Alles gaat verloren
en alles blijft bewaard

Verdwijnen in het werk van Bernlef

Voor het grote publiek is Bernlef de auteur van één boek, de roman Hersenschimmen uit 1984, over de desintegrerende geest van hoofdpersoon Maarten Klein. Hersenschimmen werd niet alleen door de literaire critici gewaardeerd, het trok ook vele lezers in binnen- en buitenland door de problematiek van dementeren en het lijden aan Alzheimer, ziektes die in de hedendaagse maatschappij steeds prominenter aanwezig lijken in vergelijking met vroeger, toen men veelvuldig over ‘aderverkalking’ sprak. Ongewild en tot fascinatie van de auteur werd Hersenschimmen zo ook een handboek in de psychische en psychiatrische verpleegkunde. Tijdens optredens werd aan Bernlef zelfs gevraagd of hij wellicht ook aan een milde vorm van dement-worden leed? Hoe had hij anders Kleins wederwaardigheden en dagelijkse ongemakken zo ráák kunnen weergeven? En hoe ging het verder met Vera, de vrouw van Klein? Konden zijn lezers rekenen op een vervolg?

Bernlef, tot 2002 publicerend als J. Bernlef ( 1937- 2012, pseudoniem van Hendrik Jan Marsman, in de wandeling Henk Bernlef genoemd) verbinden aan één boek zou hem echter groot onrecht aandoen. Sinds zijn debuut, de gedichtenbundel Kokkels uit 1959, datzelfde jaar nog gevolgd door een aantal verhalen verzameld onder de titel Stenen spoelen, verscheen er één stroom van verhalen, romans, gedichten, essays en beschouwingen over poëzie, jazz, beeldende kunst en fotografie. Bernlef was één van de meest productieve naoorlogse auteurs, die ook de nodige vertalingen publiceerde, hoofdzakelijk van Amerikaanse en Zweedse dichters, maar ook van Zweedse erotica. Kort voor zijn nauwelijks aangezegde dood op 29 oktober 2012 stuurde hij aan zijn vaste uitgever Querido nog de typoscripten van twee romans, een aantal verhalen en een bijna voltooide dichtbundel. Op een publiciteitsfoto van de uitgeverij ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag stond Bernlef naast een stapel boeken van zijn hand. Die stapel reikte tot boven zijn hoofd!

Wat bindt nu al die titels uit zulke uiteenlopende genres uit ruim vijftig jaar schrijverschap? Twee maanden voor  zijn dood zei Bernlef tegen Sara Berkeljon van de Volkskrant: ‘Ik ben me gaan interesseren voor alles wat te maken heeft met de functies van de hersenen. Als je je eenmaal op dat terrein begeeft, dan kom je vanzelf op vragen als: waarom herinneren mensen zich bepaalde dingen wel en andere dingen niet? Is vergeten onmisbaar om andere herinneringen vast te houden? (..) Vergeten is onontbeerlijk om überhaupt te herinneren. Wat je als schrijver onder meer probeert, is om dingen die in het verleden hun glans hebben verloren, die terug te geven. Tegen de tijd in, eigenlijk. Misschien is het vergeefs, maar tijdelijk geeft het je de illusie dat je iets vast kunt houden wat er niet meer is. Al die mensen om ons heen die dagelijks maar doodgaan – ik vind dat een schrikbarende gedachte. Iedere keer verdwijnt er een wereld van herinneringen.’

Maar niets valt te bewaren,

zelfs de namen niet, de dagen van de week
alles raakt los van zijn betekenis
van wat het eenmaal is geweest.

Uit: ‘Bait and tackle’ – In de loop der jaren – Coney Island

‘Maar niets valt te bewaren’ - verval, fysieke en psychische achteruitgang fascineerden Bernlef, zoals hij regelmatig betoogde. Vaak gaat zijn werk, zowel in proza als poëzie, om het menselijk bewustzijn. Hoe reageert het op verlies, op eenzaamheid, op bepaalde prikkels? Zijn hoofdpersonen leven zelden in een drukke sociale wereld, maar dolen door duinlandschappen, kale streken of kustgebieden. Dwaalwegen, zoals de titel is van een dichtbundel uit 2008: ‘(..) waarin de bewoner zich raden laat/ in wat hij achterliet.’ Bernlef, die zich al vanaf zijn vroegste werk een uitstekend observator toonde, had altijd een geoefend oog voor beschadigde spullen, vreemde natuurelementen, voor tekenen van vergankelijkheid. Ook dichters van wie hij werk vertaalde, zoals de Amerikaanse Elizabeth Bishop en zijn Zweedse vriend Tomas Tranströmer, hielden zich verre van lyrische ontboezemingen, maar scherpten door even nauwkeurige waarnemingen als formuleringen, onze kijk op de werkelijkheid.

