Conservator Dick Welsink was zó goed dat hij soms publicaties achterhaalde die de schrijvers zelf het liefst vergeten zouden zijn

Deze maand is het twee jaar geleden dat Dick Welsink overleed. Hij was geen schrijver, maar wel iemand die een rol gespeeld heeft in de Nederlandse literatuur. Eerst als iemand die zo nauwkeurig mogelijk literaire feiten verzamelde, later als bezield pleitbezorger van een vorm van letterkunde waar sommige serieuze critici de neus voor ophalen. En dat alles deed hij bijna veertig jaar lang vanuit het Literatuurmuseum. 

Op woensdag 14 februari 2018, om 10.00, had ik mijn kennismakingsgesprek met Dick Welsink. Ik was toen net twee weken in dienst van het Literatuurmuseum, en ik voerde gesprekken met de medewerkers van de afdeling om erachter te komen wat er speelde, wat men van mij verwachtte, en wat ik van hen kon verwachten. Dick begon het gesprek met de mededeling: ‘Over één jaar, zes maanden en acht dagen ga ik met pensioen.’  


Ik vond dat een opmerkelijke boodschap, niet omdat iemand niet naar zijn pensioen zou mogen uitkijken, maar omdat hij het met een vrolijke twinkeling in de ogen zei, die allerminst suggereerde dat hij niet kon wachten. Hij had me dan ook op het verkeerde been gezet. Dit was geen staaltje minimalistisch arbeidsethos, maar het bewijs van zijn nauwkeurigheid. Dat ontdekte ik al snel: voor Welsink was zorgvuldige vastlegging het hoogste. Hij begon zijn carrière bij het museum in 1984 niet voor niets als ‘bibliografisch medewerker’, en hij was goed in zijn werk. Het vraagt het oog van de liefhebber en de kenner om te zien hoeveel werk, kennis, onderzoek, geduld en uithoudingsvermogen nodig is voor de bibliografieën en registers in een Schrijversprentenboek. Welsink was zó goed dat hij soms publicaties achterhaalde die de schrijvers zelf het liefst vergeten zouden zijn. De kaartenbakken met de Mededelingen van de Documentatiedienst zijn nog steeds een betrouwbare bron voor literaire data: Welsink noteerde nooit iets zonder dat hij daarvoor het bewijs in handen had, of ten minste: zelf gezien had. 


 


Op neerlandstiek.nl memoreert oud-collega Arie Pos hoe ver Welsink daarin kon gaan. Van Reijnier Flaes (schrijversnaam F.C. Terborgh) wist Welsink alleen dat die in Portugal was overleden, maar waar precies? In zijn woonplaats? Een ziekenhuis elders? Wanneer Pos een keer naar Portugal reist, krijgt hij een zoekopdracht van Welsink mee. Of hij de overlijdensakte van Flaes/Terborgh kan opzoeken: 


Bij het bevolkingsregister in Lissabon wachtte ik uren op mijn beurt, om te vernemen dat ik formulier zo-en-zoveel moest invullen met opgaaf van de reden van mijn informatieverzoek en in moest leveren met een kopie van mijn paspoort. Het formulier kon ik bij een ander loket (wachten) aanschaffen en fotokopieën konden ter plaatse niet worden gemaakt. Een dag later leverde ik het ingevulde formulier in met de paspoortkopie en drie dagen later kon ik de gewaarmerkte kopie van de overlijdensakte komen ophalen.  

Opmerkelijk genoeg bleek in die akte nog een foutje te staan dat niet aan Welsinks aandacht ontsnapte, en dat genadeloos werd vastgelegd op de documentatiekaart. Wat uit dat verhaal blijkt is niet alleen zijn grondigheid, maar ook dat zijn speurzin blijkbaar aanstekelijk werkte. Welsink had er plezier in om de kleinste kwesties op te lossen, en wist dat plezier over te dragen.


 

 


De Mededelingen van de Documentatiedienst verdwenen en Schrijversprentenboeken verschijnen nog maar zelden. Dat had wel als voordeel dat, naast de nauwkeurigheid, nu ook de twinkeling in zijn ogen meer kans kreeg zich te uiten. Welsink was namelijk een groot liefhebber van de lichte letteren, en van de literatuur van de negentiende eeuw. Die benaderde hij met evenveel plezier en humor als het documentatiewerk, en hij was altijd bereid de historische lichte literatuur met bezieling te verdedigen, zoals blijkt uit zijn inleiding bij een bibliografie van De Schoolmeester: ‘Populariteit wordt in de Nederlandse letterkunde niet op prijs gesteld. Vandaar waarschijnlijk de geringe aandacht in de literatuurgeschiedschrijving voor die auteurs van wie de boeken herdruk op herdruk beleefden.’

