Margaretha Ferguson: ‘Hoe langer ik in Holland woon, hoe meer ik “uit Indië” kom’

Margaretha Ferguson groeide op in Nederlands-Indië, keerde terug naar Nederland om vervolgens met pen en papier in de aanslag het verleden te vatten tijdens haar vele reizen door Indonesië. Thomas Heerma van Voss verdiept zich in haar literaire nalatenschap, met thuisloosheid als terugkerend thema. 

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

‘Reizen door Indonesië,’ schrijft Margaretha Ferguson in haar krasserige handschrift, dat is ook een ‘reis door het verleden’. Deze opvallende zin staat in haar persoonlijke aantekeningen, die opgeslagen liggen in het Literatuurmuseum. Het is een verzameling soms kleine, verfrommelde papieren, deels bestaand uit enkel steekwoorden die ze tijdens het reizen in de jaren zeventig opschreef, en die ze vervolgens gebruikte voor haar literaire werk. Zoals ‘Ik kan er geen touw aan vastknopen’, waarvan het typoscript ook in de collectie aanwezig is. Deze beschouwing – non-fictie dus, in 1976 verschenen in het populaire blad Bzzlletin – behoort niet tot haar bekendste werk, maar is wel een veelzeggende reflectie op haar leven, haar werk, haar achtergrond. En dus op Indonesië, het land waar Ferguson naar terugkeert. Een reis door het verleden – dat laatste woord onderstreepte ze zelf. Alsof de schrijfster, vertaalster en journaliste zich wilde inprenten hoe belangrijk dat verleden was.

 


Een korte context. Wie het bestaan van Margaretha Dorothea Ferguson overziet, moet concluderen dat zij een leven leidde zonder duidelijk houvast. Of thuis. Haar vroegste jeugd bracht ze door in Arnhem, als kind van twee socialisten over wie Ferguson (1920-1992) later zei dat die haar veel alleen lieten; ze voelde zich eenzaam. Op haar negende verhuisde het gezin naar Nederlands-Indië. Eerst naar Bandung, vervolgens naar Batavia (het huidige Jakarta), waar haar vader een boekwinkel opende. Toen ze negentien was, trouwde Ferguson met zeeman Frits Fleischer, ze kregen drie kinderen en woonden onder meer op Celebes (nu Sulawesi). Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Ferguson met haar dochtertje in meerdere Japanse interneringskampen, en in 1946 keerden moeder en dochter terug naar Nederland. Daar kon Ferguson niet aarden, ze ging in 1948 weer naar Indonesië en werd daar herenigd met Fleischer, ze verhuisden veelvuldig en scheidden, waarna Ferguson in 1950 neerstreek in Den Haag. Daar begon haar schrijverschap.

 

Fergusons werk vloeide – natuurlijk – voort uit haar leven. In 1959 verscheen haar debuut, de verhalenbundel Anna en haar vader, en vervolgens publiceerde ze talloze romans, verhalen, vertalingen uit het Duits, Russisch en Engels, en non-fictie-werken. Tot aan haar onverwachtse dood – ’s nachts tijdens een trip door Vietnam – bleef ze veel reizen en dat deed ze vaak met pen en papier in de aanslag. Thuisloosheid was in Fergusons literaire werk een belangrijk thema.


 

Wie het bestaan van Margaretha Dorothea Ferguson overziet, moet concluderen dat zij een leven leidde zonder duidelijk houvast. Of thuis.

 


In dat licht is het boeiend om haar papieren nalatenschap nader te bekijken. Allereerst omdat die zichtbaar maakt hoe scherp Ferguson keek, niet alleen naar haar omgeving maar ook naar haar eigen woorden die ze al rondreizend noteerde: staccato beschreef ze wat ze at, ondernam, zag, en voortdurend deed ze kleine ingrepen in haar tekst; streepjes met de pen, hier een woordje weg, daar een adjectief erbij. ‘Op het vale gras een de parodie van luxueuze zelfvernietiging,’ staat er dan bijvoorbeeld over haar aankomst in Jakarta. Zo, woordjes wegstrepend, is ze constant bezig haar taal strak te trekken, overigens zonder de fundamenten van haar tekst ergens te wijzigen. Misschien omdat ze die allang had overdacht. Omdat ze die in zekere zin al vanaf haar vroegste jeugd met zich meedroeg.


 


Want dat is het tweede en belangrijkste dat opvalt aan Fergusons papieren: ze raken nauw aan onderwerpen die haar hele leven hebben vormgegeven. Waar kon ze precies geen touw aan vastknopen, zoals de titel van dat Bzzlletin-stuk luidde? In 1973 keerde ze voor het eerst terug naar Indonesië. Pas vanaf dat moment ging ze voluit over dit decor uit haar jongere jaren schrijven, zowel in fictie als in non-fictie: ze publiceerde het reisboek Nu wonen er andere mensen... Terug op Java (1974), een verzameling herinneringen aan de Japanse bezetting getiteld Mammie, ik ga dood (1975), het persoonlijke Elias in Batavia en Jakarta (1977). Wat dit alles duidelijk maakte en wat ook Fergusons aantekeningen illustreren: door naar Indonesië te gaan, dat midden jaren zeventig werd geleid door president Suharto, reisde ze niet alleen naar een veranderd land. Ze reisde terug naar dat verleden.


 

Staccato beschreef ze wat ze at, ondernam, zag, en voortdurend deed ze kleine ingrepen in haar tekst; streepjes met de pen, hier een woordje weg, daar een adjectief erbij.

