de handschriften van 'het veer'

Van ‘Het veer’ is zowel een kladhandschrift als een netversie overgeleverd. De netversie is ongedateerd, de kladversie, uitgeschreven in twee schriftjes, heeft twee dateringen onder elkaar: ‘3-5 Dec. ’32’ en ‘5-9 ” ” ’. Waarschijnlijk schreef Vestdijk de eerste versie in drie dagen, waarna hij nog diezelfde dag aan het uitschrijven in het net begon: vijf dagen later, op 9 december 1932, beschouwde hij het verhaal als voltooid.

Vestdijks werkwijze

Wie een eerste blik werpt op het kladhandschrift, ziet een uitgeschreven versie van het verhaal, waarvan opzet en structuur al grotendeels ‘af’ lijken te zijn. Betekent dit dat Vestdijk dit verhaal uit het hoofd concipieerde? ‘Het veer’ is een historische novelle die zich afspeelt in de middeleeuwen, op een niet nader genoemde plaats in Europa ten tijde van de pestepidemie van 1348. De datering ‘najaar 1348’ wordt al direct in de eerste zin van de novelle gegeven en iets verderop in het verhaal is er gedetailleerder sprake van ‘een bleeke Octoberdag’. Maar afgezien van de expliciete referentie aan de pestepidemie kent het verhaal maar weinig concrete verwijzingen naar de historische werkelijkheid, wat de hypothese dat Vestdijk hier zijn fantasie de vrije loop liet kan ondersteunen. Jaren later, in 1943, schrijft Vestdijk aan Theun de Vries over de rol van de fantasie:

Zoo staan de zaken: Holland kan ik alleen zien in zooverre mijn persoonlijke ervaringen mij het hebben laten zien; voor mijn geheel van mij af geobjectiveerde romans ben ik aangewezen op streken waar ik beslist niet geweest ben en waarschijnlijk ook nooit zal komen. In het eerste geval ga ik van een (beperkte) realiteit naar het gebied der romantische fantasie; in het tweede stelt de fantasie mij in staat met een (ruimere) werkelijkheid in contact te treden (dus precies omgekeerd).

Conform zijn eerder gevolgde werkwijze bij de grote roman ‘Kind tusschen vier vrouwen’ schreef Vestdijk ook dit verhaal in de kladversie steeds op de rechterpagina, met de linkerpagina voor correcties en aanvullingen, die op verschillende momenten tot stand kwamen. De variatie die hij in het nethandschrift nog aanbracht, nam hij ook weer over op het kladhandschrift, zodat hij altijd over twee identieke versies beschikte.

Om de exacte indeling van zijn tekst bekommerde Vestdijk zich pas later: de markering ‘nieuwe alinea’ is op een aantal plaatsen waarschijnlijk pas tijdens het schrijven van het nethandschrift aangebracht. Ook de enige witregel die het verhaal kent werd pas op een later moment als zodanig door Vestdijk gemarkeerd. Die witregel is in het verhaal wel uitermate functioneel, omdat zij de grens aangeeft tussen twee niveaus van de vertelling: de witregel markeert het begin van de feitelijke ‘verhaal’. Wat voorafgaat is een uitgebreide beschrijving en inkadering van de historische en literaire ‘setting’, en Vestdijk schuwt maar weinig middelen om die inleiding zo effectvol mogelijk te laten zijn.

Meelezen met het ontstaan van ‘Het veer’ 

Vestdijk vraagt een volledige toewijding van zijn lezer. Hij combineert historische gegevens met de meest uiteenlopende literaire thema’s en motieven. Daarbij ontleent Vestdijk zijn verhaalstof ook aan heel andere disciplines, waaronder die van de schilderkunst, muziek, wetenschap en astrologie, en maakt hij – impliciet en expliciet – gebruik van zijn medische achtergrond. Vestdijk schrijft bovendien in een sterk beeldende, zelfs uitbundige stijl.

