De duivelskunstenaar

Hij werd door Menno ter Braak ‘de duivelskunstenaar’ genoemd, en door Adriaan Roland Holst ‘de man die sneller schrijft dan God kan lezen’. En niet voor niets, want Simon Vestdijk (1898-1971) heeft een kolossaal oeuvre bij elkaar geschreven: 52 romans, 57 novellen en korte verhalen, 33 essaybundels en ruim 20 dichtbundels.

Met de briefwisselingen en vertalingen bij elkaar zes meter aan boeken, aldus zijn biograaf Wim Hazeu. Tot zijn bekendste werken behoren de romans Terug tot Ina Damman (1934), De kellner en de levenden (1949) en De koperen tuin (1950) en de essaybundel De glanzende kiemcel (1950). In de nalatenschap is nog veel onuitgegeven verhalend proza, poëzie en beschouwend werk te vinden. En dit terwijl Vestdijk pas op 33-jarige leeftijd voor het schrijverschap koos en soms maandenlang door zware depressies niet tot schrijven in staat was.

Blijvende bewondering 

Hoewel Vestdijk in de jaren vijftig en zestig de reputatie genoot de belangrijkste schrijver van Nederland te zijn en zelfs negen keer voor de Nobelprijs werd voorgedragen, lijkt men hem nu een beetje uit het oog te zijn verloren. Na zijn dood kreeg een nieuwe generatie schrijvers die status – de ‘Grote Drie’ Hermans, Reve en Mulisch bijvoorbeeld – en werd hij minder en minder gelezen, ook al heeft hij altijd een schare bewonderaars behouden. Recentelijk verklaarde Peter Buwalda (Bonita Avenue) zich in de Vestdijkkroniek nog schatplichtig:

Schrijven is schrappen, wordt ons clichématig voorgehouden, maar dat is toch grote onzin. Juist die volheid van zinnen, die rijkdom aan bijvoeglijke naamwoorden, de nuancering, het tussenwerpen, het terugnemen, de kommaplaatsing, dat zit allemaal in het werk van Vestdijk. Ik prijs me gelukkig dat weinig mensen van mijn generatie Vestdijk lezen, want voor hen is het nieuw als ze alinea’s te lezen krijgen die ronken en doorgaan in lange zinnen. Dat doet bijna niemand meer, maar ik doe het graag.

Een andere jonge schrijver en essayist, Daniël Rovers, bekend van onder meer de romans Elf levens (2010) en Walter (2011), heeft gewezen op de paradox in die langdurige verdwijning naar de achtergrond. In de reeks ‘Schrijvers die nog maar namen lijken’ in Ons Erfdeel schrijft Rovers: ‘Vestdijk is nog niet vergeten; een schrijver van wie bij voortdurende herhaling geconstateerd wordt dat hij amper gelezen wordt, vervult in ieder geval nog een rol in de literaire overlevering. Beter kun je stellen dat Vestdijks oeuvre alweer een hele tijd bezig is om in de vergetelheid te raken.’ 

Geschiedenis van een jeugdliefde

Voor Rovers en voor veel andere literatuurliefhebbers is Terug tot Ina Damman het essentiële Vestdijkboek. Deze ‘geschiedenis van een jeugdliefde’ was zijn romandebuut en kwam voort uit een veel groter manuscript, het 1121 pagina’s tellende ‘Kind tusschen vier vrouwen’, een roman fleuve op autobiografische grondslag naar het voorbeeld van Prousts À la recherche du temps perdu (1913-1927).

Vestdijk schreef ‘Kind tusschen vier vrouwen’ tussen januari en mei 1933, maar de beoogde uitgeverij Nijgh & Van Ditmar weigerde het uit te geven, in hoofdzaak vanwege de excessieve omvang. Vestdijk raakte ontmoedigd en depressief – toen hij er weer bovenop was besloot hij het manuscript uit elkaar te halen en er een aantal losse romans uit af te leiden. Uit dit ‘oerboek’ ontstonden zo ook de romans Meneer Visser’s hellevaart, Sint Sebastiaan en Surrogaten voor Murk Tuinstra, in respectievelijk 1936, 1939 en 1948 gepubliceerd.

‘Ik voer niet veel uit’

Simon Vestdijk werd op 17 oktober 1898 geboren in Harlingen en studeerde na zijn HBS medicijnen in Amsterdam. Na enige tijd als scheepsarts en waarnemend huisarts te hebben gewerkt, besloot hij zich in 1932 vol op het schrijverschap te storten. Een explosie van poëtische creativiteit was het gevolg, met honderden gedichten in twee jaar tijd. Zijn debuut beleefde Vestdijk dan ook als dichter, in 1932 met de bundel Verzen, in 1933 gevolgd door Berijmd palet. In 1934 verscheen Terug tot Ina Damman, een jaar later de bundel De dood betrapt (1935), die bestond uit verhalen die hij vanaf eind 1932 tot midden 1934 schreef.

 

In de zomer van 1932 had Vestdijk naar eigen zeggen niet al te veel gedaan. Aan Jan Greshoff, die hij enkele maanden eerder in Brussel had leren kennen, schrijft hij op 17 augustus:

‘Ik voer niet veel uit. In Brussel schreef ik nog wat verzen, maar ook niet veel, en niet met de ware overtuiging. Enfin, de zomer is nu eenmaal ook voor de literatuur de traditionele tijd van nietsdoen, zullen we maar zeggen.’

Kort daarna belandt Vestdijk in een depressie, die enige maanden zal duren. Pas aan het eind van het jaar, op 14 december, ontvangt Greshoff een nieuw bericht, waarin Vestdijk melding maakt van een licht herstel:

‘Ik maak het wel iets beter, maar slaap nog den halven dag; ’t duurt mij altijd nogal lang. Enfin, ik gebruik laudamum […] en dat maakt ’t dragelijk genoeg. Ik heb zelfs een en ander geschreven, o.a. een essay over Valéry, en heb de heele Proust gelezen, wat je wel een groote prestatie zal lijken!’