Een ingewikkelde ménage à trois: J.C. Bloem, Clara Eggink en Jan Campert in kunstenaarsdorp Kijkduin

Wat is er vandaag nog over van historische literaire plekken? In deze serie reist Christiaan Weijts door het land met foto’s uit het archief van het Literatuurmuseum en schiet die ‘opnieuw’. Deze keer: de villa van J.C. Bloem, Clara Eggink en Jan Campert in het ‘kunstenaarsdorp’ Kijkduin.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Er staat een Porsche Cayenne, wit als porselein, voor het huis waar J.C. Bloem gewoond heeft in Kijkduin. Eerlijk gezegd heb ik nooit geweten dat hij zich hier, tien minuutjes fietsen van mijn eigen huis, heeft opgehouden. Maar tussen 1935 en 1940 verbleef hij hier zelfs op verschillende adressen.

Kijkduin blijkt in die jaren een kleine kunstenaarskolonie te zijn geweest, met schrijvers, architecten, dichters en schilders. Van het Zeeuwse Domburg of het Noord-Hollandse Bergen is die reputatie bekend. Dat waren de poldervarianten van het Franse Barbizon. Maar Kijkduin? Dit kleine kustdorp, als stadswijk geannexeerd door Den Haag, stond na de oorlog vooral bekend als kalme ‘familiebadplaats’ tegenover het schreeuwerige Scheveningen. 

 

J.C. Bloem, Aya Zikken, Clara Eggink en Frans van der Woude, 1963. Fotograaf: Johan van der Woude. Collectie: Literatuurmuseum

 

De boulevard, de afgelopen jaren een bouwput, is helemaal gerenoveerd en beleeft dit jaar het eerste strandseizoen na de metamorfose. De speelboot en de vuurtoren – bakens van nostalgische herinneringen – zijn teruggebracht. Volgens het ‘masterplan’ hebben we hier ‘een perfecte mix van unieke retail, horeca, fun en wonen’ en wordt hier ‘het verleden tot leven gebracht’. Maar met dat kunstenaarsverleden loopt de citymarketing bepaald niet te koop. Terwijl Jan Campert hier woonde, zoon Remco Campert er een deel van zijn kindertijd doorbracht. Ook Clara Eggink vertoefde jarenlang in de badplaats. Er waren de schilders Jan Lodeizen, Kurt Schwitters, Lajos d’Ébneth, Hannah Höch. De architecten Jan Duiker en Bernard Bijvoet ontwierpen zelfs de villawijk. Allemaal waren ze voor korte of langere tijd Kijkduiners. Net als de grote J.C. Bloem dus.  

 

Mijn aandacht was getrokken door een brief die het museum heeft verworven, aan J.M.C. (Miep) Bouvy, die Bloem haar proefschrift over het werk van Geertruida Bosboom-Toussaint had gestuurd. Het antwoord van Bloem bevat een klein onthullinkje. Terwijl hij heeft toegezegd een lezing over Bosboom-Toussaint te geven, biecht de schrijver op dat hij ‘nooit een letter’ van ‘mevrouw B.T.’ gelezen heeft (op een kleine novelle na). Hij is als een ‘beteuterde David’ die opkijkt tegen haar, ‘een Goliath op B.T.-gebied’.

 

Brief van J.C. Bloem aan J.M.C. (Miep) Bouvy, 1935. Collectie: Literatuurmuseum

 

Apart, maar niet wereldschokkend. Ik heb ook nooit een letter van mevrouw B.T. gelezen. En trouwens: hakte David zijn tegenstander niet juist de kop af? Nee, mij intrigeerde vooral het handgeschreven adres boven de getypte brief: Scheveningselaan 109

 

Eenvoudig te vinden was het adres allerminst. Volgens Google Maps bestaat het gewoon, maar als ik er aankom – bescheiden witte bungalows achter hekken en heggen – is nummer 109 onvindbaar. Een man zet zijn elektrische snoeischaar af en legt uit dat ik verderop moet zijn. ‘Ze hebben de naam ooit veranderd. Westkapellelaan. Zo heet het nu.’

