‘Tjeerd had ik ‘m genoemd’: de eerste brommer van Kees van Kooten

Kees van Kooten en Wim de Bie schreven jarenlang het literaire katern ‘Cebrah’ vol, in de schoolkrant van het Dalton Lyceum. Christiaan Weijts stuitte op een verhaal over Kees z’n eerste brommertje. Een voorstadium van de latere stukjesschrijver, of ís hij hier al een goede columnist?

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

In Dalton Klanken, de schoolkrant van het Dalton Lyceum in Den Haag, schreef Kees van Kooten in 1960 een verhaal over zijn eerste Mobylette. Het is zo geestig, en zit zo vol met tragisch-absurde zelfspot dat je geneigd bent het te lezen als een voorbode. Kijk, hier zie je de latere schrijver al, van die stukjes uit Koot droomt zich af (1977) en Koot graaft zich autobio (1979).


Het is verleidelijk om het zo te zien, en toch denk ik dat het niet helemaal klopt. Je moet het juist omdraaien. Die latere verhalen zijn zo goed omdat hij altijd de onbevangenheid van de schoolkrant heeft weten vast te houden.


Sterker nog: de radio- en televisiesketches van Van Kooten en De Bie waren zo ongeëvenaard goed omdat die twee altijd even argeloos en speels zijn gebleven als toen ze elkaar leerden kennen, op de gangen van datzelfde Dalton. Samen schreven ze het literaire katern ‘Cebrah’ vol, en met hun gelijknamige cabaretgroep traden ze op tijdens de open podia.


 



In het Literatuurmuseum zijn twee exemplaren van Dalton Klanken bewaard gebleven, uit 1959 en 1960. Wim de Bie, twee jaar ouder, was toen al Nederlands gaan studeren (en stopte daar in 1961 mee om ‘radiocabaret’ te gaan studeren in Hilversum). Hij had het hoofdredacteurschap overgedragen aan Kees van Kooten, die gedichten in de schoolkrant schreef en ook de covers illustreerde.


Wanneer ik door die schoolkranten blader, stel ik mij Van Kooten en De Bie voor, ergens in die gangen. Ik zie het gebouw geregeld vanbinnen, omdat mijn zoon (16) er op zit. Honderd jaar oud is het Dalton dit jaar. Vanbinnen is het allemaal nog hetzelfde, het art-deco-glas-in-lood, de granitovloeren, de Nieuwe Haagse School-architectuur. En ergens moet een hok geweest zijn met een typemachine en een stencilapparaat.


Daar verzamelden de jonge schrijvers uitspraken van leraren voor de vaste rubriek ‘De Docentenhoek’. “Dhr. Kruiter: ‘Wees stil of ik lees je cijferlijst voor.’ dhr. Degens: ‘Als je zo’n rattekop wil hebben als ik, moet je krijt vreten.’”


 



Het verhaal van Kees over zijn eerste brommer, ‘Rijwiel met hulpmotor’, ademt in alles die achteloze bravoure van de middelbare schooltijd, al vanaf de openingszinnen:

Het was een uiterst sombere octoberavond anno 1957. Ik was al ruim een maand lang zestien jaar oud, en dus gerechtigd tot het besturen ener rijwiel met hulpmotor. Zo achteloos (en daardoor zo opvallend) mogelijk las ik elke avond de advertentierubriek in de krant die nu al meer dan honderdduizend abonnées telt.

Uiteindelijk stemt Kees’ vader ermee in om naar zo’n winkel toe te gaan. Hier zie je het vakmanschap. Tussen alle ironische zinnen, vol bij- en tussenzinnen, klinkt het af en toe eventjes trefzeker en beeldend: ‘We waren er. Een blote neonétalage. Ik liep er schichtig zes maal langs.’ Vervolgens treffen ze er de ongure eigenaar, van het type dat hij later veel zal vertolken met De Bie.

‘Kijk’, zei de gluiperd, ‘dit is een heel leuk fietsje.’ Hij wees vaag op een Mobylette. Ik schrok. ‘Fietsje’ zei hij? Er zou toch wel een motor bij horen?

Hij koopt de Mobylette en noemt hem Tjeerd, dat rijwiel met hulpmotor, lees ik verderop in het stuk. En blijkbaar is hem dat altijd bijgebleven, want in 2021 blikte van Kooten erop terug in een interview met Onno Blom voor de Volkskrant:


Ik rookte ook een tijdje een pijp. Van Big Ben, zo’n neuswarmertje, en daar zat ik dan mee op m’n mobylette op weg naar school. Als de stroom leerlingen van de meisjesschool me tegemoetkwam, zat ik maar te showen, met m’n pijp en mobylette. Tjeerd had ik ’m genoemd. Die naam had ik op de kettingkast geschreven.