Wie te weinig bedacht is op die ingenieuze opzet en soms extreme, barokke uitwerking, kan verdwaald raken in Vestdijks breed uitwaaierende verteltrant, zelfs in zo’n korte en relatief eenvoudig opgezette novelle. Een tekstgenetische blik op het materiaal kan verhelderend werken: wijzigingen in de handschriften laten zien aan welke verhaalelementen Vestdijk bij het componeren van zijn tekst bijzondere aandacht besteedde, welke fragmenten hij herhaaldelijk omwerkte om het juiste effect te bereiken, of soms zelfs helemaal schrapte, in zijn streven naar een zo uitgebalanceerd en enerverend mogelijke tekst.

Perspectief op de werkelijkheid

Het spel met historische gegevens begint al in de openingsscène van ‘Het veer’. Daarin beschrijft de ik-verteller hoe hij van een dominicaanse monnik een kaart krijgt, en zo een ‘werkelijkheid’ leert kennen die voorheen voor hem onkenbaar was: de ten tijde van de middeleeuwen nog zo goed als onbekende blik op de wereld via de cartografie. Dat contrast tussen de in kaart gebrachte wereld en de beklemmende, ontoegankelijke wereld, de ‘terra incognita’, zet Vestdijk met een wijziging in het handschrift scherper aan: de voor ons zo bekende blik op de werkelijkheid via een kaart is voor de verteller een ‘onverwachte werkelijkheid’.

En in de versie die in 1935 in De dood betrapt verscheen, heeft dat onderscheid nog meer aandacht gekregen: daar is de wereld van de kaart een ‘onverwachte onwerkelijke werkelijkheid’ geworden.

Het platte perspectief van een in kaart gebrachte wereld staat in geen verhouding tot het leven zelf, en de kaart is voor de ik-verteller van ‘Het veer’ uiteindelijk dan ook slechts ‘geschikt om in den zak gestoken en verder vergeten te worden’. De werkelijkheid beperkt zich voor hem tot enkel en alleen ‘die eene weg, waarop ik zooveel beleefde’.

Een vreemd net van wegen en rivieren

De beschrijving van die ontoegankelijke weg heeft in de openingsscène al direct Vestdijks aandacht. Hij wordt via enkele toevoegingen en wijzigingen beschreven als: ‘wit-stoffig of modderig, verlaten of gevaarlijk, bochtig of recht, maar van een oneindige lengte’.

Uit het klad- en het nethandschrift blijkt herhaaldelijk hoezeer Vestdijk op zoek was naar exacte, afgewogen formuleringen van dit motief van de ‘weg’. Het heeft in de novelle dan ook een belangrijke functie, al was het maar omdat het prominent voorkomt in zowel de openings- als slotalinea van ‘Het veer’. Niet alleen in die openingsscène maar ook elders is de uitwerking van dit motief door bewerkingen van de tekst tot stand gekomen. In de vierde alinea van ‘Het veer’ wordt beschreven hoe de ‘ik’ de zwarte dood steeds poogt te ontwijken. De tijdruimtelijke situering is in het kladhandschrift aanvankelijk nog vrij elementair, maar de uiteindelijke zin is aanzienlijk gedetailleerder:

Nu weer, die oude kaart, die ik zoo graag bezeten had, voor oogen, zie ik het belangrijkste deel van mijn avontuurlijk leven zich afspelen in het gezelschap van den zwarten dood, gevangen in dat vreemde net van wegen en rivieren.

En het laatste deel van deze aanvulling ontstond pas bij het uitschrijven van de tekst in het net, ter vervanging van een eerder in het klad toegevoegde typering van de zwarte dood ‘die zich als een spin over het net van wegen en rivieren steeds beweegt’.

De werking van een raadsel

In de tweede alinea biedt Vestdijk de ik-verteller alle ruimte zichzelf te introduceren. Daarbij maakt hij gebruik van een sjabloon dat bekend is uit middeleeuwse sprookjes en vertellingen: een enigmatisch personage presenteert zich aan de lezer via een raadsel; een raadsel dat Vestdijk met uiterste zorg – en niet zonder overdrijving – construeert, onder meer via een toevoeging op de linkerpagina van het handschrift:

Dit zij voldoende: gastvrij ontvangen de eerste dag, de tweede laat men mij vertellen, de derde nacht slaapt niemand meer, de vierde of vijfde dag verlaat ik jachtig stad of dorp, met schoutdienaren, priesters en honden achter mij aan, beticht van de onmogelijkste misdrijven soms, van lang verjaarde diefstallen af tot het vaderschap toe van onechte kinderen, bijna zoo oud als ik zelf!

