Inez van Dullemen (1925-2021) – Zwervend door het labyrint van het leven

Schrijfster Inez van Dullemen is 24 november op 96-jarige leeftijd overleden. Conservator van het Literatuurmuseum Daan Cartens memoreert haar omvangrijke oeuvre en een bijzondere vriendschap. 

 

Steeds als er toch weer een roman van Inez van Dullemen verscheen, zei ze stralend en met een ondeugende blik in haar ogen: ‘Dit is echt mijn laatste hoor.’ Nadat het Literatuurmuseum een tentoonstelling aan haar had gewijd, nam ze haar notitieboekjes, die daar ook te zien waren, weer mee naar huis. ‘Je weet maar nooit.’ Op basis van haar oude aantekeningen publiceerde ze nog drie romans. Daarna werd het stil. Van Dullemen leed aan alzheimer en werd onbereikbaar voor haar dierbaren. Kort na haar zesennegentigste verjaardag is ze overleden.

 

Een mevrouw uit de keurige Haagse Vogelwijk, zo typeerde men haar, toen ik haar als jonge verslaggever bezocht voor een interview voor Het Vaderland, de gerespecteerde krant die in 1982 ter ziele zou gaan. Ze bleek heel wat minder mevrouwerig te zijn dan mij was voorgespiegeld en vertelde op een gepassioneerde manier over haar leven en haar boeken. Hoe zij, dochter van de schrijfster Jo de Wit, debuteerde met dromerige, schwärmerische novellen, waarna de dichter Nijhoff tegen haar zei: ‘Je ziet eruit alsof je verliefd bent.’ 
 

 

Trouwfoto van Erik Vos en Inez van Dullemen, 1954

 

 

Dat werd ze pas later, in Parijs, op de mimespeler Erik Vos, met wie ze trouwde. Hij zou later toneelgezelschap De Appel oprichten en uitgroeien tot een vooraanstaand toneelregisseur. Die wereld van schijn en wezen werd een belangrijk thema in het werk van Van Dullemen. Op die lenteochtend toen ik bij haar was, benadrukte ze het belang van de jaren die ze met Vos en hun kinderen in de Verenigde Staten had doorgebracht. Vos regisseerde daar en zij schreef reportages voor de Volkskrant. Haar toon veranderde, haar blik ook. De jonge, romantische schrijfster verdween achter de coulissen. Ze ging de wereld in, van Alaska tot Kenia en van Japan naar de oevers van de Ganges, steeds op zoek naar de ontmoeting met de andere (ook de titel van haar debuut uit 1949).

 

Naast reisboeken kwamen uit die zucht om het onbekende te ontdekken romans voort waarin ze het leven van onafhankelijke vrouwen beschreef, zoals in Het land van rood en zwart Gertrude Blom, die een half leven in Mexico streed voor het behoud van het regenwoud. Of in Maria Sybilla, een roman over de schilderes Maria Sibylla Merian, die in de zeventiende eeuw het oerwoud van Suriname doorkruiste, op zoek naar bijzondere vlindersoorten, die ze later op tekeningen zou vastleggen voor het nageslacht.

 

In het kernboek uit haar omvangrijke oeuvre, de roman Het gevorkte beest (1986), later omgewerkt tot het toneelstuk Labyrint (1991), blijft Van Dullemen dicht bij haar eigen wereld en die van haar man Erik Vos.

 

 

Wil ons theater nog een functie hebben dan moeten wij iets in beweging zetten. Het conventionele theater bevestigt alleen bestaande waarden, bestaande begrippen. Wij moeten proberen bewegingen stuk te maken. Daar is koorts voor nodig. Koorts van opstandigheid, haat, ontevredenheid, bederf. Theater heeft alleen een functie wanneer het schokt.

 

Het Literatuurmuseum heeft behalve aantekeningen voor Het gevorkte beest ook het regieboek en een aantal enorme werkschema’s in de collectie. Van Dullemen had om aan de roman te werken een studio gehuurd in de Haagse binnenstad, waar die ‘plattegronden’ aan de muren hingen. De scènes die ze wilde schrijven plande ze dag voor dag vooruit. Het ontstaan van Het gevorkte beest is dan ook minutieus te volgen.


