Het Literaire Werk 2.0: updates uit het onderzoek

Hoe verloopt het experiment? Op deze pagina doet Floor Buschenhenke wekelijks verslag van opvallende verschijnselen die ze aantreft bij de analyse van de bestanden van de vier schrijvers. Onder haar verslag lees je welke updates je verder kunt verwachten. Voor meer informatie over het onderzoek verwijzen we je naar de pagina over de achtergrond van ‘Het Literaire Werk 2.0’.

6 april 2016: Congres Achter de verhalen

Op donderdag 6 april doen Peter de Bruijn en Floor Buschenhenke verslag van het onderzoeksexperiment rond de vier schrijvers op het congres ‘Achter de verhalen’, dat dit jaar in Groningen wordt gehouden. Niet alleen de titel van het congres is toepasselijk, maar ook het thema van dit jaar: ‘Het belang van de literaire cultuur’, met als toelichtende openingszin: ‘De literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn.’

 

 

Dit sluit naadloos aan bij wat de aanleiding voor ons experiment is geweest, namelijk de constatering dat het onderzoek naar traditionele literaire bronnen - handschriftelijk en gedrukt materiaal - in het huidige digitale tijdperk wel eens ten dode opgeschreven zou kunnen zijn. In onze lezing presenteren we de eerste resultaten die het digitaal volgen van de vier schrijvers heeft opgeleverd, en proberen we te schetsen waar de mogelijkheden liggen voor toekomstig onderzoek, met als cliffhanger de vraag: ‘Is het einde in zicht of openen zich nieuwe perspectieven?’

 

Lees hier de abstract van onze bijdrage. Vanzelfsprekend zal onze presentatie binnenkort ook op deze site te vinden zijn.

Welke updates kun je verder verwachten, na publicatie van de 4 verhalen?

Als de vier schrijvers hun verhaal hebben ingeleverd, wordt dat natuurlijk met een feestelijk moment gevierd. Ook alle onderzoeksdata zijn nu beschikbaar. Analyse en presentatie van die gegevens komen daarna stapsgewijs beschikbaar, want de data die op de vier laptops zijn verzameld zijn enorm omvangrijk. Om de uitkomsten inzichtelijk te kunnen maken worden er speciale visualisaties gemaakt. Vervolgens presenteren we in een wekelijks verslag een aansprekend resultaat uit het onderzoek. Met de schrijvers volgt nog een uitgebreid gesprek over hun ervaringen: ook dat is hier te zijner tijd te lezen. En verder houden we je op de hoogte van het vervolg. Want, zoals we ook in het achtergrondartikel schrijven: dit experiment is de opstap naar een groter onderzoek. De contouren daarvan zullen in maart ook steeds duidelijker worden, en natuurlijk doen we graag verslag van de plannen die we voor de nabije toekomst hebben.

 

Week 4: Onderzoeksbericht: Tekstversies vergelijken 

Hoe krijg je inzicht in de verschillen tussen de ene versie van een tekst en de andere? Als je de concepten van elk van de vier schrijvers achter elkaar leest, vallen waarschijnlijk wel een paar grote veranderingen op, maar het vergt zeer zorgvuldige lezing om alle veranderingen te vinden. Editiewetenschappers gebruiken collatiesoftware als hulpmiddel om versies met elkaar te kunnen vergelijken. Vooral bij langere teksten geeft dit overzicht. Als je bijvoorbeeld wilt weten wat de auteur bij de tiende druk van zijn boek heeft veranderd ten opzichte van de vorige druk, of als je meerdere versies van een oude tekst hebt maar niet weet in welke volgorde ze geschreven zijn, biedt collatiesoftware uitkomst.

 

Ik heb van ‘onze’ schrijvers telkens twee versies met elkaar vergeleken met behulp van het collatieprogramma Juxta. Dat het schrijfproces van een verhaal zou moeten beginnen bij het begin en eindigen bij het einde, dat idee kun je meteen loslaten wanneer je ziet hoe deze schrijvers te werk gaan. Ja, allen breiden het verhaal per concept uit; de teksten worden langer. Maar Thomas Heerma van Voss voegt ook bij de opening en het middenstuk van zijn verhaal veel toe, net zoveel als bij de eindscene. Walter van den Berg schrapt juist een stuk uit het midden van zijn eerste concept, en breidt zijn laatste paragraaf (van het eerste concept) flink uit alvorens hij nieuw materiaal toevoegt achteraan de tekst. Bregje Hofstede doet iets soortgelijks met haar laatste paragraaf (van haar tweede concept), die herschrijft ze grondig, alvorens ze haar tekst achter die paragraaf flink gaat uitbreiden. Haar eerste concept, echter, was dan weer niet ‘het begin’ van het tweede concept, maar komt juist vrij integraal terug aan het einde van haar derde concept. Alma Mathijsens tweede en derde concepten laten een opvallend contrast zien met de versies van de anderen; zij redigeert haar ‘oude’ tekst namelijk in dit stadium nog niet, maar werkt uitsluitend onderaan het tweede concept door.