 


En in dat verleden, zo schrijft Ferguson in ‘Ik kan er geen touw aan vastknopen’, dicteerde het Westen nog zoveel meer dan in het heden. Tijdens haar jeugd heersten ‘eurocentrische opvattingen die in het Nederlands-Indië van de jaren twintig en dertig de overhand hadden’. ‘Het blanke westen maakte de dienst uit maar, wat belangrijker was, het stelde de normen.’ Verderop constateert ze dat het leven in Indonesië, zonder de westerse dominantie, ‘onvaster en bedreigender maar oneindig kleurrijker’ is geworden. Aan dat kleurrijke verbindt ze enige hoop, vooral omdat het land nog zoveel gedaantes kan aannemen: ‘In Indonesië, is alles mogelijk. Miljoenen dollars aan onvoltooide bouwwerken staan in de steigers te roesten, in de vuilnishopen pikken zwervers samen met katten en geiten eetbare resten op, anderen laten in hun marmeren badkuipen gouden kranen monteren. Het beeld dat de mensen-aan-de-macht je willen voortoveren vertoont steeds grotere gaten. Wat er aan een nieuwe werkelijkheid naar buiten zal komen – ik durf het niet te voorspellen.’


 


In deze nalatenschap verhoudt Ferguson zich, kortom, tot een land dat nog geen gestolde vorm heeft aangenomen. Enerzijds is er de toekomst die ze oningevuld ziet opdoemen, anderzijds is er het verleden dat eenmaal in Indonesië steeds duidelijker bij haar opkomt: jeugdherinneringen worden voor het eerst in jaren geactiveerd, vroegere anekdotes komen bovendrijven. Vandaar ook dat ze plots zoveel over deze wereld schrijft. En dat ze rondreizend die aantekeningen maakt. Tijdens een trip naar Jakarta schrijft ze op dat ze wordt overvallen door weemoed: ‘Voor mij persoonlijk was dit een aspect dat ik nog niet zo had ervaren.’ De achterliggende vraag: waar komt die weemoed vandaan? Of eigenlijk: wat voor wereld ziet ze, en hoe ligt het verleden onder de oppervlakte opgeslagen? Waar is Ferguson het meest thuis? Zelf merkt ze later op: ‘Al ben ik dan niet “daar” geboren, hoe langer ik in Holland woon, hoe meer ik “uit Indië” kom.’ In de laatste decennia van haar leven werd dit haar voornaamste literaire thema.

 

De ‘Elcee’: de Literaire Club van Margareta Ferguson in Batavia

Tijdens de reis door Indonesië, medio jaren zeventig, zag ze een omgeving die bruusk veranderd was ten opzichte van het decor van haar jeugd, een land dat volgens haar dringend beschreven moest worden. ‘Er is nog geen magistrale pen geweest (en daarvoor is er één nodig minstens van het formaat van Lev Tolstoj) die een brede schildering heeft kunnen geven van wat er, na de nederlaag tegen Japan in maart 1942, is ontstaan aan chaotische omwentelingen, zowel in militaire, politieke, economische macht als in het daaruit voortvloeiende bewustzijn.’ Je zou kunnen zeggen: dit is vervolgens wat zijzelf in haar literaire werk probeerde, al maakt ze die vergelijking allerminst. Je kunt ook zeker beargumenteren dat zij, die nooit een boek schreef met een Tolstoj-achtige dikte, sowieso veel te dicht bij haar onderwerp en herinneringen stond om daar een ‘brede schildering’ over te (willen) schrijven.


 

Door naar Indonesië te gaan, dat midden jaren zeventig werd geleid door president Suharto, reisde ze niet alleen naar een veranderd land. Ze reisde terug naar dat verleden.

 


De indruk die deze nalatenschap van Ferguson bovenal wekt, is een diep melancholische. Dit zijn de aantekeningen – de flarden, de brokstukken, de losse gedachtes – van een ontworteld iemand, die gevormd is door een koloniaal systeem. ‘Ik heb heimwee, niet naar Nederlands-Indië waar ik van 1929 tot 1946 verbleef inclusief Japans interneringskamp, ik heb een beetje heimwee naar de macabere maar ook absurde jaren 1948 tot 1950,’ schrijft Ferguson in ‘Ik kan er geen touw aan vastknopen’. In het artikel stelt ze meermaals dat ze niet terugverlangt naar ‘het koloniale isolement’ waarin ze is opgegroeid. Haar heimwee gaat over ‘het nieuwe Indonesië’ dat ze ‘door korte verblijven in 1973 en 1976 heel even kon opsnuiven’. Het is een aangrijpend stuk, omdat het laat zien: zelfs toen Ferguson terugkeerde naar het gebied waar ze grotendeels was opgegroeid, wist ze niet goed wat ze zag. Een plek waar het verleden in flarden terugkwam en waar het heden nog geen duidelijke vorm had aangenomen: ‘Die werkelijkheid zal, evenmin als de huidige, kunnen worden gevangen binnen de termen van rationeel westers denken.’

 

Terwijl ze in Indonesië was, verlangde Ferguson er al naar terug, zoals ze haar hele leven bleef verlangen. De slotzin van het stuk dat later gepubliceerd werd en dat tot stand kwam terwijl ze reisde: ‘En daarom vooral – daarom vooral heb ik heimwee naar Indonesië, ook nu.’