Een schrijverskwartet met tien mannen en één vrouw: Hannes Meinkema

In het archief stuit Alma Mathijsen op een merkwaardig schrijverskwartet uit de jaren tachtig. Tussen Gerard Reve, Jan Wolkers, Harry Mulisch en Jan Cremer duikt slechts één vrouw op: Hannes Meinkema. Gefascineerd duikt Alma in haar werk en leest een stapeltje openhartige brieven van de schrijfster aan Boudewijn Büch. ‘De weg naar de hel loopt bij mijn weten niet via korte galgenwaters’.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

‘Heb jij van de serie Jan Cremer de kaart Made in USA?’ 

‘Even kijken.’ 

‘Het is de kaart waarin hij zijn hand in de onderbroek van een wulpse dame steekt. Ik weet al hoe die eruitziet.’ 

‘Met die bolle buik van Cremer?’ 

‘Die kaart kan dus echt niet.’ 

‘Ja, die heb ik!’  

‘Ha, geef die snoeperd maar aan mij.’ 

‘Blij dat ik ervan af ben.’ 

Ik speel het Schrijverskwartet met mijn beste vriend. Uitgebracht door uitgeverij Loeb in 1980. Tekeningen door Huug Schipper. Meer dan dat weten we niet. Omdat ik naar de juiste kaart heb gevraagd mag ik nog eens. 

‘Heb jij voor mij uit de serie Jan Wolkers de kaart Groeten van Rottumerplaat?’ 

‘Ja hoor, hier heb je Wolkers in een speedo met een zeehond in zijn armen.’ 

‘Ha, serieus?’

 

 

Als ik de kaart in handen heb zie ik inderdaad een forse variant van Wolkers in zee staan met een gezellige zeehond tegen zijn buik. We verbazen ons telkens opnieuw bij iedere kaart die we uitwisselen. En misschien nog wel het meest om het ontbreken van vrouwelijke auteurs. Van de elf schrijvers is er maar één vrouw. En het frappante is dat we allebei nog nooit van haar hebben gehoord. Gerard Reve kennen we, Jan Wolkers kennen we, W.F. Hermans kennen we, Kees van Kooten kennen we, S. Carmiggelt kennen we, Remco Campert kennen we, Maarten ’t Hart kennen we, Jan Cremer kennen we, Harry Mulisch kennen we, Janwillem van de Wetering kennen we amper, maar wie we helemaal niet kennen is Hannes Meinkema. Heel even dacht ik nog dat het misschien ook een man was en er niet één vrouw voorkwam in het Schrijverskwartet.  

‘Dan mag ik er nog een! Ik wil nu wel iets van die geheimzinnige Meinkema.’ 

‘Welke wil je dan?’ 

En dan is er koffie!’ 

‘Fout!’ 

Een lichte schaamte daalt in. Ik ken het werk van bijna alle mannen uit het kwartet, ik heb van de meesten een groot deel van hun oeuvre gelezen, van sommigen zelfs alles, maar de enige vrouw in het kwartet ken ik niet.  

‘Mijn beurt! Ik wil weten hoe Twee vrouwen van Mulisch eruitziet in dit spel.’ 

‘Ik moet plassen.’ 

‘Niet nu!’ 

Ik ga toch, alleen om de reden dat ik dan Hannes Meinkema kan opzoeken. Met mijn broek nog aan ga ik op de bril zitten. Meinkema had die naam bewust gekozen. Ze probeerde met een mannelijk ogende naam misogyne recensenten op het verkeerde spoor te zetten. Hoewel er meer dan honderdduizend exemplaren van haar roman En dan is er koffie (1976) werden verkocht, kon ze de kritiek niet ontwijken. In werkelijkheid heette ze Hannemieke Stamperius. Ze bracht talloze romans en verhalenbundels uit onder pseudoniem.  

 

Hannes Meinkema tijdens de lezing 'Het laatste woord over: de vrouwelijke stem', georganiseerd door SLAA in De Balie, Amsterdam, 1986. Collectie: Literatuurmuseum

 

‘Kom nou! Altijd als het mijn beurt is moet je naar de wc.’ 

Met een volle blaas keer ik terug. 

‘Hannes is een vrouw! Een vrouw in schaapskleding!’ 

‘Zij doet er nu niet toe. Ik wil Twee vrouwen.’ 

‘Dat boek van haar dat jij niet in handen hebt, was een feministische klassieker. Iets wat iedereen in die tijd kende. Er kwam een abortus in voor. Wat nog steeds zeldzaam is in onze literatuur.’ 

Terwijl ik doorhamer over mijn nieuwste obsessie, zoek ik tussen mijn kaarten. 

‘Gatver, ik heb hem.’ 

Twee vrouwen met een laag decolleté en volle borsten kijken me aan, allebei hebben ze het gezicht van Harry Mulisch. Ik heb geen zin meer in het spel. 