 

Schrijfschema’s Het gevorkte beest

 

 

Hoofdpersoon is de in Amerika levende regisseur Raymond Majevski, die zijn kinderjaren in een concentratiekamp heeft doorgebracht. Hij keert terug naar het door hem gehate Duitsland om daar met een aantal geroutineerde en onbekende Duitse acteurs te werken aan een voorstelling van King Lear. ‘Lear daagt je uit, maar ontsnapt naar domeinen waar je hem niet kunt volgen.’ De repetities ontaarden in een slagveld. Majevski haat ‘het gedrag’ van veel van de acteurs, hij wil dat ze man voor man, vrouw voor vrouw hun trucjes achterwege laten en hun ware gevoelens laten zien én uitschreeuwen. Het zijn vooral de jonge acteurs die daarin slagen. Met hen krijgt Majevski de sterkste band. Zij laten hem de gruweljaren uit zijn jeugd herbeleven en doorgronden. Het gevorkte beest (dat op de shortlist van de eerste AKO Literatuurprijs in 1987 stond), bestaat uit beschrijvingen en innerlijke monologen en kent opmerkelijk weinig dialoog. 

 

Labyrint, de toneelversie, is veel kernachtiger, uitgekleder, bitser ook. Een voorbeeld. In de roman denkt Marianne, een oudere, gevierde actrice terug aan haar succesvolle carrière. In het toneelstuk is zij een bangige, onzekere vrouw, die niet weet wat zij met de onbekende regisseur aan moet.

 

 

Marianne: De kaarten zijn geschud. De dramaturg stelt een lijst samen van wie er toevallig vrijlopen.


Lotti: Je bent een mogelijkheid…ja!


Marianne: Misschien heeft die regisseur uit de States mijn gezicht gezien tussen de foto’s in het Theaterjaarboek. Dan heeft hij mij op z’n onguurst leren kennen, precies de foto van een terroriste. Opsporing verzocht.


Lotti: Altijd onzekerheid.


Marianne: In onzekerheid leven is de enige zekerheid om te leven, vooral in onzekere tijden, zoals bij huwelijken, autorijden en zwangerschappen.


Het regieboek van Labyrint laat letterlijk in kleuren zien hoe de regisseur (Erik Vos) en de schrijfster met de acteurs spelen, met rollen schuiven en de thematiek per scène verwisselen. Raymond, wiens kampverleden wordt beroddeld door de acteurs, wordt aanvankelijk beheerst door de kracht van Shakespeares tekst, maar kijkt steeds meer in de muil van de ouderdom. ‘Hou mij niet voor de gek – ik ben een verdwaasde, kindse, oude man.’
 

Aantekeningen Labyrint

 

 

De ouderdom als thema komt vaak voor in het werk van Van Dullemen. Het meest bekend is de verfilmde roman Vroeger is dood (1976), waarin zij de aftakeling van haar ouders beschrijft, die gedepersonifieerd en gescheiden van elkaar aan hun einde komen. Zij figureren opnieuw in haar herinneringendagboek De twee rivieren. ‘En opeens waren ze verdwenen, ontsnapt uit mijn leven. Ik kan ze natuurlijk oproepen zoals ze waren, het blijven echter momentopnames, tweedimensionaal als het ware.’


Over de ouderdom gaat ook een niet-gepubliceerde tekst, die in het bezit is van het Literatuurmuseum, die Van Dullemen uitsprak tijdens een aan dat thema gewijd congres in november 1995. Ze was toen zeventig en blikt vooruit naar een toekomst waarin ze zelf zou komen te verkeren:

 

 

Hoe moet het zijn, denk ik, wanneer je werkkracht vermindert, je geheugen aftakelt, wanneer je voor niemand meer echt nodig bent – wie ben je dan nog? Een geamputeerd wezen? Wanneer je een deel van je geheugen verliest, als je keer op keer tast in een leegte, ben je nog dezelfde persoon?

 

Na die eerste ontmoeting in de lentetuin aan de Haagse Kiplaan zagen Inez van Dullemen en ik elkaar nog vaak. In bibliotheekzaaltjes voor een interview na de publicatie van een nieuw boek, bij haar en mij thuis, wandelend langs de Waal, terwijl Erik flora en fauna becommentarieerde. Inez altijd met die wonderlijk lichte en verbaasde blik, tegelijkertijd observerend en denkend, zwervend door het labyrint van het leven.


Ze publiceerde, voordat haar geest verduisterde, zoals gezegd nog drie romans. Twee zusters (2012) baseerde ze op aantekeningen uit haar Amerikaanse tijd en gaat over een familiair drama. In De twee rivieren (2015) en Een schip vol meloenen (2017) bleef ze dicht bij haar eigen, rijke verleden en verbeeldde als het ware haar eigen herinneringen, lyrisch en gedetailleerd.

 

 

Besef ik dat mijn leven nu bijna ten einde is? Dat gevoel is heftiger op deze plaats dan elders. Waar het water heenstroomt kan mij weinig schelen. Waar het vandaan komt evenmin, wat me ontroert is het voorbijstromen.

 

 

Inez van Dullemen in 1968