Dergelijke formuleringen evoceren niet alleen een verteltraditie van volksverhalen en sprookjes, ze zijn ook functioneel omdat ze vooruitwijzen naar het tweede deel van ‘Het veer’. Alhoewel daar nergens sprake is van expliciet geuite beschuldigingen of verwensingen, is de sfeer van angst voor het hoofdpersonage onmiskenbaar aanwezig. Op het moment waarop, tijdens de overtocht, de vrouw plotseling wakker wordt, bijvoorbeeld: ze ‘stond half op, opende haar oogen, die hardblauw en onnatuurlijk wijd stonden in het door waterzucht gezwollen vleesch, wees met één hand naar mij, gilde en prevelde, en zonk weer ineen en sliep, somnambulisch, verder.’ Waarna de ‘ik’ voor zichzelf allerlei gedachten vormt over wat de vrouw duidelijk had willen maken, met daarbij ook speculaties over een mogelijk vaderschap, die in het handschrift in eerste instantie net iets explicieter zijn in hun opeenvolging: ‘Wat had de jonge vrouw gezien, gehoord, wat had zij in mij herkend? Zou haar kind op mij lijken?’ 

Lijvige boekdelen

Vestdijks portrettering van zijn middeleeuwse ik-figuur doet af en toe denken aan de duistere wereld van de middeleeuwse monniken die Umberto Eco oproept in zijn verfilmde klassieker De naam van de roos (1984), dat zich eveneens afspeelt in de eerste helft van de veertiende eeuw. Eco’s verhaal is gesitueerd rond de labyrintische bibliotheek van een benedictijner abdij, en ook Vestdijk alludeert op die wereld van geestelijken, in zijn geval dominicanen: niet alleen leent zijn ik-figuur de kaart van Europa van een dominicaanse monnik, aan boord van het veer is eveneens een ‘bedelmonnik’ aanwezig, en bovendien is hij misschien zelf ook wel iemand die zich wil identificeren met deze middeleeuwse kopiisten, waar hij zich presenteert als iemand die ‘lijvige boekdeelen zou [...] kunnen vullen met al wat ik op deze wijze gezien en gehoord heb’.

Een voorbeeld van waar de inhoud van die boekdelen uit zou kunnen bestaan geeft Vestdijk via een gedetailleerde tweeledige opsomming, die wordt ingeleid door de tegenwoordig ouderwets aandoende ‘wat al’-constructie. Met name het eerste deel daarvan is een stilistisch hoogstandje: Vestdijk stapelt scène op scène, beeld op beeld, met uiteindelijk Bruegheliaanse effecten: ‘honderd maagden verdrinken zich in een meer; dieren worden beschuldigd, veroordeeld en terechtgesteld of om vergiffenis gesmeekt, afgesneden lichaamsdeelen van levenden aan het altaar opgehangen; men eet gestoofde alraunen, gedompeld in menschenbloed.’

Dat Vestdijk zich bijzonder inspande om hier een optimaal effect te bereiken, blijkt uit de handschriften: in het klad breidde hij de beschrijving al herhaaldelijk uit, met nieuwe aanvullingen bij eerdere aanvullingen, en bij het overschrijven in het net bracht hij nog weer nieuwe toevoegingen aan – die Vestdijk vervolgens weer nauwgezet, en hier herkenbaar aan een iets andere penvoering, vanuit het net overschreef naar het klad, opdat beide versies identiek zouden zijn.

