Elisabeth
Eybers

1978

Constantijn Huygens-prijs
Dichteres Elisabeth Eybers (1915-2007) kreeg de Constantijn Huygens-prijs 1978.

‘Ofschoon het Afrikaans, waarin deze in Klerksdorp in Transvaal geboren dichteres schrijft, zich als een zelfstandige taal uit het Nederlands heeft ontwikkeld, behoort haar werk in bredere zin ongetwijfeld tot de literatuur van het Nederlandse taalgebied,’ stelde de jury, ‘zelfs zozeer dat Hendrik de Vries niet aarzelde haar eens de grootste dichteres in dat gebied te noemen. Bovendien is de poëzie van Elisabeth Eybers, die sedert 1961 haar domicilie in ons land heeft en wier bundels inmiddels ook hier verschijnen, zo verweven met het leven en het béleven van dit land, dat de sporen daarvan zonder moeite in haar gedichten zijn aan te wijzen.’ 

 

De wisselwerking bestond al langer. Eybers wordt met onder anderen N.P. van Wyk Louw, Dirk Opperman en Uys Krige tot de stroming van de Dertigers gerekend, de dichters die schreven in hun moedertaal het Afrikaans. Deze literaire generatie stond in nauw contact met Nederlandse dichters als A. Roland Holst, J.C. Bloem, Jan Greshoff en Anthonie Donker.

 

In 1936 bracht Eybers haar debuutbundel uit, Belydenis in die skemering. In 1943 ontving ze voor deze eersteling en voor Die stil avontuur (1939) de prestigieuze Hertzog Prijs. In 1971 kreeg ze de prijs opnieuw voor haar bundel Onderdak. Nederland had Eybers vooral leren kennen toen in 1957 haar Versamelde gedigte het licht zag, met werk dat alleen in Zuid-Afrika was uitgegeven. Na 1961 verscheen haar werk gelijktijdig in Amsterdam en Kaapstad. Ze ontving de Herman Gorter-prijs in Amsterdam, een eredoctoraat in de letteren in Johannesburg en het erelidmaatschap van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde te Gent. 

 

Wie het oeuvre van Eybers met aandacht leest, kan volgens de jury vaststellen ‘hoe eenzaamheidsgevoel en verwondering in het vroegere werk langzamerhand zijn uitgegroeid tot verwondering over de wereld en zichzelf en elementen hebben gekregen van vervreemding en isolement, die zich op hun beurt ontwikkelden tot een tragisch besef. Maar tegelijk daarmee ontstond ook een krachtig innerlijk tegenwicht, gebaseerd op een diepgaande behoefte aan verstandhouding met het waarneembare en een intense gevoelsnoodzaak tot menselijke warmte, tot contact en liefde. (…) 

 

Haar persoonlijke toon, haar onverschrokken directheid en helderheid, maken haar poëzie in dit perspectief van onafhankelijkheid en wijsheid tot een moedige daad. En de verfijning en subtiliteit van haar taal en haar beeldspraak bewijzen een zuiver en waarachtig dichterschap van een ongewone ontroeringskracht en een zeldzame authenticiteit.’

 

Jury

Van de jury maakten deel uit: Gerrit Borgers, Pierre H. Dubois, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis, André Matthijsse en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 8.000 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op dinsdagavond 19 december 1978 in het Haagse stadhuis.

 

Credits portretfoto: Edith Visser