 

Een garage en Porsche had Bloem destijds niet

 

Ook daar weinig poëzie. Of je moet de nieuwe straatnaambordjes van de gemeente als experimentele gedichten opvatten. Die hebben sinds kort allemaal een verklarend onderschrift. Dus lees ik hier: ‘Westkapellelaan – De Nederlandse badplaats Westkapelle.’ In de Vogelwijk tref je vergelijkbare bordjes aan, zoals ‘Kiplaan – De vogel van die naam’, en onderweg hierheen: ‘Lobelialaan – De bloem van die naam.’  

 

J.C. Bloem – de dichter van die naam – woonde dus aan de huidige Westkapellelaan, maar waar? Ergens onder een van deze fraaie rietgedekte villa’s. In het archief heb ik een foto gezien, herinner ik mij, en als ik afstap kan ik die zelfs op mijn telefoon tevoorschijn halen.

 

Een paar keer knipper ik met mijn ogen. Het kan niet missen. Stomtoevallig sta ik exact op hetzelfde punt als vanwaar de foto is genomen. Althans, de contouren van de villa staan nog overeind. Het dak is nog (of weer) van riet. Verder lijkt het pand steen voor steen te zijn gerenoveerd. Het gazon vervangen door een praktische tegeltuin. Onder de uitbouw is nu een helling naar een ondergrondse garage.  

 

Een garage en Porsche had Bloem destijds niet. Sterker nog: hij nam ’s ochtends de bus naar zijn administratieve baantje bij het departement Sociale Zaken. Salaris: 1500 gulden, de helft van wat hij gewend was als rechtbankgriffier te vangen. Dat lees ik in de biografie door Bart Slijper, Van alle dingen los (2007), die het hoofdstuk over de Kijkduinse periode opent met: ‘Wat nu begint is een zwerftocht van de ene naar de andere verblijfplaats: huizen, kamers, pensions en altijd voor zolang het duurt.’ Gelukkig is hij in deze periode bepaald niet. Hij is stevig aan de drank, heeft weinig geld en zijn huwelijk met de bijna twintig jaar jongere schrijver Clara Eggink loopt op de klippen.  

 

Aanvankelijk woont Bloem alleen met zoon Wim en een huishoudster aan de Scheveningseweg. Een jaar later trekt Eggink toch weer bij hem in, om kort daarop te trouwen met journalist, schrijver en latere verzetsman Jan Campert. Omdat Bloem geen geld heeft, nemen Eggink en Campert het huis over, met zoon Remco erbij. Bloem verruilt de villa in de duinen vervolgens voor een kamer in het Haagse centrum, die hij weer huurt van actrice Joekie Broedelet: de ex van Jan Campert en Remco’s moeder.  

 

J.C. Bloem en Clara Eggink met hun zoontje Wim, 1930. Collectie: Literatuurmuseum

 

Clara Eggink over literaire roddels en ‘dat gepubliceer van zaken die niks met letterkunde te maken hebben’

Een hecht netwerk, zullen we maar zeggen, en Bloem komt ook nog vrijwel dagelijks bij Eggink, Campert en kinderen Wim en Remco over de vloer, om zijn zoon te zien, ‘en om te eten’, meldt Slijper. Gelukkig dat deze villa dus ruim is. Met zo’n ingewikkelde ménage à trois, en gezinnen die je nu ‘samengesteld’ zou noemen, was dat wel nodig.  

Later, in 1937, krijgt Bloem loonsverhoging en verhuist hij naar een ruimere villa op Duinlaan 143. Ook Clara en Jan trekken daar geregeld in, omdat ze hun eigen woning vaak verhuren als vakantiewoning. In de digitale wandeling die je door Kijkduin kunt maken, is dit de enige verwijzing naar het artistieke verleden. Hier wordt het vermeld als geboortehuis van Remco Campert, maar dat lijkt niet juist. Zijn eerste levensjaren bracht hij door aan de Beeklaan en daarna aan de Hooikade, bij zijn moeder.   

In Verloop van jaren (2015), zijn autobiografische ‘poëtische notities’ schrijft Remco Campert over deze tijd.  
 

