Van Barbarber naar Raster, zo is de poëtische ontwikkeling van Bernlef wel eens kort samengevat. Van het nieuwe realisme naar de bespiegelende, filosofisch verdiepte poëzie van Raster. Van Schippers en Hanlo naar Pessoa en Octavio Paz.  Of in zijn eigen bewoordingen over zijn Barbarber-bentgenoten: ‘Wat ons niet zinde was de schijnbare tegenstelling tussen wat tot de kunst werd gerekend en wat niet. We hadden geen zin om ons daar iets van aan te trekken. Dat is natuurlijk een heel verfrissend uitgangspunt. Maar je kunt natuurlijk niet je hele leven – althans ik zou het niet kunnen – stukjes werkelijkheid isoleren. Op een gegeven moment wil je toch meer. Want je gebruikt de taal eigenlijk alleen maar als een soort voertuig om die ideetjes gestalte te geven, maar de taal zelf komt nauwelijks aan bod. En dat is in de loop van de jaren wel steeds belangrijker voor mij geworden.’

De aandacht voor geïsoleerde elementen uit de werkelijkheid maakt geleidelijk plaats voor een meer (taal)filosofische poëzie vanaf de jaren tachtig. De complexe rol van het menselijk bewustzijn (getuige al de titel Vreemde wil van een bundel uit 1994), de spanning tussen het aan- en afwezige, de behoefte aan vertraging en verstilling gaan Bernlefs poëzie bepalen. Gedichten waarin ook andere kunstvormen verschijnen, zoals de beeldende kunst en de muziek, zowel de klassieke als de jazz. Simpel gezegd kun je beweren dat Bernlef in zijn latere dichtwerk continu reflecteert op wat hij waarneemt en ervaart. Of zoals de titel luidt van een essay over Hans Faverey: ‘verdwijnen als een vorm van verschijnen’.

Ieder woord, iedere zin wordt voortdurend bijgesteld, van betekenis veranderd, vervormd en toont zo dat ook het laatste redmiddel van de dichter een illusie is: de taal is al even leeg en onverschillig als het universum zelf.

Uit: ‘Het gedicht als total loss’- Het ontplofte gedicht, 1978

Alles teruggevonden / niets bewaard (1982)


Van deze cyclus bestaat een getikte versie met enkele correcties. In tegenstelling tot ‘losse gedichten’ veranderde Bernlef in deze cyclus die op historische feiten is gebaseerd betrekkelijk weinig. Het onderwerp is de ballonvaart van drie Zweedse ontdekkingsreizigers in 1897, hun verdwijnen en de vondst van hun lichamen decennia daarna.

Salomon Andrée, Kurt Fraenkel en Nils Strindberg stegen op 11 juli 1897 op van een eiland voor de kust van Spitsbergen met de Zweedse vlag aan boord om die te kunnen laten wapperen op de Noordpool. Bij Andrée en Strindberg sloeg vlak voor vertrek de twijfel toe. Had hun expeditie wel kans van slagen? Maar de belangstelling en steun van onder anderen de Zweedse koning en Alfred Nobel zorgden ervoor dat zij zich toch lieten overreden. Al direct na de start bleek dat de ballon onbestuurbaar was. Men moest veel ballast overboord gooien, waardoor de ballon steeg en steeg. Binnen drie dagen zorgde de aanhoudende regen, die meteen op de ballon bevroor, voor paniek aan boord. Men zocht een landingsplek tussen de ijsschotsen en vond er één op het eilandje Vitön (wit eiland) ten oosten van Spitsbergen. Daar vonden de ballonvaarders de dood.

 

Bernlef is altijd gefascineerd geweest door kale, onbarmhartige landschappen. Bij een bezoek aan een museum in het Zweedse Grannä (hij woonde in de jaren vijftig een poos in Zweden, werkte daar als kelner en leerde er de taal goed spreken) kwam hij in aanraking met de tocht van de ballonvaarders. Hun tocht en hun verdwijnen waren gefundenes Fressen voor Bernlef, want: ‘Elk museum vertoont wel ergens een kier.’ Wat bleek? Nils Strindberg had tijdens de tocht met een zelf ontworpen camera foto’s gemaakt. Het rolletje trof men in 1930 aan, toen een groep Deense onderzoekers de lichamen na ruim dertig jaar ontdekte. Een aantal negatieven kon ontwikkeld worden, de andere waren te slecht van kwaliteit, maar konden door ruimere technische mogelijkheden in 1979 alsnog worden afgedrukt. Bovendien bleek uit microscopisch onderzoek dat de ballonvaarders niet door de barre omstandigheden waren gestorven, maar door het eten van berenvlees. Daardoor raakten ze besmet met trichinose, een dodelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een larve die zich nestelt in de darmen en vandaaruit het spierweefsel perforeert. Kortom: een gruwelijke dood met een heel andere oorzaak dan men aanvankelijk aannam.

