De ‘Elcee’: de Literaire Club op een middelbare school in Batavia

Het was de plek waar Hella Haasse, Aya Zikken en Margaretha Ferguson elkaar in 1934 leerden kennen: de Literaire Club, beter bekend als de Elcee. Deze gedeelde periode op het Bataviaasch Lyceum verbond de schrijvers voor de rest van hun leven. Conservator Eline Kortekaas duikt in de middelbareschooltijd van deze grandes dames.

Helga zat in de harde, zwarthouten schoolbank, het hoofd op de ellenbogen gestut, en keek naar buiten door het hooge raam van ijzergaas, dat den gehelen oostwand van de klas besloeg. ’t Was tegen elven ’s morgens en drukkend heet. Een paar vliegen zoemden onophoudelijk tegen de kale, witgekalkte muren, om dan plotseling hommend naar den zoldering te snorren en daar te blijven rondcirkelen. Hun monotoon gezoem, het krassen van enkele pennen, hoesten, schuifelen, het kraken van papier en de ietwat vermoeide, sleepende stem van de leraar vervulden het lokaal met irriteerend geroezemoes.  

 

Hella Haasse (1918-2011) zit in ‘III-gym’ als ze dit fragment opschrijft in een schoolschrift. Tijdens het lezen brengen haar woorden het verzengend hete klaslokaal tot leven. Helga, Hella, ik vraag me af of het een en dezelfde persoon is. Als scholiere oefent Haasse haar literaire pen en haar talent blijft niet onopgemerkt. Op de middelbare school wordt ze gestimuleerd in haar schrijverschap en ze is niet de enige. Ook Aya Zikken (1919-2013) en Margaretha Ferguson (1920-1992) worden op deze school aangezet tot schrijven. 

 

Haasse groeide uit tot een van de bekendste schrijvers van haar generatie, maar ook Zikken en Ferguson verdienden hun strepen in de literatuur. In 1997 ontving Zikken de Anna Bijns Prijs voor haar volledige oeuvre, waarvan De atlasvlinder (1958) het bekendste werk werd. Ferguson was niet alleen schrijver, maar ook journalist en vertaler. De vele reizen die ze maakte vormden een rode draad in haar werk. Daarnaast zette ze zich bestuurlijk in voor de literatuur en was ze jarenlang betrokken bij de Raad voor de Kunst.
 

Ik ben nu lid van de Elcee, dat is de Literaire Club en ’t is erg leuk

 

Begin jaren dertig liep Haasse als eersteklasser het Bataviaasch Lyceum binnen, dat deel uitmaakte van de Carpentier Alting Stichting. De ‘CAS’, zoals leerlingen en docenten het noemden, was een scholencomplex aan het Koningsplein in Batavia. Op het terrein stonden een lagere school, een lyceum, een drie- en vijfjarige hbs, een kweekschool en een internaat voor meisjes. Naast dit complex waren er nog twee andere middelbare scholen in Batavia: de Prins Hendrikschool en de Willem III.
 
De CAS stelde hoge eisen aan het kennisniveau, waaronder ook de beheersing van de Nederlandse taal viel, en vroeg een fors bedrag aan schoolgeld. Mede hierdoor was het, in tegenstelling tot de twee andere scholen, een overwegend witte school met leerlingen uit de rijkere lagen van de koloniale samenleving. 
 
Zikken begon aanvankelijk op de Prins Hendrikschool maar werd, tegen haar zin, door haar vader overgeplaatst naar de CAS. Haar vader meende dat ze met haar hoge cijfers meer uitdaging nodig had. Zelf vond Zikken het een elitaire school en was ze bang dat ze er niet op haar plek zou zijn omdat ze ‘de taal niet sprak’. Daarnaast had ze op de Prins Hendrikschool haar hartsvriendin Ferguson ontmoet, maar gelukkig hoefde ze die niet achter te laten. 