Lijvige boekdeelen zou ik kunnen vullen met al wat ik op deze wijze gezien en gehoord heb, mijn machtigen beschermer achter of voor mij, niet geheel ongelijk aan die overigens zoo zacht stralende planeet, waarvan ik den naam reeds noemde, welke zich beurtelings voor of na de zon, als morgen- of avondster met het groote licht verbroedert. Wat al eigenbaat, roofzucht en wreedheid; oplaaiende haat die men liefde dacht, haat die zich over een paars lijk werpt en het bedekt met kussen; ouders die hun kinderen schuw verlaten; onverschilligheid, broedermoord, losbandigheid, tegennatuurlijkheid, cannibalisme, waanzin, bijgeloof. Wat al geneesmiddelen, wat al versjacherde folianten, recepten of bezweringsformules, verborgen eerediensten, aan den heiligen Rochus gewijd, tractaten en hiëroglyphen, uit alle wetenschappen en godsdiensten verzameld, en waarmee men den vijand denkt te bestrijden of zijn gang te stuiten. Maar ik, die mij op eenige vertrouwdheid met hem meen te mogen beroepen, weet dat hij zich evenveel aan het herbarium stoort, dat de goede kwakzalvers onder hun neus hangen, als aan het schreien van een pasberoofd kind. Zoo gemakkelijk is hij, dien men een geesel god's (hoe dwaas!) genoemd heeft, zeker niet te overwinnen, en zoo schijnt mijn tactiek, om den vijand op te zoeken, met hem mee te reizen, doch op een zekeren afstand, nog lang niet de domste. En met de jaren leert men veel: oogenblikkelijk zich verwijderen bij een eersten ernstigen aanval, lijken ruiken, besmette kleeren en voorwerpen verbranden, en tenslotte wil ik ook een beteekenis aan sommige officineele kruiden niet geheel ontzeggen. Maar het belangrijkste blijft toch, zich met den zwarten dood te verstaan, niet bang voor hem te zijn, voordeel van hem te trekken. En dan zoo'n onschuldig voordeel als een ongestoord verblijf in stad of dorp, zonder het vooruitzicht van een bende duivelbanners op de hielen! Zeker staat deze houding, wat baatzucht betreft, achter bij al wat ik al zoo bij den lieven medemensch opgemerkt heb

Meer met minder

Het overschrijven van klad naar net, dat bij ‘Het veer’ zoals gezegd binnen één en dezelfde week plaatsvond, was voor Vestdijk duidelijk meer dan een procedurele handeling. Het zin voor zin reflecteren op de tekst leidde tot wijzigingen die hij ook steeds weer invoegde in het klad. Dat gebeurde in dezelfde kleur inkt, waardoor de verschillende fasen soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn.

Voor enkele grotere inlassen is dat gelukkig wel het geval: die schreef Vestdijk in eerste instantie in de marge van het nethandschrift, om ze daarna op de linkerpagina van het klad in te schrijven. Een mooi voorbeeld hiervan is een veralgemeniserende toevoeging over de rampen waardoor vluchtelingen worden getroffen, een uitbreiding die zorgt voor veel extra spanning in het verhaal:

Ook over plundering, krijgsbenden spraken zij. Rampen komen nooit alleen, zij reizen als vogels of visschen, in zwermen en scholen. De oorlog begunstigt ziekte, deze, door verarming, wanorde, woede en goddeloosheid, en dat brengt weer nieuwe moord en doodslag. Men hoefde mij niets ervan te vertellen, het was niet de eerste keer, dat ik in besmet gebied reisde, maar hulpeloozer en bevender vluchtelingen dan deze heb ik nooit ontmoet!

Meer ‘suspense’ in de vertelling creëert Vestdijk ook door meer impliciet te laten. Zo noteert hij, in een beschrijving van de overtocht, eerst nog: ‘We waren nu in het midden, af en toe dreven planken voorbij, een flesch, een opgezwollen kreng.’ Maar via een aantal kleine aanpassingen werkt hij deze naar zijn mening waarschijnlijk te expliciete informatie weg, en beperkt hij de beschrijving tot één enkel beeld: ‘Nu waren we in het midden. Van tijd tot tijd dreven zwartgeblakerde planken voorbij.’

Verstilling op het midden van de rivier

Een vergelijkbare versobering volgt in de regels direct daarna: ‘De hemel stond hoog en bleek, de zon was aan het verdwijnen. Vreemd, rustig, zoo midden op het water’ verandert in de uiteindelijke formulering in het veel pregnantere ‘De hemel stond hoog en bleek. Vreemd, zoo eenzaam op het water’. Alle beweging komt als in een droom tot stilstand, alsof het leven zelf ophoudt. Midden op de rivier, en letterlijk ook midden in de novelle, ontstaat een tussengebied tussen leven en dood, waarbij Vestdijk ook knipoogt naar de klassieke mythologie en de door de veerman Charon bevaren rivier de Styx. 