 

Een grappig contrast met het vorige onderzoeksbericht, over hoeveel er geschrapt wordt tijdens het schrijven (30% gemiddeld), is hier dat als we de tekstversies vergelijken, er zeer weinig tekst sneuvelt tussen de versies. Het gros van de tekstwijzigingen zijn uitbreidingen en vervangingen. Aanstaande maandag zullen de definitieve versies afgerond zijn, en kunnen we gaan bekijken in hoeverre de revisies tussen de derde en laatste versie anders van aard zijn dan die aan het begin van het traject.

Thomas' eerste twee concepten. Met het histogram zie je waar in de tekst de meeste wijzingen zitten. Dit kunnen zowel toevoegingen, vervangingen als geschapte fragmenten zijn.
Walters eerste twee concepten. De lijnen tussen de linker- en rechterversies geven de plekken aan waar de wijziging zit.
Alma’s tweede en derde concept (eerste concept was haar archiefbestand met research).
Bregjes revisies in ‘oude’ deel van haar tekst.
Bregjes intense revisie van laatste paragraaf 2e concept, en uitbreiding achteraan de tekst.

 

 

 

Week 3 - Onderzoeksbericht: Schrijven is schrappen? - Floor Buschenhenke

 

Nu de eerste twee concepten online staan, is het misschien raar om over schrappen te beginnen. Die woordentellers moeten toch juist omhoog, elke week, tot de uiteindelijke verhalen voltooid zijn? Maar tijdens het genereren van nieuw materiaal voor de verhalen wordt er ook veel uitgeprobeerd op het scherm, en daarna ook weer vaak geheel of gedeeltelijk verworpen. Op papieren archiefmateriaal zie je doorhalingen en invoegingen die de schrijver heeft gemaakt, al is het niet altijd te achterhalen wanneer deze wijzigingen zijn aangebracht. In een Worddocument zijn die sporen 'onzichtbaar' geworden. Maar met behulp van de registratiesoftware Inputlog kunnen we dit juist wel weer bekijken.

 

Inputlog telt  in detail álle tekstproductie, op letterniveau. Per gelogde schrijfsessie laat het programma zien hoeveel lettertekens er geproduceerd zijn, en hoeveel er daarvan aan het eind van de sessie nog staan. Dit geeft per sessie een ratio tussen 'proces' en 'product'. (Deze waardes zijn inclusief het corrigeren van typefouten.) Aangezien twee schrijvers (Alma Mathijsen en Bregje Hofstede) meer op papier werken, en twee (Walter van den Berg en Thomas Heerma van Voss) meer digitaal, is er niet van iedereen evenveel verzameld digitaal materiaal beschikbaar op dit moment. Toch een klein overzichtje in onderstaande tabel. De maximale score is 1: in dat geval blijven alle geproduceerde lettertekens staan in de herziene versie. Bij de 'hoogste' scores  hieronder, 0,92, is 92 % van de geproduceerde tekens overgebleven in het document aan het eind van de sessie.

 

 

 

gemiddelde ratio

aantal sessies

max-min ratio's

Walter

0,8

4

0,92 - 0,71

Thomas

0,68

6

0,61 - 0,77

Bregje

0,67

1

 

Alma

0,92

1

 

Tabel 1: Proces/product ratio's

 

Als we het gemiddelde nemen van deze ratio's (0,77) dan wordt er dus binnen een schrijfsessie een kwart van de tekst geschrapt. Bij allen is het gros van de geschrapte fragmenten korter dan een zin. Af en toe wordt er een groter fragment weggegooid, maar: dit lijkt vooral te gebeuren met tekst die er al stond van een vorige schrijfsessie.

 