Voor die liefde kreeg hij in het Literatuurmuseum alle ruimte, bijvoorbeeld in een tentoonstelling over ‘Lichte letterheren’ die hij met Aad Meinderts samenstelde, of een over voetbal, ‘Literatuur met een doel’, waarvoor hij een heel ander soort bibliografie samenstelde, niet gericht op volledigheid, maar op verrassing- en amusementswaarde. 

 

 


Ondertussen was ‘de dood en de letteren’ een onderwerp dat Welsink altijd heeft beziggehouden – Jeroen Brouwers noemde hem ‘mijn immer benaderbare mortefiele vraagbaak en hulpverlener’ in een verhaal voor het liber amicorum dat Welsink bij zijn pensioen kreeg. Welsink maakte lijstjes van de oudste schrijvers van Nederland onder de kop ‘Still going strong’ – want ook dit thema was er een om met lichtheid te benaderen. In hetzelfde vriendenboek memoreert C.J. Aarts Welsinks fascinatie met de dood. Welsink werkte mee aan Aarts’ Letterkundige Almanak en produceerde daarvoor: 

 

Lijstjes met oudgeworden schrijvers, jonggestorven schrijvers, door eigen hand gestorven schrijvers, vermoorde schrijvers, gesmoorde schrijvers, doorboorde schrijvers, omgekomen schrijvers, schrijvers die getrouwd waren met een vrouw met één been, literaire dynastieën, vergeten schrijvers, versleten schrijvers, schrijvers die waren overleden in de jaren 1885, 1940 t/m 1945 en 1979 t/m 1995, schrijversvrouwen, schrijversmannen, schrijversweduwen en -naars, literaire cafés, jubeljaren, eeuwelingen, de oudste tijdschriften, de oudste schrijvers, enz. 

 

In die almanak werden ook de literaire prijzen bijgehouden, en ook daar nam Welsink de informatie die hij kreeg niet zomaar voor waar aan. Zo had hij vernomen dat Marten Toonder de Stripschapprijs had geweigerd – en hij wilde graag op een originele manier een toelichting van Toonder, en vroeg om een tekening. 


 

 


Overigens stond in de Almanak van 1983 Toonder als laureaat van de Stripschapprijs vermeld, zonder toelichting. De zeer betrouwbare bron had hem in de steek gelaten. 

Het hoeft niemand te verbazen dat Welsink overlijdensadvertenties verzamelde – en al gaat het te ver om te zeggen dat hij het overlijden van een schrijver met enthousiasme vernam, wanneer iets afgerond kon worden, deed hem dat toch altijd een soort van genoegen. 


Op het LiteratuurLab is veel van Dick te lezen. Vaak was hij onvermoeibaar bezig literaire puzzels op te lossen. Zoals de vraag: ‘Wie is Lodewijk van Maelstede’, een veelbelovende dichter die het slechts bij één bundel heeft gehouden. Een speurtocht die hem uiteindelijk leidt naar een zekere ‘Broeder Guido’. Hij schreef ook over Johnny Hoes, die teksten van Piet Paaltjens zingt, over de bijdragen van Kees Stip aan conferences van Wim Kan (‘zonder grapje van Stip is Kans praatje wat sip’). Over Arendsoog, Patty Scholten, Tom Poes. En over Daan Zonderland – over wie hij enkele weken voor zijn dood nog met aanstekelijk plezier vertelde op de radio. ‘Of ik weer zal schrijven, weet ik niet’, citeerde hij de oude dichter.


Dick Welsink zou zelf niet meer schrijven; hij overleed op 24 augustus 2024. Dankzij zijn bijdragen aan het LiteratuurLab is zijn hoekje in de literatuurgeschiedenis gegarandeerd.

 

W.A.M. de Moor en Dick Welsink tijdens het bezoek aan het graf van J. van Oudshoorn, 2001. Collectie: Literatuurmuseum