 

 

 

Ferguson besloot om met haar mee te gaan. Later schreef ze hierover in Nu wonen daar andere mensen… (1974): ‘Het laatste jaar ben ik pas vandaar naar de CAS gegaan, omdat die zoveel “Europeser” was en de aandacht voor de literatuur op zoveel hoger niveau stond (maar dat was helemaal niet waar, ik gebruikte dat als argument omdat ik op dezelfde school wilde zijn als Aya).’ 
 
Ferguson ambieerde op jonge leeftijd al een journalistieke carrière en besloot om Zikken daarbij te betrekken door een schrijfclubje op te richten. Ze waren toen ongeveer dertien jaar en zaten beiden nog op de Prins Hendrikschool. In een dagboek schreef Zikken hierover: ‘Maar ik heb net geschreven wat de J.T. is. Dat is een afkorting van de Journalistieke Toekomst. Dit is een uitvindsel van Greet. Zij gaat later journaliste worden en tracht mij over te halen. Nu hang ik reeds half in de J.T. Het lijkt me ook wel lollig.’ De Journalistieke Toekomst was een besloten club bestaande uit twee leden, namelijk Zikken en Ferguson, die elkaar hoofdzakelijk fragmenten uit hun dagboeken voorlazen. Maar op de CAS wachtte de twee een bloeiend clubleven.  
 
Leerlingen konden zich onder meer aansluiten bij de Grote CAS-Club en de Literaire Club, ook wel de ‘Elcee’ genoemd. De leden van de Elcee lazen en bespraken boeken en publiceerden daarnaast ook zelfgeschreven gedichten, korte verhalen en opstellen in hun eigen blad dat De Echo heette. Ook organiseerde het bestuur regelmatig lezingen, toneelvoorstellingen, excursies en feestjes. Zikken en Ferguson werden beiden lid van de Elcee, waar ook Haasse deel van uitmaakte.

 

 

 

In september 1934 schreef Zikken in haar dagboek: ‘Ik ben nu lid van de Elcee, dat is de Literaire Club en ’t is erg leuk.’ Diezelfde maand ging ze met een groepje Elcee’ers op excursie naar Tjibodas, nu Cibodas, een botanische tuin in de bergen voorbij Bogor. In het archief van Hella Haase, dat in het Literatuurmuseum samen met de archieven van Zikken en Ferguson wordt bewaard, zit een album met foto’s van dit uitstapje. Zikken, te herkennen aan haar korte bob, zit op een van de groepsfoto’s naast Haasse. Aan de andere kant van Haasse zit Peter John Koets, door leerlingen ook wel ‘Peejee’ genoemd. Koets gaf destijds les in geschiedenis en klassieke talen.
 

In de Elcee was veel ruimte voor het werk van jonge actuele schrijvers. Als scholiere bewonderde Haasse dichters als Hendrik Marsman, J.H. Leopold en J. Slauerhoff. Decennia later schreef ze in Krassen op een rots (1970) hoe zij samen met enkele anderen in het zwembad Tjikini, waar veel leerlingen na schooltijd naartoe gingen, discussieerde over het werk van E. du Perron en Menno ter Braak terwijl hun benen over de zwembadrand in het water bungelden.

 

Op zaterdagavonden hield de club vaak lezingen, die goed werden bezocht door zowel leerlingen als ouders en docenten. Haasses lezing over de Edda riep bij jong en oud bewondering op. Fergusons lezing over Dans van jonge voeten (1935) van C.J. Kelk, dat gaat over een middelbare scholiere die zwanger wordt, viel daarentegen in minder goede aarde. Verschillende ouders uitten openlijk hun kritiek; ze vonden het thema ongepast voor een avond in schoolverband. 

 

 

 

Naast lezingen organiseerde de Literaire Club ook regelmatig schoolfeesten. Haasse was in eerste instantie lid geworden vanwege de ‘fuiven’, maar werd in de laatste jaren van de middelbare school steeds actiever. Ze speelde mee in verschillende toneelstukken en schreef gedichten, (reis)verhalen en boekbesprekingen. Ook kwam ze in de redactie van De Echo terecht en zat zelfs in het bestuur. 
 