Op een dag ging ik uit  
betrad ik de wereld  
die roze, blauw en groen was 
en mijn ouders gelukkig 
ik heb nog een foto, een kiekje  
waarop mijn vader me vasthoudt  
wankele kleuter in het groene gras  
van de tuin in Kijkduin 
heel onschuldig 
 
Later kwam de schuld 
mijn vader zat niet stil 
en mijn moeder wilde nooit meer trouwen 

 

De woning aan Duinlaan 143 staat er nog, in de oorspronkelijke staat. Zo lijkt het, als je voorbij de hekken en het groen kijkt. Aan deze paar slingerende lanen voelt het huidige Kijkduin ineens ver weg. Hier kun je eventjes de sfeer proeven die in plaatsen als Domburg, Laren of Bergen veel sterker aanwezig is. In Bergen aan Zee heb je werkelijk het idee dat Adriaan Roland Holst, Charley Toorop, Lucebert of Herman Gorter zo voorbij kunnen wandelen.   

 

Jan en Remco Campert voor de woning aan de Duinlaan 143 in Kijkduin omstreeks 1931. Collectie: Literatuurmuseum

 

Waarom heeft Kijkduin nooit de allure van kunstenaarsdorp gekregen? Een deel van de verklaring is dat de helft ervan in de oorlog gesloopt is bij de bouw van de Atlantikwall. Maar de kunstenaars waren ook geen echt hechte gemeenschap, zo blijkt uit een boekje dat Pauline Bloemsma, Sjoerd van Faassen en Michiel Morel erover schreven: Een bezield dorp? (2006). Het vraagteken is veelzeggend.

 

In Kijkduin was niet een samenbindend ideaal, en de invloed van deze plek op de kunstgeschiedenis was ook gering. Bloem, Eggink, Campert? ‘Hun verblijf was toevallig en berustte louter op de aanwezigheid van betaalbare woonruimte.’ Voorzichtig besluiten ze dat de verwikkelingen wel ‘een beetje’ leken op ‘een Haagse vorm van bohème’. ‘Enige bezieling vertoonde Kijkduin dus wel.’ 

 

Tsja. Ik snap ook wel dat men zo’n conclusie niet levensgroot op de borden van citymarketing drukt. Maar dat van dit alles vrijwel niets te lezen is op de historische wandelroute die vorig jaar, in 2025, is onthuld, is op z’n zachtst gezegd bizar.  

Misschien was het te ingewikkeld om alles in één wandeling samen te vatten: al die verhuizingen, al die relaties over en weer. En dan heb ik nog niet eens vermeld dat Jan Campert en Clara Eggink gauw weer zouden scheiden, waarna Campert ervandoor ging met… de zus van Bloem.  

 

Clara Eggink, Jan Campert en J.C. Bloem. Collectie: Literatuurmuseum

 

Waar woonde Bloem allemaal? Ach, hij wist het zelf ook niet precies, lees ik in de biografie, in een passage over zijn overmatige alcoholgebruik in die tijd: ‘Het gebeurde eens dat Bloem met een taxi naar huis ging en later weer werd teruggebracht omdat hij zijn adres niet meer wist.’ 

 

En toch. In Leiden hangt een plaquette op de plek waar J.C. Bloem ook vijf jaar woonde, als hbs’er op kamers. Diezelfde stad heeft een muurgedicht van hem. In Zutphen – de plaats waar hij ná Kijkduin heen ging – wordt zijn werk af en toe voorgedragen op ‘Bloemlezingen’ en een heuse ‘Bloemdag’. En hij heeft er een muurgedicht. In Amsterdam zijn ze domweg gelukkig met één dichtregel in acht talen in de Dapperstraat. 

 

Is er in Kijkduin niet één muurtje beschikbaar voor een mooi gedicht? Van de poëzie die hij hier schreef zijn er acht regels die zijn stemming van zijn jaren aan de kust het beste samenvatten. Of ze ook stroken met het gejuich uit het ‘masterplan’ – ‘future-proof’, ‘365 dagen zintuigen prikkelend’ – kun je je afvragen. Maar ik zie ze wel voor me. Het liefst heel groot op een van die nieuwe torens, goed leesbaar vanaf het strand. 

 

Avondduinen

 

Met de’ avond worden de duinen eenzamer, 
Luider aanhoudend wordt het zeegeruis, 
Een schip de van 't omheen vervreemde kamer, 
Een alleen eiland het geluidloos huis. 

Eenzamer dan de duisterende paden, 
Die van huis naar 't eeuwig ruisen gaan, 
Is 't hart dat, onherroepelijk verraden, 
Elken dag weer van niets moet voortbestaan. 

 

J.C. Bloem, Clara Eggink en Tonny van der Horst in het duin, jaren 40. Collectie: Literatuurmuseum