In het stuk in Dalton Klanken is van deze nostalgische toon nog geen sprake. Op droogkomische toon beschrijft Van Kooten vooral de tegenslagen met het voertuig.


En toen begon de ellende. Het goot. Het motortje liep, hoorbaar tegen zijn zin overigens. Het was jammer dat er geen snelheidsmeter op zat, ik schatte de snelheid op +/- 4 km per uur, en dat was dan de maximumsnelheid. Mijn vader reed stapvoets naast me. Hij draaide het raampje open. ‘Zit niet zo veel fut in hè’, riep hij. ‘Nee’, riep ik terug. ‘Misschien moet-ie eerst een beetje draaien’ (er zijn namelijk zo heerlijk veel geruststellende mogelijkheden, als een brommer niet rijden wil). ‘Er zit toch wel benzine in?’ riep m’n vader hoopvol. Wéér een mogelijkheid. Dát zou het zijn. Ik remde…

Dit is geen vóórstadium van een goede columnist, dit ís gewoon een columnist. De dialoog, die ‘heerlijk veel geruststellende mogelijkheden’… De jonge Kees past allerlei stijlmiddelen toe zonder zich er waarschijnlijk van bewust te zijn.


 



Onder de signatuur Kees of K.v.K. schreef Van Kooten niet alleen goede columns, maar ook absurde gedichten en vreemde verhandelingen over ‘poëzie van brie braa broe’. Het kon allemaal. Zo schreef Van Kooten voor een handjevol mensen die hij de volgende dag weer in de gang tegenkwam. Hij deed alsof hij een krant maakte, en juist daardoor werd het iets. Ik ben ervan overtuigd dat de beste literaire en journalistieke tijdschriften – dus die voor volwassenen – tot stand komen uit datzelfde gevoel: ‘zomaar een krantje maken’.


Zelf was ik als scholier geen redactielid van onze schoolkrant (Socius, van het Stedelijk Gymnasium Leiden), maar ik werd wel eens gevraagd een gedicht in te sturen dat ik op een dronken avond op een bierviltje had geschreven. Ik weet alleen nog dat het een sonnet was. En dat de eerste regel als volgt luidde: ‘Nu sterven laatste stemmen in de Leidse nacht.’

Toen ik Nederlands studeerde zat ik wel in de redactie van Meta, het tijdschrift van de vakgroep Nederlands. Daarna maakte ik met een groepje redacteuren het universiteitsblad Mare. Op een zoldertje. Toen ik op Netflix de documentaire zag over The New Yorker, dat – net als het Dalton – dit jaar 100 werd, was mijn eerste gedachte: die zijn altijd een schoolkrantje blijven maken. Schrijven voor mensen die je vaag kent of denkt te kennen. Dat voorkomt dat je in de kramp schiet en ‘perfect’ wilt schrijven.


‘Hij rijdt, hij rijdt, hij rijdt!’


Kort na het bladeren door die Dalton Klanken was ik bij een open podium, in de aula van het Dalton. Mijn zoon – nu precies de leeftijd van Kees op zijn eerste Mobylette – begeleidde er zo’n beetje alle nummers op zijn basgitaar. Ik kon me moeiteloos voorstellen hoe Van Kooten en De Bie hier waren begonnen. En ik dacht aan het einde van het verhaal over dat brommertje. Het is een fragment dat – met de dictie en timing van Kees van Kooten – de hele school aan het schaterlachen kon hebben gekregen.

10 November: Brommer gehaald. Motor nagekeken, kabels vernieuwd, nieuwe krinkeltrippen.

11 November: Rekening ontvangen. f 44.50.

12 t/m 28 November: Hij rijdt, hij rijdt, hij rijdt!

29 November: Hij lekt als ik weet niet wat, maar hij rijdt.

3 December: Nieuwe benzinekraan gekocht f 4.50

4 December: Hij lekt niet meer.

8 December: Hij rijdt niet meer.

9 December: Brommer roze/rood/wit geverfd. Naam Tjeerd enz. enz.


Buiten zag ik hem wegscheuren op zo’n roze-rood-witte Tjeerd, langs de sloot met die boom die er is geplant ter nagedachtenis aan Wim de Bie. Enz. Enz.: de rest is geschiedenis.