De maan: zie, zie, wat mag er achter zijn?

De hele mensheid min één: die was te zien op de foto die astronaut Michael Collins maakte van de maanlander waarin Neil Armstrong en Buzz Aldrin zaten: zijn twee collega’s die precies 50 jaar geleden een wandeling maakten op de maan.

 

Het is een beroemde foto, niet alleen omdat zo’n beeld nog nooit was gemaakt, maar ook omdat dit ene plaatje al het menselijk zwoegen in een ander perspectief plaatste. Allemaal op die kleine blauwe bol in die koude oneindigheid: waarom zouden we ons druk maken?

 

Foto: NASA

Vijftig jaar voor die maanlanding, keek de dichter J.H. Leopold naar de maan, zonder het besef dat het ooit mogelijk zou zijn dat een mens er zou kunnen wandelen. Maar wél met het idee dat de maan een heel ander licht kon doen schijnen op het aards wedervaren.

 

De maan: een heldere vensterschijn,

een opengeschoven raamgordijn,

zie, zie, wat mag er achter zijn?

Het lijkt bijna het begin van een sprookjesverhaal, en zo gaat het ook nog even verder: ‘Een feest, een balzaal. Welke paren / wandelen ginder, in elkaren / verloren’: een fraai romantisch beeld dat enigszins anachronistische associaties oproept met memorabele filmscenes: La Dolce Vita, of La La Land, films waarin liefdeskoppels langdurig in elkaar verloren door de nacht wandelen. De wereld kleurt anders , als niet het harde daglicht de werkelijkheid toont, maar een ‘blos van eigen heerlijkheid’.

De maan duikt in de poëzie van Leopold wel vaker op – soms als decorstuk (‘De lucht was als een perzik / de maan een diamant’), soms als belichting in bijzondere situaties, zoals in het ‘Kerstliedje’ (waarbij de maan ‘helder over den dijk’ stond), en mooi is ook het beeld van een zomerdag die ten einde is, waarbij alles langzaam wegzakt – behalve de maan:

Er is een ademen, een dauwen,

een wijkend zomerdagverflauwen,

waardoor alleen de maan opgaat.

J.H. Leopold in de jaren '80 van de negentiende eeuw

Maar de maan is bij Leopold natuurlijk meer dan verlichting in de kleine uren. Hij was gefascineerd door oosterse filosofen en dichters, wier werk hij in talrijke kwatrijnen probeerde te benaderen. En Leopold, die een meester is in geconcentreerd schrijven, weet ook die vier regels altijd vol te laden met betekenis. Daarin speelt de maan eveneens zo nu en dan een rol. In enkele bundels Oostersch staan gedichten die geschreven zijn ‘naar Perzische en Arabische dichters’, maar echte bewerkingen of vertalingen zijn het niet. Het zijn als het ware herscheppingen van filosofische overwegingen, omgezet in Nederlandstalige verzen. In de eerste bundel Oostersch staat het volgende kwatrijn:

 

Een wenk en sierwilg noch cypres verpoost

noch doornen noch der rozen oogentroost;

met zon en maan als schepels meet de ploeger

des hemelakkers zijnen levensoogst.

Iemand geeft een aanwijzing – zou het de planter zijn van sierwilg of cypres? In elk geval doen die planten en bloemen wat ze moeten doen. Maar wie geeft die wenk? Is het ‘de ploeger / des hemelakkers’? De schepper van zon en maan? Dit kwatrijn staat in de afdeling ‘Soefisch’, en kan dus waarschijnlijk gelezen worden als een verwoording van het soefisme, waarin ascese en meditatie centraal staan, en waarbij het individu opgaat in het goddelijke.

In het derde boek van Oostersch  wordt ook benadrukt dat zon en maan altijd doorgaan, en deel uitmaken van een eeuwig durende cyclus:

Vereer den zon om strakgespannen schijn

de maan met licht en donker, zonder tanen

de sterren, die hun lange hemelbanen

omgaan en nimmer achter adem zijn.

Het universum beweegt vanzelf, het ritme van licht en donker wordt nooit onderbroken.

Het is een enigszins vervreemdend idee dat, ongeveer 50 jaar nadat Leopold deze regels schreef, de mens een kijkje zou gaan nemen op die maan, om eens te zien hoe dat nu werkt, die lange hemelbanen, het licht en het donker. De wereld van Oosters lijkt veel verder weg te liggen van Apollo 11 en ‘The Eagle Has Landed’ dan de vijftig jaar die ons scheiden van de maanlanding.

Portret door Henri Berssenbrugge (circa 1913)

Leopold was in elk geval nog niet klaar met filosoferen over de maan. Hij begon aan zestien gedichten die als een cyclus bij elkaar lijken te horen, en stopte ze bij elkaar in een envelop, zonder de teksten af te maken. Na het overlijden van Leopold werd de samenstelling van de Verzamelde gedichten ter hand genomen door P.N. van Eyck, die ze opnam in een afdeling ‘Gemengde verzen’, als deel van de ‘Verzen uit de nalatenschap’. Maar dat de gedichten bij elkaar hoorden, honoreerde hij niet.

Toen in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw werk werd gemaakt van een serieuze ‘verzamelde gedichten’, werd pas duidelijk hoe gecompliceerd dat nagelaten werk eigenlijk was.

Maar ook ontdekte editor G.J. Dorleijn, dat Leopold met die zestien gedichten echt had bedoeld om er één groter geheel van te maken, en hij noemde die reeks ‘De Maan. Een cyclus van zestien verzen’. Dat Leopold het werk niet heeft afgemaakt, maken de samenstellers kenbaar door de opties allemaal op te nemen. Het vergroot de leesbaarheid niet, maar we krijgen wel meer zicht op het gepieker van de dichter dan bij de oude versie van de Verzamelde gedichten waarbij gewoon een keuze was gemaakt.

Dit gedichtje was nog lang niet af. Sterker nog, van slechts twee regels was Leopold zeker: ‘de maan verschenen blank geheel en bloot’ – wat het eind is van een zin waarin hij beschrijft hoe de maan er in de avondlucht uitziet; en de slotregel, waarin Leopold beschrijft wat het effect is van de maan: grote bewondering bij mensen die omhoog kijken, waarbij de maan ‘de monden rondmaakt tot een groote O!’

Die bewondering is onveranderlijk aanwezig, voor de poëzie van een eeuw geleden, voor de ruimtevaart van vijftig jaar terug. Alles wordt anders, maar een ding blijft hetzelfde: bijna sprakeloze bewondering blijft de menselijkste reactie op het licht van de maan.