Een dubbelleven in strips en sonnetten

door Dick Welsink

Weinig poëzielezers zullen hebben geweten dat Patty Scholten, in 1946 geboren in Den Haag, onder de naam Patty Klein veertig jaar lang de scenariste van het zeer succesvolle stripverhaal ‘Noortje’ is geweest en ik denk dat niet één lezer van die strip ervan op de hoogte zal zijn geweest dat zij een aantal dichtbundels heeft gepubliceerd. Zij heeft deze twee disciplines dan ook altijd strikt gescheiden gehouden: Klein (haar meisjesnaam) was voor de strips en Scholten voor de poëzie.

 

Op 8 juni 1994 stuurde Patty Klein Marten Toonder, bij wiens Studio’s ze in 1968 haar loopbaan als scenariste was begonnen na een afgebroken studie biologie, een grote envelop met 21 bladen met sonnetten en een kaartje met een verzoek: ‘Zou u bijgaande sonnetten eens aan de hooggeboren heer QX Canteclaer willen laten lezen? Ik ben een groot bewonderaar van zijn poëzie.’ Markies de Canteclaer vervult in de Bommelsaga de rol van fijnbesnaard poëet en kennelijk hechtte Patty Klein zeer aan zijn (in feite Toonders) oordeel.

 

Wat Marten Toonder haar precies geantwoord heeft, is niet bekend, maar de brief die ze hem op 22 juni stuurde, begint als volgt:

Hartelijk dank voor uw brief met de aardige woorden over mijn sonnetten. Vooral het ‘Parbleu’ van de Markies deed me blozen. Ik hoor er niet zozeer ‘platte afgunst’ in als wel het meetrillen van een gevoelige snaar die mijn gedichten bij hem hebben geraakt, maar u kent hem ongetwijfeld beter dan ik.

 

In de laatste alinea van haar brief schrijft ze: ‘Nog één ding: de gedichten publiceer ik onder mijn getrouwde naam: Patty Scholten, om verwarring met de strips te voorkomen.’ Ze ondertekende met Patty Klein.

Mijn kennismaking met Patty Scholten dateert van 1995, om precies te zijn op 28 april in Sellingen. Op die dag werd daar Kees Stip, met wie wij allebei bevriend waren, koninklijk onderscheiden. Hij werd ridder in de orde van Oranje-Nassau. Dat was nog even spannend, want Kees wist van niks en het gevaar was niet denkbeeldig dat hij de onderscheiding zou weigeren, want hij had niet veel op met het koningshuis. Maar tot opluchting van alle aanwezigen toonde hij zich blij en trots. Patty, die een van de initiatiefnemers van het indienen van een aanvraag was geweest, straalde.

 

Aan het eind van hetzelfde jaar debuteerde zij met de bundel Het dagjesdier. Deze bevat 42 sonnetten (‘zoonetten’ noemde Kees Stip ze) waarin een dier centraal staat. Terwijl ze nog op de mms zat, was Patty Scholten een paar jaar dierenverzorger in Artis geweest. Ze had hun gedrag dus van heel nabij kunnen observeren en hield in haar gedichten de dierentuinbezoekers als het ware een spiegel voor. De bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Ze kreeg hem niet, hoewel jurylid Herman de Coninck in een artikel in De Morgen van 8 maart 1996 blijk gaf van grote bewondering voor haar werk.

Patty Scholten en Kees Stip tijdens de opening van de tentoonstelling ‘Vier lichte letterheren’ in het Letterkundig Museum, 15 april 1999. Foto: Rop te Riet

 

Haar poëzie werd in het begin van haar carrière door de meeste recensenten ingedeeld in de categorie ‘light verse’. Ze werd in besprekingen ook vaak vergeleken met de Trijntjes Fop van Kees Stip. Er is zeker sprake van verwantschap, maar de vergelijking gaat volgens mij niet op. Stip speelt in zijn meestal zesregelige gedichtjes met de taal, Patty Scholten vergroot in haar sonnetten dierlijke eigenschappen uit tot menselijke proporties.

