Schrijven is ademen en leven: de jeugdverhalen van Sonja Witstein

In 1943 schreef S.F. Witstein de novelle Bekentenis aan Julien Delande, die na haar terugkomst uit Auschwitz werd gepubliceerd bij uitgeverij Contact. Het was haar enige literaire werk, op een handjevol korte verhalen na. Aad Meinderts bekijkt in het archief ongepubliceerd werk dat Witstein schreef tijdens haar onderduik.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wanneer je haar wetenschappelijke publicaties over de zestiende- en zeventiende-eeuwse literatuur buiten beschouwing laat, is S.F. (Sonja Fortunette) Witstein (1920-1978) de schrijfster van één boek: de novelle Bekentenis aan Julien Delande. Haar literaire carrière duurde slechts tien jaar. De rest van haar leven wijdde zij zich voornamelijk aan de wetenschap. Witstein specialiseerde zich in de renaissance en werd in 1975 benoemd tot hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek aan de Universiteit Leiden. Tot 1956 schreef zij ook literair werk. Tien van deze verhalen werden gepubliceerd, vijf bleven in portefeuille en zijn in de collectie van het Literatuurmuseum opgenomen.

Bekentenis aan Julien Delande werd in 1946 gepubliceerd door uitgeverij Contact in de Proloog-reeks. Een jaar later zou in deze reeks ook het dagboek van Anne Frank worden opgenomen. Willem Frederik Hermans, Anna Blaman en W.L.M.E. van Leeuwen waren enthousiast over Witsteins novelle; Blaman had er zelfs ‘liefde en ontzag’ voor en zag het verhaal als ‘een klassieke voltrekking van het noodlot […] op zuiver intellectueel plan’.   

 

Portret van Sonja Witstein. Collectie: Literatuurmuseum

 

Direct na de bevrijding in 1945 had een vriend van Sonja Witstein het boek naar uitgeverij Contact gestuurd. Witstein, Joods, was weggevoerd en de vriend verkeerde in de veronderstelling dat zij vermoord was in Auschwitz. Nog voor de verschijning van Bekentenis aan Julien Delande keerde Witstein terug naar Nederland. Tegen de verwachtingen in had zij het kamp overleefd. De definitieve kopij voor de publicatie is door Witstein zelf vastgesteld. Het oorspronkelijke handschrift van de novelle wijkt dan ook af van de uiteindelijk gepubliceerde tekst.  

 

‘’t Schrijven is geen behoefte voor me, ’t is iets veel ergers, ’t is ademen en leven, ’t is doodgaan en geboren worden’

 

Haar debuut werd in 1986 door Nijgh & Van Ditmar herdrukt, waarna de uitgeverij ook ander literair werk van Witstein wilde gaan uitgeven. Dat was te danken aan een enthousiast leesrapport van Herman de Coninck, die als lector van de uitgeverij Witsteins manuscripten en de in tijdschriften opgenomen verhalen had gelezen. ‘Intelligent en intrigerend’ was De Conincks oordeel en hij bepleitte bij zijn opdrachtgever Nijgh de verschijning van het werk.

 

Destijds werd ik gevraagd om deze verhalenbundel te bezorgen. Onder de titel Pril Arcadië, die de schrijfster overwoog voor een verhalenbundel waaraan ze in 1945 en 1946 voor Contact werkte, werd de uitgave aan de boekhandel aangeboden. Ook het omslag was al gemaakt. Toch zou de voor 1987 geplande bundel Pril Arcadië niet verschijnen. De erven Witstein hadden aanstoot genomen aan de aanbiedingstekst. Hierin werd de relatie waarin nogal wat verhaalfiguren zich tot elkaar verhouden als sadomasochistisch gekenmerkt. De ergernis ofwel het verdriet daarover was zo groot dat de aanvankelijke, mondelinge toestemming tot uitgave werd ingetrokken.

 

Naast één novelle in boekvorm en tien verhalen in tijdschriften en bloemlezingen schreef Witstein vijf verhalen die nooit gepubliceerd werden: ‘Het bedrog’, ‘Green Pastures’ en ‘Zeereis’, geschreven op 22-jarige leeftijd, ‘Treinidylle anno 1942’ (waarvan de eerste versie in 1941 op papier werd gezet) en ‘De luchtballon’. Deze verhalen maakte ze alle vóór 7 juli 1944. De datum waarop zij met haar ouders werd opgepakt. Op 6 september 1944 werden haar ouders in Auschwitz vermoord.