 

Bernlef was bij uitstek een ontdekkend schrijver, iemand die het werk van schilders als Saenredam, Giacometti, Hopper of Vermeer in enkele dichtregels kon ontleden en tot de kern herleiden. Maar ook elementen die hij aan het dagelijkse leven ontleende, werden vignetten voor iets groters, iets veel omvattenders, zoals verdriet, heimwee, hartstocht, al waakte hij ervoor om daar grote woorden voor te gebruiken. Als de zegswijze ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ voor iemand opging, dan zeker voor Bernlef, zowel op zijn handelwijze als persoon en collega, als in de karige, trefzekere bewoordingen in zijn enorme oeuvre. ‘Saai,’ is een kwalificatie die vaak wordt gebezigd in de stapel kritieken van vijf decennia, zeker in de vroegste fase van zijn schrijverschap. Die saaiheid is maar schijn en staat in feite voor een heldere precisie, die toondragend is voor bijna al zijn werk. In die zin wijkt Hersenschimmen niet af van het oudere werk. Het zijn de onderwerpen, zoals de dementie van Maarten Klein in Hersenschimmen of het beperkte gezichtsvermogen van Kees Zomer in Eclips of de doofstomheid van Boy in de gelijknamige roman, die de lezer eerder in vervoering brengen dan een cyclus gedichten over verdwenen Zweedse ballonvaarders. Waarover het ook gaat, Bernlef is altijd op ontdekkingstocht, alsof de tijd grijpbaar kan zijn, tenminste in woorden.

Achterop de postuum uitgegeven dichtbundel Reflecties (2016) staat terecht: ‘Bijna al het werk van Bernlef gaat over verdwijnen (..) ook bij bewonderde kunstenaars bij wie veel verdween of uit fragmenten bestaat (..) Niets in hun wereld is heel of kenbaar en Bernlefs regels ritselen er in rafels omheen, zich openvouwend en weer sluitend.’

 

Het verdwijnen vormt de kern van dit verhaal. Na het overlijden van Bernlef werden boeken van bevriende collega’s met opdrachten, evenals drie schriften met de handgeschreven versie van Hersenschimmen geveild. Dat manuscript ging voor 15.000 euro naar een onbekende koper. Het grootste deel van zijn literaire nalatenschap echter maakt nu deel uit van de collectie van het Literatuurmuseum. Tientallen aantekenboekjes, honderden brieven, cahiers met handgeschreven versies van verhalen en romans en dagboekbladen, het typoscript van De pianoman, het Boekenweekgeschenk van 2008, en mappen met vele varianten van gedichten die later in bundels werden opgenomen, bieden tezamen een unieke blik op de werkwijze van de auteur.

Voor dit verhaal is een keuze naar genre gemaakt uit deze imponerende collectie. Verdwijnen op uiteenlopende manieren vormt het samenbindende element. Drie gedichtencyclussen uit Alles teruggevonden / niets bewaard (1982), Geestgronden (1988) en Reflecties worden nader geanalyseerd. Over de wat minder bekende roman De witte stad (1992), handelend over de teloorgang van het pretpark Dreamland op Coney Island bij New York, bevindt zich veel documentatiemateriaal in de nalatenschap, evenals een geïllustreerd manuscript. Bernlef werkte voor dit project nauw samen met schilder en vriend Siet Zuyderland. Behalve over literatuur schreef en sprak Bernlef met grote regelmaat over jazz. Het momentane van die kunstvorm sluit nauw aan bij het thema dat je zou kunnen omschrijven als wat verdwijnt bewaren in een geslepen compositie. 'Het is uiteindelijk de illusie dat je met literatuur iets tegen het verdwijnen kunt doen, dat je iets kunt vasthouden tegen die onverschillige stroom die maar doorgaat,’ zei hij na de toekenning in 1994 van de P.C. Hooft-prijs voor poëzie. Verdwijningen, witte plekken, gaten, ruïnes, een tanend geheugen – dat waren de elementen waarmee Bernlef niet alleen zijn poëzie, maar ook zijn proza en essays stoffeerde.