 

Ook in de eerste afdeling – ‘Zestien kooien, zes aquaria’ – van haar tweede bundel, Ongekuste kikkers (1997), spelen dieren de hoofdrol. Je zou die als een aanhangsel van Het dagjesdier kunnen beschouwen. In de twee volgende afdelingen zijn jeugdherinneringen het onderwerp. De laatste en kortste afdeling, ‘Een moeder’, is een indrukwekkend in memoriam matris. Het slotsonnet eindigt met het distichon: ‘Ik dwaal langs straten en weet heg noch steg. / Ik huil dat ze moet komen. Ze blijft weg.’

Voor Een tuil zeeanemonen (2000) werd Patty Scholten in 2001 opnieuw genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In deze bijzondere bundel volgt ze het pad van de natuuronderzoeker Georg Everard Rumphius (1627–1702), bekend van zijn postuum verschenen boeken over fauna en flora op en in de zee rondom Ambon: D’Amboinsche rariteitkamer (1705) en het zesdelige Amboinsch kruid-boek (1741–1750). Zijn leven ging bepaald niet over rozen. Vanaf 1657 leefde hij onder moeilijke omstandigheden op Ambon waar hij nauwgezette beschrijvingen en tekeningen van de planten en zeedieren maakte. In 1670 werd hij blind, in 1674 verloor hij zijn vrouw en een kind als gevolg van een tsunami, in 1687 ging zijn hele levenswerk door een brand verloren en moest hij van voren af aan beginnen, het schip dat in 1690 de kopij voor de uitgave naar Nederland moest vervoeren, verging in 1692 in een zeegevecht bij Bordeaux.

 

Voor het schrijven van deze bundel deed Patty Scholten uitgebreid literatuuronderzoek en bezocht ze ook zelf Ambon. Haar sonnetten zijn voor een deel gebaseerd op de tekeningen die Rumphius maakte en voor een ander deel op eigen waarneming. Behalve over de dieren en de planten schrijft ze ook over Rumphius zelf, onder andere in een prachtig sonnet over de door hem naar zijn vrouw vernoemde orchidee, de Flos Susannae. Een tuil zeeanemonen is misschien wel haar meest ambitieuze bundel. Hij werd alom geprezen in de kritiek, maar de VSB Poëzieprijs kreeg ze niet.

 

Patty Scholtens laatste bundel, De ziel is een pannenkoek (2011), heeft als ondertitel ‘een autobiografie in sonnetten’. Op het omslag staat een foto van haar als klein meisje, met een speelgoedfornuisje. Ze schrijft erover in ‘Schoolfoto’:

Op foto’s van de kleuterschool zie ik

veel meisjes staan in zelfgebreide spullen,

met van die huisgedraaide pijpenkrullen,

gekroond met fiere, witte paaseistrik.

 

Mannen, zo blijkt, hebben in haar hele leven een belangrijke rol gespeeld. Bij de Toonder Studio’s raakte ze onder bekoring van de veel oudere scenarioschrijver Andries Brandt die haar leermeester en minnaar wordt. En blijft, ook als ze met een ander getrouwd is. Onder de naam Arend komt hij in diverse sonnetten voor. Als ze er na zijn dood achter komt dat hij als SS’er aan het Oostfront heeft gevochten, voelt ze zich bedrogen. Uiteindelijk loopt haar huwelijk op de klippen:

Ik ging de dieren in de Zoo vertellen

dat H. na dertig jaar was weggegaan.

De neushoorn keek me medelijdend aan,

de dwergnijlpaarden bliezen troostend bellen

 

In het slotsonnet, ‘De laatste gast’, beklaagt ze zich over de gebreken die de ouderdom met zich meebrengt, maar ze komt ook met een elegante oplossing:

Er is een oplossing. Elk mens wordt tachtig,

maar zonder ziektes, kwalen, iets verdachts.

En daarna sterven we spontaan, eendrachtig.

 

Een groots verjaardagsfeest, men speecht welsprekend.

De laatste gast komt pas om twaalf uur ’s nachts.

Het is de dood. Je hebt op hem gerekend.

 

Nadat Patty Scholten in februari van dit jaar voor haar vele verdiensten nog was onderscheiden als ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, is zij op 15 maart in Ede overleden.