 

Ook de beschrijving van wat de ‘ik’ waarneemt bij de aanblik van het veer, op dat moment nog vanaf de oever, was in het kladhandschrift aanvankelijk aanmerkelijk uitgebreider: daar beschreef Vestdijk hoe aan de overkant van de rivier een nieuwe weg zichtbaar is, een beschrijving die ook weer geleidelijk aan tot stand kwam: ‘De zon was als een witte schijf zichtbaar; heel ver weg stonden bergketens onder een onzeker licht. Langs den oever groeide riet, en aan den overkant der rivier, klein en nevelig, weer geboomte, rondom huizen: het beginpunt van den weg die daar vervolgd werd.’

Vestdijk nam deze passage wél over, maar besloot haar op een later moment grotendeels te schrappen: in het nethandschrift is na de eerste zin de rest van het fragment doorgehaald. Vestdijk ontnam de lezer hiermee een concreet perspectief op wat zich aan de overkant van de rivier zou aandienen.

Wat al schrijvend weggeschreven wordt: van rottend kreng tot hellehond

Niet alleen het overschrijven leidde tot herzieningen, ook de eerste fase van het schrijven was er een van uitproberen en heroverwegen. Herhaaldelijk formuleerde Vestdijk een handeling of gedachte, schrapte die vervolgens direct weer, om er soms later alsnog een plaats voor te vinden. Het ‘opgezwollen kreng’ dat in de rivier drijft sneuvelde, maar keert terug als mogelijke verklaring voor een ‘lijklucht’ (!) die zich plotseling aandient, kort voor het aanmeren van het gezelschap aan de overkant van de rivier:

Even voordat wij aanlegden, zag ik een witte en zwarte hond, die over den weg kwam aanhollen, rondsprong, snoof, blafte, en weer verdween; en, – nog steeds weet ik niet hoezeer hierbij inbeelding in het spel geweest kan zijn, – tegelijk rook ik duidelijk een lijklucht. Misschien was ik de eenige; geen der anderen liet iets blijken; en snel was het weer verdwenen om plaats te maken voor de teergeur die ik de geheele overvaart om mij heen had gehad, en dan ook nieuwe geuren van hooi en mest en dat onbepaalbare dat men aan oevers, tusschen riet, opsnuift. Dit laatste gaf inderdaad een verklaring, het moest een rottend kreng zijn, dat tusschen de stengels aangespoeld was. Veel tijd om te overleggen had ik ook niet meer, want de boot lag aan wal, we konden uitstappen.

In het klad is dit het slot van een langere alinea. Daarna volgt, in zowel klad- als nethandschrift, de scène waarin beschreven wordt, consequent vanuit het perspectief van zijn ik-verteller, hoe iedereen van boord gaat en de ‘ik’ schijnbaar negeert – wat ook geldt voor de veerman, die zodra de andere opvarenden aan land zijn weer aan boord komt. Maar, opvallend genoeg, in het nethandschrift laat Vestdijk de voorafgaande scène in zijn geheel weg.

Deze beschrijving had nog niet het effect dat hij beoogde. Ook hier maakt hij zijn tekst minder expliciet door meer onverteld te laten. Het rottende kreng wordt opnieuw geschrapt, en is voorgoed weg. En ook de aankondiging van het onheil, in het klad nog via een aanstormende en blaffende hond (een allusie op de uit mythologie en volksverhalen overbekende hellehond), laat Vestdijk weg – net zo goed als de vermelding van de lijklucht zelf. Helemaal zonder die hond kon hij echter niet, want in letterlijk sterk afgezwakte vorm keert het geblaf van aanvankelijk ‘een hond’ en later nog meer onbepaald tot het meervoud ‘honden’, terug in een op een later moment aan het kladhandschrift toegevoegde bijzin aan het slot van de scène: op het moment waarop de veerman half uit de boot valt klinkt ‘een vrouwenkreet, die zich op zijn beurt in het herhaald aanslaan van honden voortplantte.