Om met de hoogste score te beginnen: die was van Alma's eerste sessie, waarin ze aan haar archief werkte. Ze heeft veel online research gedaan en fragmenten integraal overgenomen. Maar ook Walters eerste sessie heeft deze score, hierin werkte hij zijn Evernote notitie uit tot een eerste aanzet. Walters geschrapte fragmenten in zijn latere sessies zijn vooral alternatieve formuleringen. Bijvoorbeeld 'iets wilde doen' wordt 'iemand wilde neerzetten', 'mensen' wordt 'gasten', 'ik had daarop gevraagd' wordt vervangen door 'had ik gezegd'. Het lijkt alsof het taalgebruik van de ik-persoon pas bij de bewerking de gewensde, informele toon krijgt. Ook Thomas verwijdert voornamelijk korte stukjes, hij begint bijvoorbeeld een zin met 'Er' en maakt er dan 'De' van. Zo'n kleine ingreep verwijst misschien wel naar een inhoudelijke beslissing over de richting van het verhaal op dat punt. Het laat zien hoe ver vooruit de schrijver aan het componeren is. Bregje schrijft als enige haar scenes eerst op papier uit, die ze daarna 'overschrijft' in Word. Het is opmerkelijk dat ze bij dit overschrijven wat revisies en schrappen betreft niet onder doet voor degenen die rechtstreeks op het scherm schrijven. Ook zij past formuleringen aan in revisies van maximaal een frase; 'het formica' wordt 'de tafel', 'liet de appel vallen' wordt 'legde de appel terug'. Dit doet ze overigens ook al in de papieren versie.

 

Is schrijven schrappen? Zelfs in deze eerste stadia van de korte verhalen wordt er geschrapt en geredigeerd. Het verschil tussen het soort redactie van de lopende tekstproductie en die van de ‘oude’ tekst in hetzelfde document suggereert dat er afgewisseld wordt tussen verschillende werkprocessen. Editiewetenschapper Pierre-Marc De Biasi onderscheidt twee processen: het produceren, in woorden gieten, op micro-niveau van de tekst (le scriptural) en het structureren, op macro-niveau (le scénarique), en ziet het schrijven als een voortdurende afwisseling van deze twee. Wellicht kunnen we het schrappen van langere, ‘oude’ fragmenten scharen onder het structureren, en het schrappen binnen de lopende tekstproduktie als produceren.

 

 

 

- Pierre-Marc DeBiasi, ‘What is a Literary Draft ? Toward a Functional Typology of Genetic Documentation,’ Yale French Studies, n° 89, « Drafts », 1996, (p. 26‑58)

 

 

Week 1 en 2 - Onderzoeksbericht: Van pril idee naar eerste concept - Floor Buschenhenke

 

De kop is eraf: de schrijvers hebben een eerste concept van hun verhaal-in-wording ingeleverd en het voorlopige resultaat staat als ‘leesbare’ versie online. Ook alle ‘data’ achter het nog prille verhaal zijn overhandigd: de data-output van de geprepareerde schrijverslaptops (waarin dus al hun handelingen zijn bijgehouden) én de aantekeningen die een deel van de schrijvers op papier maakte. Dit biedt genoeg materiaal om een voorzichtige reconstructie te maken van hun werkwijze. En al blijven de mentale processen rondom de tekstuele ‘sporen’ onzichtbaar, toch zijn er duidelijk verschillende patronen en strategieën te zien. Die bieden veel extra informatie bij datgene wat de schrijvers al via ‘Twitter’ berichtten.

 

Voor Bregje Hofstede was een toevallige blik op een poster van het ‘Centraalbureau voor Schimmelculturen’ goed voor een inval: haar personage móest daar werken. Vervolgens maakt ze een drietal aantekeningen in haar notitieboekjes. Eerst formuleert ze de toon en het thema dat ze wil gebruiken, als ook de missie van haar hoofdpersoon. Dan verzamelt ze (online?) informatie over schimmels en noteert deze. Een dag later schrijft ze een aanzet tot een conflictscène van waaruit de missie geboren zou kunnen worden. Hieruit kiest ze een fragment om over te tikken op de ‘geprepareerde’ laptop. Pas vanaf dit moment is het schrijfproces van Bregje voor mij exact te volgen, d.w.z. op basis van de gegevens die de computer heeft gelogd. Heel veel is dat nog niet: bij het overtypen voert ze alleen een paar stilistische wijzigingen door. Het lijkt alsof ze eerst de kern helder wil hebben, voor ze het plot gaat uitbreiden en aan de opening van haar verhaal gaat werken. Eerst het conflict ‘rond’ krijgen, dan de gebeurtenissen verzinnen die dit conflict het beste tot zijn recht laten komen.

 

Walter van den Berg gaat aan de slag met een notitie die hij in 2012 had genoteerd in het programma Evernote,  zijn ‘digitale zwarte notitieboekje’ (zie Walters tweet van 11 februari). ‘Man die wordt ingehuurd om een ding in het park 1 nacht te bewaken.’ Dit had hij opgeschreven nadat hij 's nachts een podium met nachtbewaker zag in het Rembrandtpark te Amsterdam. In twee schrijfsessies op de laptop zet hij vervolgens de opening van zijn verhaal neer, zonder daar aantekeningen of opmerkingen bij te plaatsen. De opening werkt toe naar het moment dat duidelijk wordt hoe en waarom de hoofdpersoon gevraagd wordt bewaker voor een nacht te worden. Tijdens de eerste schrijfsessie gaat hij even naar Evernote. Hij schrijft de eerste paar regels van het verhaal, zoals ze ook hier bij het eerste concept te lezen zijn. Een paar dagen later werkt hij aansluitend op deze regels verder. In een sessie van 39 minuten typt hij 12 woorden per minuut en blijft uitsluitend in Word, zonder uitstapjes naar internet of het ‘digitale notitieboekje’. Vergeleken met Bregjes werkwijze zou je dit redelijk lineair kunnen noemen.

