Een oeuvre als priemende blik

door Bertram Mourits

Strak in het pak, vier geconcentreerde koppen. Zelfverzekerd is nog wel het minste wat je ervan kan zeggen. Van rechts naar links: Hans Sleutelaar, zou zich ontpoppen tot ‘zwijgende dichter’, beroemd met de regel Wollt ihr die totale Poesie? Cornelis Bastiaan Vaandrager, bohemien in Rotterdam, onsterfelijk dankzij ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant.’ Hans Verhagen: kunstenaar, dichter, journalist en tv-maker, en Armando: beeldend kunstenaar, muzikant, tv- en theatermaker en natuurlijk: schrijver en dichter van een imposant oeuvre. De afgelopen twintig jaar verschenen er zo nu en dan dichtbundels, naar eigen zeggen uit noodzaak, wanneer de poëzie hem niet met rust wilde laten. De poëzie had gelijk: Gedichten 2009 werd in 2011 bekroond met de VSB-poëzieprijs.

 

Op deze foto moest dat allemaal nog gebeuren. Hier zien we de redactie van De Nieuwe Stijl in 1965. Het tijdschrift dat ze opgericht hadden om een nieuwe kunststroming te begeleiden in beeld en woord. Het tijdschrift dat de belofte zou inlossen van een tekst die Armando een jaar daarvoor in Gard Sivik had laten afdrukken, het tijdschrift dat de kiem vormde van De Nieuwe Stijl. ‘Een internationale primeur’, stond er met de nodige bravoure boven.

Niet de realiteit be-moraliseren of interpreteren (ver-kunsten), maar intensiveren. Uitgangspunt: een konsekwent aanvaarden van de Realiteit. Interesse voor een meer autonoom optreden van de Realiteit, al op te merken in de journalistiek, tv-reportages en film. Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit. Niet van de maker, maar van de informatie. De kunstenaar, die geen kunstenaar meer is: een koel, zakelijk oog.

 

Met een overdonderend aplomb presenteerde Armando deze nieuwe stroming, alsof zij degenen waren die het allemaal hadden uitgevonden. Onder het motto ‘de aanval is de beste verdediging’ schoven ze zichzelf naar voren, net zo fanatiek als de Vijftigers, maar met toepassing van tactieken uit de reclame, waarin twee van zijn redactiegenoten werkzaam waren.

V.l.n.r.: Armando, Hans Verhagen, Cornelis Bastiaan Vaandrager en Hans Sleutelaar in 1965. Foto: Wim van der Linden

 

Toch is dit kleine stukje meer dan alleen een polemische vondst. Want alles wat Armando belooft dat ‘de nieuwe poëzie’ zou gaan doen, heeft hij ook daadwerkelijk gedaan.

  • Niet de realiteit be-moraliseren: samen met Hans Sleutelaar sprak Armando uitgebreid met Nederlandse SS’ers. Hun boek verscheen in 1967, een tijd waarin de tegenstelling tussen goed en fout in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog weinig problemen opleverde. Verzet was goed, NSB en SS kon je haten, de rest misschien maar beter vergeten. Dat juist deze SS’ers zo uitgebreid hun verhaal konden vertellen, was schokkend, en is dat nog steeds. De ss-ers is een van de belangrijkste werken die Armando heeft geschreven en nog steeds relevant voor wie wil begrijpen waar radicalisering vandaan komt.
     
  • maar intensiveren: er staat in Armando’s gedichten geen woord te veel. Hij deed het daar ook om. Elk woord dat de lezer de poëtische kant op zou sturen, schrapte hij. En zo bleef er steeds minder over. Maar elk woord kwam wél aan.
     
  • op te merken in de journalistiek: Armando interviewde ook voor Haagse Post en deed dat zo genadeloos dat menig geïnterviewde een duistere versie van zichzelf blootgaf. Ischa Meijer heeft veel van hem en Sleutelaar geleerd.
     
  • isoleren, annexeren. Gewone voorwerpen op doek geplakt of geschroefd. Losse woorden, rechtstreeks uit de werkelijkheid. Armando maakte er kunst en poëzie van, en pikte de werkelijkheid in.
     
  • Een koel, zakelijk oog: misschien was dat nog wel het moeilijkste, want als je de gewoonste dingen heel goed bekeek, bleek er toch schoonheid, amusement, ontroering aan te pas te kunnen komen. Zelfs als dat niet de bedoeling was: ‘Gefascineerd kijken, soms met een glimlach, alles was mooi toch: wat elke kunststroming heeft: het ontdekken van een nieuwe schoonheid,’ moest Armando bekennen in een interview met Ischa Meijer.

 

Na enkele jaren gedichten in tijdschriften gepubliceerd te hebben, bundelde hij de boel tot een kloek boek dat hij voortvarend Verzamelde gedichten doopte. Een handige zet: zonder dat je het boek had opengeslagen, kreeg je alvast de indruk dat je iets belangrijks in handen had. In zijn vroegste gedichten lag het geweld aan de oppervlakte (als soldaten zo dood zo levend is de mond / als een zweep zo levend zijn de donkre kleren), maar hoe langer hoe meer werd dat geweld onderhuids. Bijvoorbeeld door de werkelijkheid aan het woord te laten, zoals in een reeks prachtige gedichten met citaten van boksers: priem hem precies op z’n strot / godverdomme geen asem meer. Het dichterlijk oeuvre van Armando kun je misschien wel beschouwen als een lange zoektocht naar de effectiefste manier om je uit te drukken. Het hoogtepunt van die ontwikkeling was de compleet uitgebeende bundel Tucht, met gedichten als:

pijn, geknielde, pijn

 

Nog kaler kon je de taal niet maken, en hij heeft toen ook een tijdlang minder gedichten geschreven. Inmiddels was hij als beeldend kunstenaar beroemd geworden – buiten Nederland kent men vooral de schilder en beeldhouwer – en hij maakte tv en theater (het heerlijke absurdisme van Herenleed, met Cherry Duyns en Johnny van Doorn) en schreef De straat en het struikgewas. Het is een van zijn meest beklijvende boeken, een roman in losse aantekeningen waarin hij het begrip ‘schuldig landschap’ uitwerkt, het idee dat je een landschap – maar ook een zin en misschien zelfs een woord – met morele last kan beladen.

 

Daarin komt eigenlijk alles samen: het idee dat kunst en poëzie hard, lelijk en onopgesmukt mochten zijn. Armando valt niet te imiteren, wie hem leest vergeet hem niet snel. Een oeuvre als de priemende blik waarmee hij al in 1965 de camera in staarde.