De cyclus van Bernlef bestaat uit veertien gedichten, beginnend met een toegankelijk openingsvers, het betreden tezamen met de geliefde van het museum in Grannä, de geboorteplaats van ballonvaarder Andrée:

We betreden het museum in Grannä

zwetend en op onze tenen, het is heet


Waarom iets van zo lang geleden

proberen open te breken? Ik weet het


Maar toch. Hier staat een bijl. Daar

hangt een foto van ’t ijs. Zo schrijven


Om een wig te drijven, een klein ademgat

waardoor de zuurstof van toen

 

Uitmondt in een huidige zoen

zodat ik voel dat je leeft – hier


Elk museum vertoont wel ergens een kier

De foto’s aan de wanden van het museum worden beschreven, getuigend van ‘geloof in de Toekomst’ en dan volgen typerende Bernlefregels: ‘Bijna alles staat stil, niets beweegt helemaal’. De ballonvaarders noteren in aantekenboekjes en logboeken ‘hun ondergang’. Zij denken te bewegen en proberen met al hun krachten en inzichten te bepalen waar zij waren geland: ‘Zij liepen naar het westen en/ dreven naar het oosten’. Ze hadden niet in de gaten dat zij niet wandelend en op hun slee bewogen, maar dat dat het ijs onder hen was; ‘in wezen stonden zij stil’. In deze cyclus bediende Bernlef zich van een stevige ritmiek, een cadans welhaast: toen en nu, toen en nu. Toen is wat hij vertelt over wat hij nu ziet: verkleumde, verstarde mannen, een almaar pratende conservator, de teruggevonden voorwerpen: alles teruggevonden – niets bewaard !

Maar ieder gebaar is verdwenen
ik staar naar een foto van een hoop stenen

en (met een prachtig door de dichter verwoord beeld):

De laatste maal dat licht hem trof
rechtop – hij zou de eerste worden.


Wegsneeuwend in zijn eigen camera

Met het veertiende en laatste gedicht is de cirkel rond: na alle foto’s van verstarde ijsfiguren, kiekt de dichter in de zomerhitte zijn geliefde: ‘Ik zet je naast de kleurige ballon/ in de zomerse tuin (..)’ en ‘kom// In het dalende licht rond Andrées ballon’.  De thematiek is met het gefixeerde, zichtbare verleden en het verdwijnen en weer ‘terugkeren’ van de ballonvaarders echt des Bernlefs. Toch is het ook, verrassenderwijs, een nauwelijks verholen ode aan de liefde. Een wrang contrast met die van ballonvaarder Nils Strindberg voor zijn ‘fiancée’ Anna Charlier, die hij na het poseren niet meer terug zal zien: ‘alsof alles voorbij is, geschiedenis al’.

In de loop der jaren – Coney Island uit Geestgronden (1988)

In de jaren tachtig maakte bevriend beeldend kunstenaar Siet Zuyderland Bernlef attent op ‘een brandpunt van onophoudelijk vergeten’, het voormalige Lunapark Dreamland op Coney Island, de uiterste zuidpunt van de metropool New York. Coney Island is overigens een verbastering van Konijneneiland, de naam die Nederlandse kolonisten in het begin van de zeventiende eeuw aan de landtong gaven. Vanuit Manhattan reisden Bernlef en Zuyderland enkele keren naar de plek van ‘zoveel vergeten’. Zuyderland had de belangstelling van Bernlef goed ingeschat: eenmaal daar raakte hij gefascineerd door de vergane wereld van variété-artiesten in een tijd aan het begin van de twintigste eeuw waarin alles in beweging kwam, ook in letterlijke zin, want even later zou de (stomme) film het amusement van daarvoor gaandeweg gaan vervangen.