 

Ik bekijk de documenten in het archief van het Literatuurmuseum en vind hiertussen ook een aan één zijde beschreven blad waarop Witstein in handschrift een verhaal is begonnen: ‘M’n wens’, dat sterk afwijkt van de overige verhalen, die als realistisch en psychologisch zijn te kenschetsen. Dit verhaal is gedragen, kent een pastorale setting en heeft kenmerken van een klassieke mythe of volksvertelling. De titel ‘M’n wens’ lijkt met dit laatste dan weer in tegenspraak. ‘Pril Arcadië’ zou beter op z’n plaats geweest zijn. Is dit fragment een aanzet tot dat verloren gegane verhaal? Niet uitgesloten moet worden dat het om een islamitische vertelling gaat, die Witstein mogelijk uit het Frans vertaald heeft. 

 

De herderinnen in Memla zijn nog kinderen. Ze dragen hemdjes tot aan hun knieën en hun zwarte haren zijn niet opgebonden in hun hals. Ze spelen nog met de bal in de ochtend en als de zon op haar laagst staat vlechten ze gras met bloemen onder de bomen van Memla. Wanneer de schemering komt baden ze ongekleed want niemand is er nog die naar hen kijken wil. 

 

Het is opmerkelijk dat alle ongepubliceerde verhalen mannelijke hoofdpersonen hebben. In drie verhalen is die hoofdpersoon een naamloos jongetje van ongeveer zeven jaar, dat een klasgenootje ofwel vriendje heeft: Jan Duffree, voor wie het jongetje bewondering en ontzag heeft. In de drie verhalen omschrijft Witstein het gevoelsleven van het jongetje gedetailleerd, versterkt door rituele handelingen die samenhangen met zijn magisch denken. Zo is hij in het verhaal ‘Green Pastures’ in de ban van Sinterklaas, Klaas Vaak, het kerstverhaal én van Jan Duffree: ‘Weet je dat ik God ben en dat je tegen mij moet bidden?’

 

Lees meer over het literaire werk van Sonja Witstein

De ietwat broeierige verhalen moeten het niet hebben van een plot, maar van een diep peilende verkenning van de psyche van het jongetje. Witstein zoomt in op details – met veel fysionomische observaties –, vergroot deze uit en kent er een psychologische of symbolische betekenis aan toe. Ook worden de drie verhalen gekenmerkt door agressie en geweld, waarover het jongetje veel fantaseert. In ‘De luchtballon’ wordt hij in aanwezigheid van zijn moeder door vijf schooljongens lastiggevallen, die vervolgens het touwtje van zijn ballon doorsnijden. Ondanks deze actie heeft hij bewondering voor de groep: ‘niemand die ook maar een vinger naar hen dorst uit te steken, zelfs al folterden ze kleine kinderen, wat ze ongetwijfeld morgen of overmorgen gingen doen.’ Het jongetje ziet zichzelf als ‘volmaakt, verwerpelijk […], onschuldig, laf, mishandeld, geduldig’. Deze kennis schenkt hem ‘de kwellende bevrediging, waarin hij zich onzegbaar gemarteld zag, door 5 schooljongens omdat hij zo braaf en onnozel was…’

Aan de vriend die Bekentenis aan Julien Delande naar uitgeverij Contact stuurde, vertrouwde Sonja Witstein toe: ‘’t Schrijven is geen behoefte voor me, ’t is iets veel ergers, ’t is ademen en leven, ’t is doodgaan en geboren worden, iets dat een gruwelijke macht over mij heeft en dat ik bidden moet me te blijven onderdrukken en liefst verpletteren.’ Aan haar manuscripten en typoscripten, in veelal verschillende versies met vele correcties en toevoegingen overgeleverd, is de totale inzet van Witsteins schrijverschap af te lezen. Later zou ze haar verhalen afdoen als louter jeugdzonden. Je zou willen dat ze nog vaker gezondigd had.