuw? 1999

Over zijn fascinatie sprak Bernlef vier jaar voor zijn dood met dichter Mischa Andriessen, die dat gesprek na Bernlefs overlijden liet verschijnen in het tijdschrift Terras. Bernlef vertelde dat hij vroeger vaak illegaal opnames maakte tijdens concerten. Eenmaal thuis merkte hij dat de vervoering weg was, verdwenen. ‘Het erbij zijn in dezelfde ruimte en op hetzelfde tijdstip dat de muziek gemaakt wordt, dát veroorzaakt de opwinding en de emoties. Als je dat eraf haalt, hou je een bandje over met wat geluid.’ Bernlef had niet zo veel op met critici die zich bedienden van een bepaald jargon. 'Ik had een groot voorbeeld toen ik over jazz ben gaan schrijven, de Amerikaanse criticus Whitney Balliet, die volgens mij de oplossing had gevonden. Als je over muziek wilt schrijven, moet je die zien te vangen in beelden. Langs de omweg van beeldspraak kun je iets dichter komen bij waar die muziek over gaat, dan met allerlei emotionele termen waarmee je niets over kunt brengen.’

 

In veel van de beschouwingen van Bernlef tref je als lezer regels aan die zowel de geportretteerde treffen als ook de schrijver. Het zijn verkapte zelfportretten, zoals in het artikel over Warne Marsh uit 1988: ‘Om het anders te zeggen, het gaat erom hoe je je mogelijkheden, je talent gebruikt – ofwel artistiek en met een complete integriteit, of voornamelijk als een manier om een "personality" tot uitdrukking te brengen.' Bernlef heeft ruim vijftig jaar lang in alle genres die hij beoefende voor die eerste mogelijkheid gekozen. ‘Het ik niet langer benadrukt maar gesublimeerd.’ Dat heeft een uniek en veelkantig oeuvre opgeleverd.

De deur van dat werk is dicht, de schrijver is verdwenen, maar hij heeft voor ons, zijn lezers, alles bewaard:

Een paar maal in zijn leven
werd hij aangeraakt door dezelfde hand
die hem hier velde - in één klap.

Een deur heeft zich gesloten
daarachter zullen wij nooit komen
daarvoor horen wij niets.

Uit: ‘Requiem’, - De noodzakelijke engel

Colofon

Tekst:  Daan Cartens
Redactie:  Jef van Gool, Nadine van Maanen, Bertram Mourits
Eindredactie:  Aafke van Hoof

Lees een intermezzo