In het universum van Maarten Biesheuvel is alles waargebeurd

door Bertram Mourits

23 mei 2019 is de tachtigste verjaardag van Maarten Biesheuvel – een van de bijzonderste schrijvers uit het Nederlands taalgebied. Om zijn werk te karakteriseren worden vaak termen als grotesk, barok, fantastisch of absurdistisch uit de kast gehaald. Daar valt wel wat voor te zeggen. Want is het nou Jezus die aan boord komt van het schip waarop Isaäc staat uit te kijken? Weliswaar niet lopend over water maar dan wel met een brommer over het water? (‘Brommer op zee’). En hoe omschrijf je een verhaal waarin de hoofdpersoon probeert te schrijven over iemand die zelfmoord heeft gepleegd? God vond dat lastig, het levert een ‘administratieve janboel’ op, en ook voor de overledene zelf was het niet prettig, want ‘tot zijn ongeluk heeft hij een ziel die de rommel bekijken kan’ (‘De verpletterende werkelijkheid’). God komt ook voor in ‘De grote gieter’, een verhaal waarin ‘de God van Israël’ een gieter probeert te kopen waarin 800.000 liter water kan.

Illustratie uit bibliofiele editie van ‘De verpletterende werkelijkheid’


Maar is het wel zo fantastisch, absurd of grotesk als je het gevoel hebt het allemaal echt mee te maken? Ruim een halfjaar geleden verscheen in Volkskrant Magazine een groot interview met Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva, waarin het over van alles en nog wat gaat. Over de noodzaak van aerobics, het genot van boterhammen met speculaas en over het boek dat toen op het punt van verschijnen stond. Een bloemlezing, Verhalen uit het gekkenhuis. Schrijven lukt niet meer, daar gaat het interview ook over. De bloemlezing werd aangevuld met nooit eerder gepubliceerd materiaal, want daarvan is er veel. Het interview gaat ook over vrienden die hij had, en vrienden die hij heeft, en natuurlijk over de gekte, waarover ze beiden volkomen openhartig spreken: ‘Biesheuvel heeft voor gekken gedaan wat Gerard Reve voor homo’s deed,’ schreef Renate Rubinstein ooit.

 

Maar nog meer deed J.M.A. Biesheuvel voor de Nederlandse literatuur, zoals Rudi Fuchs het vertelt aan Volkskrant-interviewer Nathalie Huigsloot: ‘Hij kon zijn gekte als het ware in zijn werk onderbrengen, en dan was hij niet gek, maar een bizarre schrijver, net als Tolstoj. Hoe dan ook: als schrijver is hij niet gek, als Maarten Biesheuvel wel.’ En precies om die reden zijn die verhalen zo gewoon en merkwaardig tegelijk. Want de verteller verbaast zich, mét de lezer, over die vreemde dingen die de hele tijd maar gebeuren. Gekte en reflectie daarop tegelijk: een onmogelijke paradox, tenminste, in het universum van de gewone mens. Maar ‘gewoon’ is wel het laatste adjectief dat op Biesheuvels wereld van toepassing is.

Maarten en Eva Biesheuvel in 1979


In het Literatuurmuseum bevindt zich een groot en bijzonder archief dat de chaos ademt die het leven van de Biesheuvels kenmerkt. Met brieven die lezen alsof ze geschreven worden op het moment dat je ze onder ogen krijgt, zoals in een exemplaar dat lastig leesbaar is vanwege de doorgelopen inkt. Het begon blijkbaar al te druppelen bij de eerste letters die Maarten schreef, maar een nieuw papier pakte hij niet, hij begon meteen te verklaren: ‘A propos de Vloeistof… Het regent, het regent, het lekt almaar op mijn bureau,’ zo begint de brief.

 

Het is ook een rijk archief – wat dus niet alleen blijkt uit het nieuw ontdekte materiaal dat in Verhalen uit het gekkenhuis is opgenomen, maar ook uit de kleinste details die nooit uitgegeven zullen worden, zoals dit minieme notitieblokje.

Een aantekening, niet meer, niet minder. Voor een verhaal? Of is het de beschrijving van een overweging? ‘Van kamer tot kamer gaan met je eigen deken (een blauwe?) en je eigen gordijnen’. Pas het laatste woord gooit roet in het eten van het rationele. Dat eerste kun je je voorstellen, dat je pas op je gemak bent met je eigen comfort blanket. Maar je eigen gordijnen?

 

En dan schiet hem opeens een liedje te binnen uit 't Schaep met de 5 pooten, en dat schrijft hij dan op.

Het gekste en het gewoonste zijn hetzelfde bij Biesheuvel – en dat realiseerde hij zich heel goed, vooral als schrijver. Daarvan getuigt het korte inleidinkje dat hij schrijft bij het verhaal ‘Maan’, uit zijn debuut In de bovenkooi (1972) – waarin hij verzekert dat hij ook dat zelf heeft meegemaakt: ‘de mensen zeggen wel eens dat ik zoveel verzin’, maar zelfs hijzelf heeft moeite dat te geloven. Heeft hij het gedroomd? ‘Maar misschien moet ik toch toegeven dat dit een beetje een vreemd verhaal is. Maarten ’t Hart beweert wel eens dat alleen ik van die rare dingen meemaak.’

Enkele maanden geleden overleed Eva – het universum van Maarten Biesheuvel nog absurder makend. Vrienden maakten zich zorgen, en dat is begrijpelijk, want hij schreef ooit dat hij zonder Eva ‘een dakloze zou zijn, in een kartonnen doos voor het Centraal Station’. Juist dat lucide perspectief op zijn situatie – gecombineerd met veel waardevolle vrienden – maakt dat dat niet is gebeurd. Dat bewijst weer dat in het universum van Biesheuvel het onmogelijke niet alleen mogelijk is, maar gewoon plaatsvindt.