Helga zat in de harde, zwarthouten schoolbank, het hoofd op de ellenbogen gestut, en keek naar buiten door het hooge raam van ijzergaas, dat den gehelen oostwand van de klas besloeg. ’t Was tegen elven ’s morgens en drukkend heet. Een paar vliegen zoemden onophoudelijk tegen de kale, witgekalkte muren, om dan plotseling hommend naar den zoldering te snorren en daar te blijven rondcirkelen. Hun monotoon gezoem, het krassen van enkele pennen, hoesten, schuifelen, het kraken van papier en de ietwat vermoeide, sleepende stem van de leraar vervulden het lokaal met irriteerend geroezemoes.