 

Thomas Heerma van Voss lijkt het grotere geheel al vrij snel in zijn hoofd te hebben. Hij werkt met een Worddocument met aantekeningen; dit zijn voornamelijk plotpunten voor het vervolg van het verhaal (waar ik hier natuurlijk niets over zal loslaten). Ook zoekt hij in zijn aantekeningen naar beelden bij de gemoedstoestanden van de hoofdpersoon. Zijn idee, dat het over de paspoortaanvraag van een 30-jarige moet gaan, denkt hij eerst verder uit met een perspectief en een achtergrond voor het personage, voor hij begint aan het verhaal zelf. Hij heeft vier sessies in Word gewerkt, 67 minuten in totaal. Hij bouwt in deze sessies zijn verhaal in chronologische scènes op, en geeft deze subtitels. In zijn eerste sessies schuift hij nog wat heen en weer tussen een ‘ik’- en een ‘hij’-perspectief. Zijn laptop heeft geen internetverbinding, hij heeft dus niet de mogelijkheid om online research te doen of afleiding te zoeken. Hiernaast heeft hij wel een vaste pc met internet, maar deze gebruikt hij niet bij het schrijven van dit verhaal.

 

Alma’s eerste concept wijkt het meest af van de rest. Zij legt vooralsnog in Word een archief aan met (overgetypte) knipsels en andere bronnen. Over het eigenlijke verhaal valt nog niets te melden. In het archief staan een aantal IJslandse feiten, waarvan ze een paar ‘live’ tijdens de schrijfsessie verzamelt. Ze lijkt bij het googlen iets na te willen zoeken dat ze al eerder gehoord of gelezen heeft. Zo zoekt ze naar de juiste spelling van ‘kleinur’, een soort IJslandse donuts die ook wel ‘klenät’ genoemd worden. Ook zoekt ze op ‘klenow fragment’; dit kan verkregen worden uit dna van de e-coli bacterie en is zo wel enigszins verwant met de opmerking over voedselvergiftiging in haar archief. Uit de wikipedia-pagina over de IJslandse ‘Nithing Pole’ knipt ze een fragment dat leest als een ultra-kort verhaal op zich. Ze haalt in haar schrijfsessie iets weg dat ofwel een vergissing ofwel een woordgrapje was; er stond ‘terminale baden’ bij de heetwaterbronnen.

 

Eerste conclusie: Bij het uitwerken van het idee gaan Alma en Bregje ‘analoger’ te werk dan Walter en Thomas. Zij verzamelen ideeën en informatie voor hun verhaal op papier, terwijl Walter en Thomas het resultaat van hun denkproces vrijwel meteen aan de laptop toevertrouwen. Ik ben benieuwd of dit verschil kleiner wordt als het verhaal vastere vormen gaat aannemen, ook bij Alma en Bregje. Volgende week hoop ik uitgebreider in te kunnen gaan op de data die de ‘geprepareerde’ laptops aanleveren, bijvoorbeeld naar wat er allemaal sneuvelt als het verhaal eenmaal is opgebouwd.

 

 

Welke updates kun je verder verwachten, na publicatie van de 4 verhalen?

Als de vier schrijvers hun verhaal hebben ingeleverd, wordt dat natuurlijk met een feestelijk moment gevierd. Ook alle onderzoeksdata zijn nu beschikbaar. Analyse en presentatie van die gegevens komen daarna stapsgewijs beschikbaar, want de data die op de vier laptops zijn verzameld zijn enorm omvangrijk. Om de uitkomsten inzichtelijk te kunnen maken worden er speciale visualisaties gemaakt. Vervolgens presenteren we in een wekelijks verslag een aansprekend resultaat uit het onderzoek. Met de schrijvers volgt nog een uitgebreid gesprek over hun ervaringen: ook dat is hier te zijner tijd te lezen. En verder houden we je op de hoogte van het vervolg. Want, zoals we ook in het achtergrondartikel schrijven: dit experiment is de opstap naar een groter onderzoek. De contouren daarvan zullen in maart ook steeds duidelijker worden, en natuurlijk doen we graag verslag van de plannen die we voor de nabije toekomst hebben.