Vier schrijvers: Alma Mathijsen

Ontdek hoe literatuur ontstaat! Vier schrijvers werken vier weken lang aan een verhaal en doen verslag van hun creatieve ups en downs.

 

 

Een verhaal begint bij mij met iets waarover ik me verwonder, iets wat ik niet begrijp. Ik wil weten wat er aan de hand is — ik stel een vraag en zoek een antwoord. Of ik dat uiteindelijk krijg doet er niet per se toe; het gaat me er meer om mezelf open te stellen en op die manier een ruimere blik te krijgen, erachter te komen dat er meerdere waarheden zijn. Dat is wat ik probeer te doen met schrijven.

 

 

Het schrijven is een verslag van mijn onderzoek, maar het is tegelijkertijd ook een heel geconcentreerde manier van denken. Zodra ik achter de computer ga zitten, zetten zich in mijn hoofd als het ware katrollen in beweging en wordt mijn manier van denken heel helder en to the point. Schrijven is voor mij een noodzaak — ik weet niet wat ik anders zou moeten doen. In andere dingen ben ik gewoon niet zo goed; in zekere zin gaat schrijven me dus het makkelijkste af.

 

Dat wil niet zeggen dat het me soms niet ontzettend veel moeite kost. Elk moment in het proces brengt voor mij moeilijkheden met zich mee en ik ben er op elk van die momenten van overtuigd dat dát ook daadwerkelijk het lastigste is. In de beginfase worstel ik ermee dat alles mogelijk is; als ik dat eenmaal heb gehad, zie ik er tegenop alles goed neer te zetten; in de eindfase maak ik mezelf wijs dat het secuur invullen van alle details het allermoeilijkste is.

 

Toch dwing ik mezelf altijd om verder te schrijven. Als je vastzit, is er iets in je hoofd dat je ervan probeert te overtuigen dat dat waar je mee bezig bent niet goed is. Maar je hebt altijd een idee — of twee, of drie — van hoe het verder zou kunnen. Op zo’n moment zet ik gewoon alle stemmen in mijn hoofd uit en ga die opties uitproberen. Als de eerste niet werkt, heb ik een halve dag verpest; prima, dan neem ik de volgende. Je moet durven mislukken. Dat heb ik wel echt moeten leren, niet te veel te luisteren naar de criticus in mezelf. In elk geval niet in de breekbare beginfase — in een later stadium komt diezelfde criticus juist weer heel goed van pas.

 

De manier waarop ik werk is bij elk boek anders. Bij mijn vorige boek, een boek over mijn vader, heb ik eerst al mijn herinneringen opgeschreven, zonder enige vorm van beperking. Pas daarna ben ik alles gaan lezen en heb ik me afgevraagd: welk verhaal zit hierin? Als een beeldhouwer die een stuk marmer zijn atelier mee naar binnen sleept en daarna gaat schaven. Maar van de roman waar ik nu aan werk, wist ik van te voren al helemaal hoe het eruit zou gaan zien. Ik heb, heel secuur, elk hoofdstuk en elke scène uitgeschreven op kleine kaartjes.

 

Toch begint een werkdag, waar ik ook mee bezig ben, voor mij altijd met het kijken van het ochtendjournaal. Ik luister niet eens echt; het is meer om mezelf uit te zetten. Daarna maak ik thee en ontbijt, en dan begin ik. Ik schrijf in blokken van twee uur: ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds. Tijdens die twee uur moet ik van mezelf achter de computer zitten, maar ik ben daarin niet heel moeilijk; als ik een tijdje naar buiten wil kijken, mag dat ook, zolang ik die uren maar vol maak. En daar mag dan ook niets tussen komen. Dan ben ik aan het schrijven.

 

 

Meer informatie over Alma Mathijsen vind je op almamathijsen.nl