In een nooit verschenen notitie, die zich in de collectie van het Literatuurmuseum bevindt, beschreef Bernlef wat hij aantrof:

Hier stond eens het beroemdste amusementsgebied ter wereld. Nu is het een kaalgeslagen terrein waar ruïnes van verbrande, verwrongen, half ineengestorte achtbanen (‘rollercoasters’) staan tussen straten vol dichtgespijkerde schiettenten, waarzegstershokjes en verveloze griezelpaleizen. Vuilnis en groene grasscherven lijken uit de bestrating te groeien. Als het hier waait hoor je overal om je heen het klapperen van loshangende stukken hardboard en blik en boven je hoofd klinkt de naargeestige gamalan van tegen elkaar botsende buizen. Achter hekken lopen waakhonden aan lange, rinkelende kettingen met je mee.

Bernlef wist het direct: deze locatie van vergeten en vergankelijkheid – daar wilde hij iets ‘mee’. Aan zijn vaste uitgever Querido stelde hij een documentaire-boek voor met teksten van diverse aard van hemzelf bij foto’s en schilderijen van Zuyderland. Omdat zo’n uitgave kostbaar was, vroeg Querido aan het toenmalige ministerie van WVC om een subsidie. Bernlef schreef een toelichting bij het verzoek, vergezeld door enkele gedichten en prozateksten. Die kreeg de uitgeverij niet voor een reguliere uitgave. Een prijzige bibliofiele editie met litho’s van Zuyderland verscheen wel.

 

De intrigerende locatie liet Bernlef niet los. Uit zijn nalatenschap blijkt hoe hij jaren met notities en aantekeningen, aanzetten voor gedichten en losse prozateksten doende was om het mysterieuze Dreamland te verbeelden. Uiteindelijk verscheen in zijn gedichtenbundel Geestgronden (1988) de cyclus ‘In de loop der jaren’. Een veelzeggende titel, want na het ineenstorten van het Lunapark werd Coney Island een badplaats voor dagjesmensen uit New York en weer later werd er een kinderkermis gevestigd. In 1992 verscheen zijn roman De witte stad (zie volgende hoofdstuk) waarin de vreemde wereld van het variété wordt beschreven en tevens de ondergang door brand van het destijds imponerende complex.

De cyclus ‘In de loop der jaren’ bestaat uit vijf, min of meer verhalende gedichten met als titels: ‘Surf Avenue’, ‘Bait and tackle’, ‘Gaanderij’, ‘Scenic railway’ en ‘Steeplechase’. De gedichten beschrijven de geobserveerde, zo goed als vergane realiteit van het moment, maar worden door de dichter naar een hoger plan getild. Taal behoudt wat vergaan is: ‘taal// die de verschillen schuwt/ en onhoorbaar op hetzelfde/ hamert dat dat het wonder is.’ In ‘Gaanderij’ krijgt de lezer in het bestek van vijf korte strofen een blik op ‘zoals het ooit was’. Alles gaat verloren en alles blijft bewaard.

Gaanderij

Licht de gaanderij uit zijn voegen
en vroeger komt zo dichterbij
dat je hun praten hierbuiten kunt horen

Gefluister door kieren
in ieder paneel verschijnt
de daguerreotypie van een meisjesgezicht


Een smalle hand bedeesd
opengelegd op de rand
van ’t eerste balkon
‘Lees mij de toekomst!’


Vanuit de schaduw antwoordt
de waarzegger wat hij
daar ter plaatse verzon

 

De gaanderij zweeft
rustend op gesloten deuren
de avond in.

Reflecties (postuum verschenen, 2016)

Toen Henk Bernlef kort voor zijn dood aan zijn uitgever een aantal typoscripten stuurde, was daar één dichtbundel bij. Reflecties bestaat uit vier afdelingen. De laatste en onvoltooide bevat zes vertalingen van lange gedichten van de door Bernlef bewonderde Elizabeth Bishop. In een essay uit de jaren zeventig, opgenomen in Het ontplofte gedicht, typeerde hij haar poëzie: vastleggen tegen de verandering in. Een regel die hij evengoed voor eigen poëzie had kunnen laten gelden. ‘Ze is voortdurend bezig al die bewegingen te laten stollen in uiterst fijnzinnige stillevens, waaruit een onwil tot kiezen tussen belangrijk en onbelangrijk valt te bespeuren.’ Ook geen observatie die ver van Bernlefs eigen uitganspunten ligt.

