De bezieling springt over van Curaçao naar Amsterdam: Boeli van Leeuwen en zijn uitgever

Boeli van Leeuwen had indruk gemaakt met zijn debuutroman in 1960: De rots der struikeling. Tijd voor een opvolger: het ene moment wist hij zeker dat hij er wereldberoemd mee zou worden, even later hield hij de mogelijkheid open dat hij opnieuw zou moeten beginnen. Hij schreef het allemaal aan Bob van Kampen, zijn uitgever.

 

Tentoonstelling Kòrsou – Curaçao nu te zien in het Nationaal Archief

Lees meer

Er zijn schrijvers die hun manuscript het liefst persoonlijk komen inleveren. De voltooiing van een roman is te bijzonder om te volstaan met het versturen van een pakketje (laat staan een mailtje). Het is zoveel plezieriger om een ferme stapel papier te kunnen overhandigen aan de eerste lezer. Maar dat zit er voor Boeli van Leeuwen niet in, want hij woont op Curaçao en heeft een Amsterdamse uitgever: P.N. van Kampen & Zoon. Uit de brieven die ze uitwisselen, blijkt dat het inleveren van een nieuw boek niet zomaar een moment is. Als de briefwisseling begint, is Van Leeuwen bezig met de afronding van Een vreemdeling op aarde. Altijd lastig, een opvolger voor een succesvolle debuutroman, want De rots der struikeling was al toe aan de vierde druk, en bovendien had hij voor het boek de Vijverbergprijs in ontvangst mogen nemen.

 

De rots der struikeling vertelt het verhaal van Eddy Lejeune en de moeizame verhouding tot zijn geboortegrond. Het verhaal is gedeeltelijk autobiografisch, net als dat van Een vreemdeling op aarde. In dat boek heeft de hoofdpersoon een andere naam, maar de roman laat zich eenvoudig lezen als een opvolger. Dit boek verkent de alternatieven voor de geboortegrond: het gaat over Nederland, Spanje – als onmogelijk alternatief voor het leven op Curaçao. Want daar was Van Leeuwen wel achter gekomen. Hij had als student en later ook onderzoeker in zowel Leiden als Amsterdam gewoond, maar wist al snel: zijn thuis was op Curaçao.  

 

Een vreemdeling op aarde heeft dezelfde urgentie als zijn eersteling, en het is met net zoveel vuur geschreven, dat is aan het manuscript duidelijk te zien. 

 

 

Voorblad manuscript Een vreemdeling op aarde

 

 

 

De uitgeverij hoefde overigens niet op basis van deze vrijwel onleesbare pagina’s het zetwerk te laten verrichten: er moeten meerdere getypte versies zijn, maar die bevinden zich niet in het Literatuurmuseum. 

 

De briefwisseling met Bob van Kampen – een achterkleinzoon van de naamgever – laat zien met hoeveel bezieling Van Leeuwen zijn werk aan de wereld wilde tonen. En ‘de wereld’ kun je daarbij letterlijk opvatten, want de eerste brieven gaan over mogelijke vertalingen. Een Amerikaanse uitgever heeft belangstelling betoond, een Spaanse vertaling behoort tot de mogelijkheden. Het gaat allemaal niet vanzelf, maar Van Leeuwen verliest de moed niet – misschien moest Van Kampen het later nog maar eens proberen, in elk geval heeft Van Leeuwen er alle vertrouwen in: ‘Laten we afspreken dat je me voortaan niet meer om machtiging hoeft te vragen waar dan ook voor – je doet wat je goed lijkt,’ schrijft hij hem. Het vertrouwen betaalt zich uit, Van Leeuwens debuut verschijnt in 1964 in het Spaans, als La piedra de tropiezo.  