 

 

Die nacht nog stuif ik door alle betaalmuren heen om zoveel mogelijk over Hannes Meinkema te lezen. In 2023 werd En dan is er koffie opnieuw uitgegeven door Prometheus. Volgens Emma van Meijeren in De Groene Amsterdammer heeft het boek de test van de tijd doorstaan:

 

Al vanaf de titel is de roman een aanklacht tegen burgerlijkheid, een slogan ontleend aan een Douwe Egberts-reclame waarin het gezin zich aan het einde van een bewogen dag herenigt aan tafel met een kopje echte koffie, het bindingsmiddel van het gelukkige gezin. Uiteraard is het gezin in En dan is er koffie, net als de meeste gezinnen, niet zo gelukkig als in de Douwe Egberts-reclame.

 

‘Hannes is een vrouw! Een vrouw in schaapskleding!’

 

‘Och Boudewijn, schrijf mij toch niet van zulke verschrikkelijke eenzaamheid blijk gevende brieven’

Als ik de volgende dag wakker word is mijn obsessie nog niet geslonken. Het Literatuurmuseum blijkt een eenzijdige briefwisseling te hebben tussen Hannes Meinkema en Boudewijn Büch. Alleen háár brieven liggen in het archief. Ze ondertekent meestal met ‘liefs, Hannemieke’ en een vette streep eronder. Ook al moet Büch iets publiekelijk hebben geschreven over haar wat niet mals was. Ze schrijft hem: 

De weg naar de hel loopt bij mijn weten niet via korte galgenwaters en mijn goede voornemens zullen zich omzetten in vriendelijke woorden bij het aanschouwen van je gezicht. [...] Zand erover, de inkt is droog en ik praat erover als je dat wilt. 

 

Brief van Hannemieke Stamperius aan Boudewijn Büch, 1975. Collectie: Literatuurmuseum

 

Wellicht gaat het over een vernietigende recensie van Büch over de dichtbundel Het persoonlijke is poëzie (1979) met de titel: ‘’t Zit niet goed bij Hannes’, al kan ik dat niet met zekerheid stellen. Büch schrijft daarin:  

 

Kots- en kotsmisselijk ben ik geworden van de voosheid in de te bespreken bundel. Een rariteitenkabinet wordt opgevoerd van de mannelijke soort, van de poëzie en van de taal. Deze bundel is geen verdriet meer. Deze bundel is kitsch. [...] Het plakkerigste boek dat ik de laatste jaren in handen heb gekregen en tevens een bundel die de feministische beweging – helaas!, helaas! – een heel slechte dienst bewijst. En dat laatste vind ik nog het allerverdrietigste. 

 

Dat zij in haar brief reageert op iets wat hij over haar geschreven heeft is een gegeven. Dat ze daar zo coulant en vriendelijk mee omgaat spreekt voor haar. In diezelfde brief vraagt ze hem zelfs om hulp bij het zoeken naar een eerste druk van de dichtbundel Penthesileia van Hendrik Marsman. In 1977 is ze gepromoveerd op zijn verzen.  

 

Ik weet niet of ik het Schrijverskwartet toch ook dankbaar moet zijn. Want zonder het seksistische spel had ik Hannes Meinkema nooit ontdekt

 

Tientallen kaarten heeft ze aan Büch gestuurd, die ze helaas maar soms van een datum heeft voorzien. Ze is bloedeerlijk in haar brieven, ze maken me vaak aan het lachen. 

 

Wat mij betreft: het proefschrift is af; ik kan weer lopen (doch niet rennen, dansen, mij onbelemmerd op straat bewegen e.d); één van mijn verhalen gaat opgenomen worden in een schoolbloemlezing; en ik zie mij plotseling met grote duidelijkheid gesteld voor de opgaaf om op te houden met roken (Roken mag nog wel, natuurlijk) – hetgeen me nogal knorrig maakt. 

 

Ik neem aan dat ze daarmee bedoelt dat ze nog wel mag blowen van zichzelf. In de laatste brief die bewaard is gebleven schrijft Meinkema:  

 

De wetenschap (weekschap, schrijf jij) dat het je slecht gaat naar lichaam en ziel stemt mij te triesten maar bedenk dit: houd nog drie maanden vol en je zult zes maanden achter de rug hebben. Keep floating – en waarschuw me als ik je, door een tocht te ondernemen naar een adres waar je je (zij het gebrekkiglijk) bevindt, kan plezieren.  

 

Het onvoltooide spel ligt weken later nog op tafel. Ik spreid het pak kaarten met mijn vingers. Naamloze vrouwen hangen naakt of halfnaakt om de mannelijke schrijvers heen, al dan niet met gretige handen van mannen in hun onderbroek. Ik zoek net zo lang door tot ik de kaart vind van En dan is er koffie. Meinkema zit rechtop in bed, een kop koffie in handen, haar borsten steken boven de dekens uit.  

Ik weet niet of ik het Schrijverskwartet toch ook dankbaar moet zijn. Want zonder het seksistische spel had ik Hannes Meinkema nooit ontdekt. Waarom uitgeverij Loeb er voor koos bijna uitsluitend mannen af te beelden, er waren genoeg vrouwelijke auteurs om uit te kiezen, is geen raadsel. Boudewijn Büch kan ik dankbaar zijn dat hij de correspondentie heeft bewaard. Ook al heeft hij haar ook onnodige klappen uitgedeeld.