1.
Het was op vrijdag 28 november 2025 dat ik om vijf uur gebeld zou worden. Ik had geen idee wat me boven het hoofd hing. Een voor mij bekende stem, Maaike Meijer, feliciteerde me en zei dat zij als voorzitter van het bestuur de eer had om mij te vertellen dat ik de P.C. Hooft-prijs had gewonnen. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb, wel dat ik van verbijstering begon te stotteren. De P.C. Hooft-prijs? Ik? Hoe kwamen ze daarbij? Hadden ze hun eigen juryreglement wel goed gelezen? Mochten ze dat wel?
Dit is het punt. Ik heb een massa boeken geschreven, 53 om precies te zijn, maar nooit heb ik mezelf gezien als literair schrijfster, en het was toch een literaire prijs?
Ik ken mensen die al vroeg in hun leven besloten dat ze schrijfster zouden worden, zoals vriendin Renate Dorrestein die vastbesloten aan het werk ging, en door bleef schrijven ook toen de uitgeverijen haar eerste drie manuscripten afwezen. Ik kan me niet voorstellen dat ik daarna nog de moed zou hebben gehad om door te gaan met schrijven. Maar ik kwam P.C. Hooft-prijs ook niet op het idee om een carrière als schrijfster te beginnen, ondanks het feit dat ik twee boeken schrijvende grootmoeders had en nog een dichtende oom. Bij mij sloeg de vlam pas in de pan toen ik feministe werd. Toen ik wat te zeggen had. In de praatgroepen waarvan nu nauwelijks meer duidelijk te maken valt hoe revolutionair die waren, hadden we het over alle thema’s die ons persoonlijk bezighielden. Alle taboes van toen. De problemen in onze relaties met mannen. Seksualiteit, moederschap, het geweld dat we meemaakten.
Dat was het begin van een culturele omslag. Het leek ons urgent om dat wat we ontdekt hadden te verspreiden, en dat deden we om te beginnen met een handgemaakt blaadje: de Vrouwenkrant. Voor de ouderen onder ons, die nog voortkomen uit de periode voor de computer, voor het internet en voor de socials: dat krantje moest op moedervellen met Gestetnerkoppen getikt worden, gestencild, geraapt en geniet. We voelden hoe revolutionair het was wat we deden. Wij zaten midden in een proces waarin wij afstand namen van het soort vrouw dat we volgens onze moeders hadden moeten worden, we moesten onszelf opnieuw uitvinden. En er was geen boek te vinden dat ons daarbij kon helpen. Er was geen boek te vinden waarin over seksualiteit werd geschreven vanuit de ervaring van ons vrouwen zelf, bijvoorbeeld. Romans waren er, waarin het met eigenwijze en te onafhankelijke vrouwen meestal slecht afliep. Voor lesbische vrouwen waren er alleen dieptreurige boeken. Dat je ook lesbisch kon zijn voor je lol, ondenkbaar. Ik herinner me dat gedicht van Anna Blaman:
Zij kwam, verschrikt, uitdagend, onverwacht
en wankelde mijn armen in en zag mij aan
ik zag haar ogen, vochtig, donker en verleidend staan
in een vermoeid gezicht – zij bleef de ganse nacht
en stamelde mij toe dat zij een offer bracht
aan mijn verlangen – en brak in tranen uit
en lachte schamper, roekeloos en luid –
het was een vreemde trieste nacht
Wij lagen samen – O mijn geliefde, zei ik zacht
en was zo leeg en moe alsof ik sterven zou
ik huilde aan de borst van een beschonken vrouw
en in de schoot van een absurde liefdenacht.
Natuurlijk begrijpen we meteen dat dit een autobiografisch verhaal was, al zei Blaman dat er niet bij. In haar tijd kon je dat ook maar beter niet doen. Maar dit was duidelijk, we moesten zelf gaan schrijven.
Dat was de tijd dat we onze eigen verhalen gingen vertellen, zonder ons te verbergen achter een literair auteurschap. Ik vond maar heel weinig voorbeelden van onbeschaamde persoonlijke verhalen. Een boek van Kate Millett, Flying, een boek van Verena Stefan, Häutungen. Het leek alsof zij mij de toestemming gaven om ook een ongecensureerd persoonlijk boek te schrijven. Ik noemde het, met de titel die Millett als kop boven een artikel had gezet, ‘The Shame is Over’.
