Nooit is er zooveel energie geweest

door Daan Cartens

We schrijven de eerste jaren van de Grote Oorlog. Het flaneren over de grote, net aangelegde boulevards door de gegoede burgerij, dat de belle époque zo beeldend typeert op foto’s en schilderijen, is voorbij. De koningshuizen, die door diverse bloedlijnen aan elkaar verwant zijn, trekken zich terug van staatsbanketten en familiaire uitstapjes. Het is ernst. Wat jarenlang smeulde is tot een even onverwachte als meedogenloze uitbarsting gekomen. Met een tomeloze drift jaagt het oorlogsgeweld over het Europese continent. Tienduizenden sterven op het slagveld en in de loopgraven. Wie daar niet omkomt, raakt vaak voor het leven verminkt.

 

Radeloosheid en onmacht

 

Veel schrijvers en dichters proberen iets van de algemeen gevoelde radeloosheid en onmacht in woorden te vangen. Zo schrijft Albert Verwey in het gedicht ‘Stervende schrijver’ (uit Het zwaardjaar, 1916): ‘Ai mij, ik sterf. Nog eenmaal de aarde groeten/ Met heel mijn lijf. Zij zal mijn mond straks vullen.’ En Jacob Israël de Haan, geëngageerd als altijd, verwoordt het zo: ‘Wreedheid der Volken, jammerlijk bejag,/ Mijn wangen branden, mijn lied rilt van schaamte.’ (opgenomen in Liederen, 1917)

 

Er zijn ook dichters, al zijn het er niet veel, die niet vertrouwen op beeldspraak of verheven gevoelens, maar hun kijk heel sec verwoorden:

De hemel die gaat dood.

Het verstand staat stil.

De mensch is weg.

Hij bracht zichzelve om.

De beesten brullen in de straten.

Ze ruiken bloed.

Ze lekken zich de muilen

Ze woelen met hun zwarte snoet

de roode aarde om

en scheppen zich ’n hemel

van kruitdamp en van bloed.


Tweede strofe uit het gedicht ‘Oorlog’, dat alleen in handgeschreven versie meer dan een eeuw heeft doorstaan. De dichter? Christian Marie Küpper (1883-1931), die vooral bekend zou worden onder de naam Theo van Doesburg. Zonder ‘van’ ook de naam van de tweede echtgenoot van zijn moeder. Behalve z’n voorbeeld wellicht ook zijn natuurlijke vader. Later zal hij als I.K. Bonset Letterklankbeelden publiceren, gedichten die niet uit woorden maar alleen uit letters bestaan. En romans onder het pseudoniem Aldo Camini. Een hedendaags auteur als K. Schippers heeft zich met zijn verrassende blik en even bijzondere uitwerking vaak schatplichtig getoond aan Van Doesburg, tot in zijn meest recente bundel Garderobe, kleine zaal (2017).

 

‘Kunst is niet ’n zijn, maar ’n worden.’ Tot de jaren twintig experimenteert Van Doesburg met diverse genres: gedichten, verhalen, beschouwingen. Na de oprichting van het toonaangevende tijdschrift De Stijl (oktober 1917) wordt zijn werk theoretischer en zoekt hij aansluiting bij de internationale avant-garde. Zijn naam vestigt hij vooral in die jaren als een conflicten niet vermijdende zoeker naar het ‘universele’, dat het moest winnen van het ‘individuele’.

Theo van Doesburg in 1925


Theo van Doesburg: avant-gardekunstenaar

 

Terug naar de bepalende oorlogsjaren. Van Doesburg werd in 1914 als sergeant-facteur gelegerd ten zuiden van Tilburg, dicht bij de grens met België. Was Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal, België was dat niet. Veel vluchtelingen kwamen met afschuwelijke verhalen naar Brabant, verhalen die Van Doesburg sterk aangrepen. Het was in die tijd dat hij literair bijzonder actief was en elke kans greep om over de toekomst van de poëzie en de literatuur met gelijkgestemden te discussiëren. Hij was welhaast mathematisch in zijn opvattingen. Hij stond een rechtstreeks woordgebruik voor, dat niet per se moest verwijzen naar de realiteit van alledag. Hij wilde voor elke kunstvorm (en met die andere kunstvormen zou hij dus later als schilder, fotograaf, typograaf, architect en essayist definitief zijn naam als avant-gardekunstenaar vestigen) op een rationele manier bepalen wat elementair voor zo’n genre was. Gedichten en beschouwingen in die jaren verschenen in het theosofische tijdschrift Eenheid en in De Controleur en in het literaire tijdschrift Het Getij. In zijn visie zou de voortschrijdende beschaving leiden naar een geestelijk hoger plan. Wat hij bedacht en construeerde en waarmee hij internationaal aansloot bij avant-gardistische stromingen, was zijn manier van reageren op de oorlogsgruwelen waarover hij zich zelden direct heeft uitgelaten. In de zomer van 1915 werd hij overgeplaatst naar Utrecht, waar hij zich met een aantal zielsverwanten nog ferventer kon wijden aan zijn theorieën.