 

 

 

Boeli van Leeuwen. Foto: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Fotograaf onbekend

 

 

Ondertussen werkt Van Leeuwen onverstoorbaar verder: ‘Het volgend jaar brengen we weer een boek uit – daar kunt U wel op rekenen – het is in de grondverf klaar en ik ben het begin aan het bijwerken.’ Hij is van plan het boek nog beter te maken dan het debuut, wil rekening houden met de kritiek, zo schrijft hij zijn uitgever, en hij vindt het belangrijk om ‘begrepen te worden’. 

 

Het is een interessante brief omdat eruit blijkt dat Van Leeuwen geen schrijver is die zichzelf als de maat der dingen neemt. Het gaat hem erom gelezen en begrepen te worden, en mocht het niet goed genoeg zijn ‘dan gooi ik het manuscript weg en begin opnieuw’. 

 

Dat was natuurlijk niet nodig, maar hij moest wel een beetje afgeremd worden. ‘Het boek is klaar!’ schrijft hij op 5 juli 1962, en twee dagen later: ‘Heb je mijn vorige brief ontvangen – Het boek is klaar etc.?’ Weer een week later – het is dan nog niet eens ter zetting – ‘Ik hoop het in de herfst tegemoet te kunnen zien op Curaçao.’ Alles aan deze brieven ademt gretigheid: hoewel Van Leeuwen zeker wist dat Curaçao voor hem de enige plek was waar hij kon wonen – zijn eerste twee boeken doen in feite verslag van die ontdekking – merk je dat hij niets liever had gedaan dan de redactieburelen plat te lopen. Met die laatste brief gaat ook het manuscript op de bus, en hij verstuurt een ‘kabel’ (die telefonisch werd afgeleverd maar waarvan de schriftelijke versie is bewaard): ‘Manuscript verzonden KLM Flight 772’, en hij ondertekent dolblij: ‘Haleloja Boeli’. Een mooi alternatief voor het overhandigen van een stapel papier. 

 

 

Schriftelijke versie kabel manuscript Een vreemdeling op aarde

 

 

Dit is onmiskenbaar het voordeel voor ons, de lezers van zestig jaar later. Wanneer er met zo’n groot enthousiasme aan een nieuw boek gewerkt wordt, is er een soort verstandhouding tussen redacteur en schrijver die nauwelijks uit te leggen valt. Omdat Van Leeuwen aan de andere kant van de wereld zat, is het allemaal na te lezen.

 

En er wordt, ook op afstand, gewerkt aan een flaptekst en omslag, Van Leeuwen had een bevriend kunstenaar gevraagd iets te maken, maar die was zo ‘onder de indruk van het boek gekomen dat hij een reusachtige olieverf heeft gemaakt en de hele kaft is vergeten. Het is wel een mooi schilderij geworden.’

 

Hij had zelf ook wel enige ideeën, die hij met blauwe viltstift schetst. Hij vindt eigenlijk alles best, als er maar aan één voorwaarde is voldaan: ‘De kaft moet waardig en droevig zijn.’ Ook schrijft hij een flaptekst – eerder een beknopt literair zelfportret dan een reclametekst: hij beschrijft zijn hoofdpersoon als ‘een jonge man uit de tropen’ die in gevecht is met het kwaad, ‘waaraan hij met al de vezels van zijn sensueel tropenlichaam aan geklonken is’.  

 

 

 

Natuurlijk kan de euforie niet constant voortduren. Er komen ook geldkwesties aan de orde (kan hij geen hoger percentage krijgen voor een herdruk?) en er is peilloze teleurstelling wanneer een uitgave een paar maanden moet worden uitgesteld; met grote voorzichtigheid legt de uitgever uit waarom het echt niet anders kan. Maar vooral is te zien dat de verstandhouding tussen Boeli van Leeuwen en Bob van Kampen probleemloos de afstand tussen Curaçao en Amsterdam kon overbruggen.

 

Met dank aan Aart G. Broek die me attent maakte op de vertaling van Van Leeuwens debuut. 

 

 

Manuscript Een vreemdeling op aarde, collectie Literatuurmuseum