De Elcee was de plek waar Haasse, Zikken en Ferguson elkaar leerden kennen, maar zij zaten niet in dezelfde klas. Er ontstond geen hechte vriendschap tussen de drie, maar hun schoolverleden en lidmaatschap van de Elcee was iets wat hen als schrijvers voor de rest van hun leven verbond. In 1985 zond de KRO een interview uit met de drie auteurs, waarbij de CAS het vertrekpunt vormde voor het gesprek. 
 
In het depot van het Literatuurmuseum ligt een gebrande cd met een opname van dit interview. Zodra de cd-rom begint te spelen is het weer even 14 december 1985. Ik luister naar een aflevering van het radioprogramma Spektakel. Haasse en Ferguson zitten in de studio, terwijl Zikken – die op dat moment in Spanje woont – telefonisch wordt geïnterviewd.

 

 

Interviewer Wouter Welling schetst kort wat context. Haasse is als enige in de kolonie geboren, maar Ferguson en Zikken hebben er meer over geschreven. Hij stelt dat De atlasvlinder van Zikken als hoogtepunt in de Indisch-Nederlandse letterkunde kan worden beschouwd. Het programma speelt in op de actualiteit. Enkele maanden voor het interview is er een werkgroep voor Indisch-Nederlandse letterkunde opgericht en in 1986 zal het tijdschrift Indische Letteren voor het eerst verschijnen. 
 
In het gesprek laat Zikken weten dat ze Haasse destijds zo geweldig bewonderde dat ze niet echt bevriend met haar kon raken. ‘Met Hella praatte ik in de pauze zo tussen de bedrijven door, dan zaten we op de wortels van een grote waringinboom, die daar op school stond en dan vertelde ze over de maanden dat ze net in Holland was geweest.’
 
Ze herinnert zich ook hoe Haasse, in tegenstelling tot zijzelf, heel makkelijk praatte en lezingen gaf voor de club.
 
Ferguson vertelt hoe ze in de Elcee onder meer De smalle mens (1934) lazen van Du Perron. Daarnaast relativeert ze het enigszins hoogdravende beeld dat in de loop der tijd van de club lijkt te zijn ontstaan. ‘Je moet dat niet zien alsof dat een heel geweldig intellectueel gezelschap was, maar ik denk dat we een behoorlijke belangstelling hadden voor mensen van onze leeftijd, toen zo’n 16, 17, 18 jaar.’

 

 

Het gesprek waaiert al snel uit. Het gaat nog maar weinig over de middelbareschooltijd en steeds meer over het schrijverschap. De interviewer stelt politieke en maatschappelijke vraagstukken aan de kaak, zoals hun positie destijds als Nederlandse jongeren ten opzichte van de Indonesiërs en de rol van de voormalige kolonie in hun literaire werk. 
 
Voor zowel Ferguson, Zikken als Haasse geldt dat de jaren die zij in Nederlands-Indië hebben doorgebracht van invloed waren op hun schrijverschap. Alle drie verwerkten ze herinneringen aan de middelbareschooltijd in hun literaire werk. Al op jonge leeftijd schreven ze in schoolschriften en dagboeken over de dagelijkse beslommeringen van hun leven als middelbare scholier. In die vroege observaties en aantekeningen vonden ze een uitnodiging om niet alleen feiten, maar ook fictie te verkennen. 
 
Deze gedeelde periode, hoe kortstondig ook, verbond de vrouwen voor de rest van hun leven. Zozeer zelfs dat het radio-interview in 1985 de titel ‘De meisjes van de CAS’ droeg – een benaming die zij zowel letterlijk als figuurlijk waren ontgroeid. Nee, zij waren geen meisjes meer. Zij waren en blijven de grandes dames van de CAS.