De schok van de dood

Dan volgt de ontknoping, en door alle weglatingen, culminerend in het weglaten van de ‘lijklucht’, die de ‘ik’ eerder nog zo duidelijk rook bij aankomst aan de overkant van de rivier, is het schokeffect groter: in één van de kortste alinea’s van ‘Het veer’ vindt de ‘ik’, voor de lezer nu volkomen onverwacht, een aan de pest gestorven dode, in het half geopende zeildoek aan boord van het bootje. De aanblik daarvan formuleert hij overigens duister en raadselachtig: ‘want daar lag mijn vriend’. Waarna Vestdijk in een weer veel langere alinea de dode in een huiveringwekkend gedetailleerde beschrijving à la Edgar Allan Poe ten tonele voert.

En daarbij blijft het niet. In wat waarschijnlijk de belangrijkste alinea is voor de thematiek van ‘Het veer’ – in de Vestdijkstudie door L. Abell-van Soest ‘bovenal het verhaal van de angst’ genoemd – staat de ‘ik’ stil bij het paradoxale voorkomen van de dood, die zijn macht juist kan uitoefenen op de levenden. Ook dit beeld wordt extra versterkt door een toevoeging, hier weer op de linkerpagina van het kladhandschrift:

Zoodra het lijk zich gevormd had, trok de zwarte dood zich terug: het was hem te rustig, te onbeweeglijk; hoe veel aanlokkelijker die levende hersenen, die zijn beeld vormden, aanbliezen, verwrongen, vermenigvuldigden, aanbaden, – die door angst opgejaagde kudden, die steden in wroeging of opstand, de wanordelijk vluchtende legers, de jonge blanke vrouwen die konden gillen als vogels, zo’n vleezige koopman, en dan dat vod van een veerman, die daar hulpeloos spartelde!

De machteloze veerman wordt wreed aan zijn lot overgelaten, en de ‘ik’ eigent zich alle macht toe: hij neemt ‘de rol over’, in het kladhandschrift nog expliciet ‘de rol van mijn vriend’. Een rol die hem als handlanger van de dood uiterst vitaal lijkt te maken: ‘ik voelde me krachtig en gezond, uitverkoren om dood en verderf om me heen te verspreiden, een geheel dorp te verpesten met mijn adem, met mijn oogen.

De almacht van het boze oog

Wat rest is een met duivels plezier opgetekende beschrijving van de hulpeloos vluchtende opvarenden, die in de slotalinea’s in al hun boersheid, lompheid en fysieke onbeholpenheid worden getekend, in soms groteske vervormingen, die via aanvullingen in het handschrift sterker werden aangezet. Het zijn zeer gedetailleerde omschrijvingen die een realistische waarnemingsmogelijkheid verre te boven gaan, alsof een camera van afstand inzoomt om de kleinste details scherp in beeld te brengen. Het is het almachtige perspectief van het boze oog:

De dikke koopman, voorop, liep het hardst van allemaal. Zijn buik dreigde van hem af te vallen. De adem van zijn geblaas verdichtte zich in de koude herfstlucht tot rookwolkjes. Zijn pelsmuts hing op één oor. Zijn andere oor was rood als een hanelel. Daarop volgde de boer, die van angst begon te schreeuwen toen hij mij zag, en zijn veekoopersstok voor zich uit hield, alsof het ding een eigen snelheid bezat die de zijne verhoogen kon. Hij plonsde door de plassen van de weg als over een modderige akker.

Hoe het afloopt met de vluchtenden laat Vestdijk letterlijk achterwege, door ze uit beeld, achter een ‘bocht in de weg’ te laten verdwijnen. Maar dat hij hier een onmogelijke vlucht beschrijft is wel duidelijk. Vestdijks onontkoombare, monsterlijke duivel zit ze op de hielen, ‘hoogopgericht, vernielziek, dreigend en trotsch, […] tot de hals toe volgeladen met dooden’.

Een creatuur van welhaast mythologische allure, in de onverwachte onwerkelijke werkelijkheid van ‘Het veer’.