‘Glossy – Het meisje’ bevat een aantal gedichten die beginnen met: ‘Ze zei’ waarna de dichter een jonge, opgroeiende vrouw aan het woord laat over alles wat haar in het moderne leven interesseert en afstoot. Haar gedachten zijn absoluut niet diepzinnig, maar liggen dichtbij wat er in een aantal populaire tijdschriften zoals de Linda te lezen valt. Het is de dochter die noteert, afstand voelt, maar haar niet tot een karikatuur maakt. De cyclus maakt deel uit van Bernlefs literaire nalatenschap en is in één versie overgeleverd, die geen enkele correctie of aanvulling bevat. Dat komt bij ouder en nieuwer werk zelden voor. In zijn prozamanuscripten schrapt hij de nodige regels en voegt alinea’s samen, in zijn dichterlijke werk komen regels in andere gedichten terecht of worden lange, meanderende gedichten tot hun essentie teruggebracht. ‘Voorbijgaande aard’ is geschreven naar aanleiding van de muziek van Anton Webern (1883-1945), een Oostenrijkse componist die eindigde met atonaal werk, dat steeds korter en geserreerder werd. Bernlef die een grote voorkeur had voor jazzmuziek boven de klassieke, was juist van deze Webern een groot bewonderaar, omdat in zijn korte muziekstukken alles snel leek te vervliegen, op te lossen in een toegankelijk Niets.

Hoor ik dit goed
of is dit de uitademing
nadat iets gezegd werd
dat mij is ontgaan?

Aan deze korte en ultrakorte gedichten heeft Bernlef, zo blijkt uit aantekeningen, ook lang zitten werken en schaven. Meestal ging het om een woord, of enkele woorden, zelden om hele regels of een totaal gedicht.

 

Hoe anders was dat bij de verzen die nu onder de titel ‘Over Sappho’ de eerste afdeling van Reflecties vormen. De volgorde van de gedichten is regelmatig veranderd, korte regels worden nog verder gekortwiekt, sommige regels worden geschrapt en in andere gedichten overgenomen. Het zou een afzonderlijk artikel waard zijn om al deze wijzigingen in kaart te brengen. Tegen zijn vriend K. Schippers zei hij, nadat de fatale diagnose bij hem was vastgesteld, dat hij de laatste jaren van zijn leven ‘als een waanzinnige’ had gewerkt, alsof zijn lot hem toen al duidelijk was. Die druk en noodzaak blijken heel goed als je de diverse versies van de Sappho-gedichten doorneemt. Juist bij een dichteres van wie maar enkele ‘affe’ gedichten zijn overgeleverd (en zelfs dat is de vraag) en van wie het oeuvre eigenlijk bestaat uit 200 fragmentarische verzen of een enkele regel, kwam het er bij Bernlef kennelijk op aan om die aanpak zo zuiver mogelijk te hanteren, zonder te willen imiteren.

Een dichteres van wie het meeste in fragmentarische vorm was overgeleverd, maar van wie de meeste levensfeiten in de stroom van de geschiedenis waren verdwenen – dat was Sappho (vermoedelijk omstreeks 630- tot 570 voor onze jaartelling). Lucianus typeerde haar als de ‘honingzoete glorie van Lesbos’ het Griekse eiland waar ze werd geboren en behalve een korte ballingschap in Syracuse bleef wonen. Aan de filosoof Plato wordt het volgende epigram toegeschreven:

Er zijn negen muzen, zeggen sommigen; hoe kortzichtig;
Er is ook nog Sappho van Lesbos, de tiende.

De gedichten van Bernlef cirkelen om de bekende feiten: dat de dichteres werd omgeven door jonge, mooie meisjes die haar bewonderden, dat zij een zeer sensuele en hartstochtelijke vrouw was, die overigens volgens sommige bronnen wel degelijk met een man was getrouwd. Dat zij uit een voorname familie kwam en deel uitmaakte van een hoog ontwikkelde cultuur. Maar misschien wordt de grootste lijn in deze cyclus wel gevormd door het willen grijpen naar het onbereikbare, naar de essentie van beweging, verandering, of, in nog grotere woorden: naar de essentie van het leven. Bernlef gebruikt de metaforen uit de brokstukken van haar poëzie, maar houdt ze in het gelid en binnen de thematiek van zijn eigen gedichten.

Waar is de opslagplaats van strelingen
worden ze ergens bewaard
of heb ik ze meegegeven aan wie ik ze schonk?

Lees een intermezzo