Ik had geen enkele literaire ambitie. Toen mijn boek De schaamte voorbij verscheen, en meteen een bestseller bleek, werd duidelijk dat ik een zonde had gepleegd. De straf had vooral de vorm van een enorm gekrakeel dat dat boek geen literatuur was. Hella S. Haasse verweet me dat ik in één keer het materiaal voor drie romans had weggegeven, Annie Romein noemde het in Opzij een voorbeeld van paranoia, Maarten ’t Hart vond mijn boek vulgair, egocentrisch en banaal. Hoe dan ook: dat was géén literatuur. Ik had er wel plezier in, hoe die lui dachten dat ze me daarmee een maatje kleiner konden maken. En ook om boekhandels die niet wisten of ze De schaamte voorbij in de kast fictie of nonfictie moesten zetten. Leg maar naast de kassa, zei ik.
2.
In 1985 vonden wij radicale feministes dat het tijd werd om ook het veel te patriarchale literaire bedrijf maar eens beentje te lichten. Het waren vier vrouwen die de Anna Bijns Stichting oprichtten, Elly de Waard, Renate Dorrestein, Caroline van Tuyll en ik, ter bevordering van de vrouwelijke stem in de letteren. De eerste schurk op wie we onze actie richtten was de P.C. Hooft-prijs, die een schandelijke reputatie had: er waren toen drieëndertig mannen gelauwerd, tegen een zielige vier vrouwelijke auteurs. Dus begonnen we met een alternatieve prijs, de Anna Bijns Prijs, en om er geen troostprijs voor meisjes van te maken moest die prijs evenveel geld opleveren als de P.C. Hooft. Tienduizend gulden. Met veel bluf en lef – want we hadden geen cent, huurden we het gehele Concertgebouw af voor een benefietfeest. Mannen moesten meer betalen voor een kaartje omdat ze meer verdienden. Daar werden ze kwaad over, dus bij het tweede feest deden we het andersom: alle meegebrachte mannen halve prijs. Met veel plezier, onder het motto ‘ruimdenkendheid en willekeur’, gaven we de eerste prijs aan Josepha Mendels. De vrouwen die de Bijns Prijs uiteindelijk kregen zouden niet hebben misstaan op de lijst van de P.C. Hooft. Heeft onze actie geholpen? Een beetje. Nu is de stand bij de P.C. Hooft 61 mannen en veertien vrouwen. Een op de vier dus. Het stond nu in de kranten: de eerste vrouw die de prijs krijgt voor beschouwend proza was ik. Na al die mannen, en toch zijn er heren die nu vrezen voor het ergste. Dat witte mannen van een zekere leeftijd geen kans meer maken. Arme Oek de Jong had de prijs moeten krijgen. Ook een beetje zijn eigen schuld, zei Paul Cliteur op X, hij heeft niet geprotesteerd, hij heeft zich laten overslaan door Anja Meulenbelt.
Een andere auteur die meteen ‘omstreden’ was toen ze de P.C. Hooft-prijs kreeg, was Astrid Roemer. Dat was in 2016. De enige zwarte vrouw die in aanmerking kwam voor de prijs, want behalve een overdaad aan mannen was de lijst verder oogverblindend wit. Nog steeds trouwens. Zij kreeg het verwijt dat de prijs aan haar werd toegekend vanwege haar politieke engagement, en niet vanwege haar literaire waarde. Dit stond in de Elsevier: ‘als dit soort activistische kul leidend wordt voor de P.C. Hooft-prijs, kun je hem net zo goed elk jaar aan Anja Meulenbelt geven’. Wat een vooruitziende blik, want hier ben ik. Maar zie: ook nu nog speelt het oude idee mee dat engagement en literatuur niet samen kunnen gaan. Helemaal wanneer je niet alleen boeken schrijft over feminisme, maar ook over Palestina. Dat ik heel goed wist wat die verdekt opgestelde norm was, maakte ook dat ik geen moment heb gedacht dat ik nog eens in aanmerking zou komen voor een literaire prijs. Ik was niet van plan om mijn belangrijkste motief om te schrijven, maatschappelijke urgentie, opzij te zetten voor roem en een emmer geld.
3.