 

Het Literatuurmuseum heeft veel van wat Van Doesburg in die jaren schreef in de collectie, waaronder de Nieuwe woordbeeldingen (Kubistische en expressionistische Verzen, 1913-1920) en liefdesgedichten aan zijn tweede vrouw en jarenlange Seelenfreundin Lena Milius, in 1999 uit een particuliere verzameling verworven.

(..)           Wel –

Maar ‘k  werd ze

zelf met haar gewaar

Want ik was haar

Haar wezen

was zoo gansch in mij

dat alles aan mij

ging

voorbij  (...)

 

[fragment uit ‘De Zoen’, 1915]

Gedichten als ‘De Zoen’ weken sterk af van wat er in die tijd door bekende dichters als Adriaan Roland Holst en P.C. Boutens werd geschreven en sloten eerder aan bij het werk van Paul van Ostaijen, ook een voorstander van ‘geontindividualiseerde’ poëzie en liefhebber van groteske verhalen. Zowel Van Doesberg als Van Ostaijen hebben in expressief opzicht een onmiskenbaar eigen timbre. De verhalen van Van Doesburg bestaan meestal uit korte beschrijvingen en typeringen, invallen en associaties en hebben in veel gevallen een macabere of surrealistische pointe. De verhalen zijn verhevigingen, uitvergrotingen van de realiteit en beslist geen kopieën van het dagelijkse leven. Het verhaal ‘De vrijwilliger’ uit 1916 begint met de aanwijzing snel tempo. De lezer wordt inderdaad in razende vaart langs een aantal kervende oorlogstaferelen gevoerd met de vrijwilliger als hoofdpersoon, ‘wiens ziel heelemaal lichaam [was] geworden’. Aan het eind van het verhaal is de vitale vrijwilliger ‘een verschrompeld oud mannetje’ geworden als de manschappen zijn lijk in het ochtendgloren aantreffen. Saillante laatste regel: ‘De rechterhand omklemde een karabijn.’

 

M'sieur Cabinet

 

‘M’sieur Cabinet’ is een van de meest bijzondere verhalen uit de Van Doesburg-collectie van het Literatuurmuseum. Van Doesburg noemde het een groteske en schreef het verhaal in 1915 in de omgeving van Tilburg, toen hij daar was gelegerd. ‘M’sieur Cabinet’ is geschreven in een prachtig duidelijk en beeldend handschrift, het lijkt haast gekalligrafeerd. Het manuscript telt 12, op het laatste na, volgeschreven bladzijden. Het motto is ontleend aan de Franse negentiende-eeuwse karikaturist Honoré Daumier: ‘Dieu! Ai-je aimé cet être- lá.’

 

Monsieur Cabinet, in het dagelijks leven Van Goudsen geheten, is een blakende, weldoorvoede man, gefortuneerd en samenlevend met zijn vrouw die van het bestaan met deze zelfgenoegzame man weinig meer verwacht. Hoe Cabinet aan zijn geld is gekomen, blijft in het ongewisse. Hoe hij eruitziet maakt Van Doesburg in hilarische bewoordingen des te duidelijker. Zijn ‘ronde, rode, glanzende’ hoofd doet alle seizoen denken ‘aan ’n schaal aardbeien’. Hij draagt ‘z’n hals om z’n boord, inplaats z’n boord om z’n hals’. Terwijl Cabinet zijn huwelijksleven ‘viert achter een breed uitgespreide courant’, zucht en steunt zijn vrouw die eeuwig tegenover hem zit met haar handwerkje. Voldaanheid versus hunkering – Van Doesburg roept dat in enkele alinea’s onvergetelijk op.

 

Tijdens een treinreis zit Cabinet in zijn coupé tegenover een man die hij vaag meent te kennen. Het is de kunstenaar Adolphe Robbi, die al even vage herinneringen heeft. Als Cabinet zijn krant naast zich neerlegt, raakt hij in gesprek met Robbi, alhoewel de dialoog al snel verandert in een lofprijzing van Cabinet op zijn vrouw. In de meest poëtische bewoordingen prijst hij haar fysiek en haar kwaliteiten, alsmede haar kunstzinnigheid. ‘Gedoofd-hartstochtelijk, smachtend,’ denkt de kunstenaar als hij Cabinet zo aanhoort. Gretig aanvaardt hij de invitatie om eens langs te komen. Thuis beantwoordt Cabinet de vragen van zijn echtgenote: is hij lang, is hij zwart? Van Doesburg beschrijft haar als een verstervende, als een lijk dat nog beweegt, terwijl haar man maar oreert. Totdat – totdat Robbi zich aankondigt en de hemel zich boven haar opent ‘en zij één werd met de flonkerende prisma’s der kristallen’.

 

Het verhaal is een groteske, een uitvergroting van fysieke eigenaardigheden en psychische gesteldheden, maar het laat, zeker aan het slot, iets van Van Doesburgs wereldvisie zien: ingeslapenheid tegenover de energie van de modernen, de vitaliteit van de vroegtwintigste-eeuwse mens. ‘…ik voel heel veel voor de modernen. Hun energie verrukt me...’ zegt Cabinets vrouw tegen Robbi, alsof ze opnieuw in het leven stapt. Het is diezelfde energie die bij Van Doesburg in die tijd, in die jaren van oorlog, werd ontketend en die tot aan zijn vroege dood in 1931 zou blijven bruisen.