Op woensdag 14 februari 2018, om 10.00, had ik mijn kennismakingsgesprek met Dick Welsink. Ik was toen net twee weken in dienst van het Literatuurmuseum, en ik voerde gesprekken met de medewerkers van de afdeling om erachter te komen wat er speelde, wat men van mij verwachtte, en wat ik van hen kon verwachten. Dick begon het gesprek met de mededeling: ‘Over één jaar, zes maanden en acht dagen ga ik met pensioen.’
Ik vond dat een opmerkelijke boodschap, niet omdat iemand niet naar zijn pensioen zou mogen uitkijken, maar omdat hij het met een vrolijke twinkeling in de ogen zei, die allerminst suggereerde dat hij niet kon wachten. Hij had me dan ook op het verkeerde been gezet. Dit was geen staaltje minimalistisch arbeidsethos, maar het bewijs van zijn nauwkeurigheid. Dat ontdekte ik al snel: voor Welsink was zorgvuldige vastlegging het hoogste. Hij begon zijn carrière bij het museum in 1984 niet voor niets als ‘bibliografisch medewerker’, en hij was goed in zijn werk. Het vraagt het oog van de liefhebber en de kenner om te zien hoeveel werk, kennis, onderzoek, geduld en uithoudingsvermogen nodig is voor de bibliografieën en registers in een Schrijversprentenboek. Welsink was zó goed dat hij soms publicaties achterhaalde die de schrijvers zelf het liefst vergeten zouden zijn. De kaartenbakken met de Mededelingen van de Documentatiedienst zijn nog steeds een betrouwbare bron voor literaire data: Welsink noteerde nooit iets zonder dat hij daarvoor het bewijs in handen had, of ten minste: zelf gezien had.