Het was de jury die mij overtuigd heeft dat ik deze prijs wel verdien. Ik heb met stijgend plezier hun juryrapport gelezen. Juist dat ik niet net doe alsof ik neutraal ben, maakt mijn werk interessant, vonden ze. Omdat ik, zo omschrijven zij het, er al sinds De schaamte voorbij diep van doordrongen ben dat beschrijven altijd plaatsvindt vanuit een positie. Een positie die gekenmerkt is, onder andere, door klasse, gender en etniciteit. Dat geldt voor iedereen die schrijft, maar niet iedereen wil dat ook weten. En dit is wat er gebeurt, en wat deze prijs zo ‘zeitgemäss’ maakt, we maken juist nu een spannende stroom van boeken mee, geschreven door mensen die een reden hebben om de feministische slogan ‘het persoonlijke is politiek’ over te nemen. Ik zou een lang essay kunnen schrijven over wie dat allemaal zijn, maar ik noem een paar voorbeelden van schrijvers die, zoals Marja Pruis van De Groene Amsterdammer schrijft, schrijven over wat je met je eigen leven kunt zeggen.
Veel biculturele mensen dus, tweede of derde generatie migrant, als Lotfi El Hamidi, Bilal Ben Abdelkarim en Sinan Çankaya, die vandaag ook spreekt. Of Alejandra Ortiz, die als transvrouw gevlucht is uit Mexico en hier moet zien aan een verblijfsvergunning te komen. Harriët Duurvoort, die schrijft over haar moeder, die als zwart meisje geadopteerd werd. Milio van de Kamp, als een van de zeldzame schrijvers die zich niet schaamt voor zijn kindertijd in armoede. Raoul de Jong, die de geschiedenis van Suriname meeneemt met zijn huid. Vriendin Gloria Wekker, Sister Outsider, die zichzelf ook nooit verstopt. Zij allen deden wat in mijn begintijd als schrijfster nog een taboe was. Ze zetten zichzelf al schrijvende niet op een kunstmatige zogenaamd neutrale afstand. Ze zijn zonder excuses in hun werk aanwezig. Hun boeken worden nu gretig gelezen, boeken die twee functies hebben: ondersteuning voor gemarginaliseerde mensen die zich erin kunnen herkennen en zich minder alleen hoeven te voelen, en educatie voor de mensen die geen idee hebben hoe anders deze maatschappij beleefd wordt door mensen die niet bij de mainstream witte mannelijke middenklasse horen. Die nieuwe schrijvers geven de lezer de kans om ontroerd en gegrepen te worden door de mensen die als ‘anders’ gelden. En dat zou geen literatuur mogen zijn, vanwege de grote rol van engagement? Wie zegt dat?
4.
Deze speech is natuurlijk vooral bedoeld als dankwoord, en mijn dank gaat allereerst uit naar de jury, die het lef had om een oud taboe te doorbreken, en zich er ook van bewust was dat ze bezig was een heilzame breuk in te zetten die ruimte maakt voor heel veel nieuwe mogelijkheden. Zo werd het nieuws dat ik de prijs had gewonnen ook ervaren door een massa mensen die mij feliciteerden, onder wie veel activisten van diverse slag die me lieten weten dat ze met me meegenoten, alsof die prijs ook voor hen bedoeld is. Wat wat mij betreft ook het geval is. Ik kibbelde nog met mijn redacteur, die vond dat ik in mijn laatste boek, Niet van gisteren, te veel andere schrijvers noemde. Of die niet in een lijstje ‘verder lezen’ achterin konden. Nee, dat konden ze niet, want die andere schrijvers, uit een andere klasse dan ik, met een andere kleur, met een ander gender, met een andere geschiedenis, zijn mijn medeauteurs. Wie mijn laatste boek leest, begrijpt ook dat ik in wezen mijn prijs deel met velen, zonder wie ik dit boek en andere boeken nooit had kunnen schrijven.
Ik bedank Fréderike Geerdink, geëngageerde journaliste die mij aan één oor meesleepte naar een literair agent, Willem Bisseling, die ik bedank vanwege zijn geweldige vrolijke inzet om mij te verkopen aan een fijne uitgeverij, ik bedank uiteraard De Bezige Bij van ganser harte. En zeker bedank ik ook de mensen van de P.C. Hooft-prijs die het aandurfden met mij.
En ik hoop dat ‘beschouwend proza’ voortaan ook mag betekenen: ‘geëngageerd proza’. Ik hoop dat ook volgende jury’s de moed hebben om af en toe eens af te wijken van de gebaande paden. Nadat Oek de Jong ook zijn prijs heeft gekregen, om die arme witte mannen gerust te stellen dat we hen nog niet zijn vergeten. Sommige van mijn beste vrienden zijn oude witte mannen, wou ik maar zeggen.
En ik bedank ook de vele vrienden die nu in de zaal zitten.