Een prentbriefkaart uit de DDR

door Marc van Zoggel

Harry Mulisch was een groot bewonderaar van De redding van Fré Bolderhey (1948) van Simon Vestdijk. Op een receptie in het Letterkundig Museum ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Vestdijk maakte Mulisch zijn voorliefde voor deze roman kenbaar aan de auteur, zo vertelde hij in 2002 aan Marita Mathijsen:

Ik was daar met Hugo Claus. Iedereen dromde om hem heen, dus wij dachten maar niet in de rij te schuiven om hem te feliciteren. Maar Vestdijk had ons gezien en hij wilde ons leren kennen. Voetje voor voetje kwam hij naar ons toe, onder de medicijnen, zweetdroppels hingen als oorbellen aan ieder oor, klam van de zenuwen. We hebben toen een tijdje met hem gepraat. Het ging over wat zijn beste boek zou zijn, en ik vond dat het De redding van Fré Bolderhey was. Hij keek mij aan en zei: ‘Ik begrijp dat u dat vindt.’ Want hij kende mijn werk wel.

Mieke Vestdijk, Simon Vestdijk, Harry Mulisch en Hugo Claus tijdens de viering van Vestdijks 70ste verjaardag in het Letterkundig Museum in Den Haag (foto: Wolson)

De droomachtige, met symbolen geladen sfeer van De redding van Fré Bolderhey vinden we inderdaad ook terug in Mulisch’ motiefrijke werk uit de jaren vijftig, met name in Archibald Strohalm (1952) en in Het zwarte licht (1956), waarin hoofdpersoon Maurits Akelei net als Eddie Wesseling uit Vestdijks roman kampt met hallucinaties.

 

Mühlstraße

 

In 1956 schreef Mulisch in een notitieboekje: ‘Grote schrijvers en toch lelijk oeuvre (Vestdijk) (meesterwerken niettemin).’ In oktober van dat jaar bezocht hij een conferentie in Weimar over Heinrich Heine, georganiseerd naar aanleiding van de honderdste sterfdag van de Duitse dichter. Na afloop maakte Mulisch op uitnodiging van de organisatie een autotochtje door de DDR. De aanblik van het verwoeste Dresden leverde inspiratie voor Het stenen bruidsbed, de roman die in 1959 zou verschijnen; Vestdijk noemde het ‘werkelijk een superieur boek’.

Mulisch was ook in Leipzig en omgeving, zo blijkt uit een prentbriefkaart die hij aan Vestdijk stuurde en die zich nu in de collectie van het Literatuurmuseum bevindt. Als ik de datum in het stempel correct ontcijfer dan is de kaart op 14 oktober 1956 verstuurd, wat aansluit op de data van het Heine-congres, dat plaatsvond van 8 tot en met 13 oktober.

De adressering van de ansicht luidt kortweg ‘S. Vestdijk / Doorn / Holland’. Geen straatnaam en huisnummer, de posterijen moesten er zo wel raad mee weten. De voorzijde toont een flauwe bocht in de hellende Mühlstraße in Schkeuditz, een stadje circa tien kilometer ten westen van Leipzig. Schkeuditz komt ook voor in De redding van Fré Bolderhey, zo herinnerde Mulisch zich:

 

Was het niet ’Schkeuditz’, dat bij Eddie Wesseling op ’Schizofrenie’ volgde? – Inderdaad, ik heb verscheidene katholieken waargenomen, – goddank zeer in de minderheid tegenwoordig. Ik kon niet nalaten u dit kaartje te zenden. – Uw Harry Mulisch

Mulisch refereert hier aan de scène uit De redding van Fré Bolderhey waarin Eddie in de stedelijke leeszaal van zijn woonplaats in een Duitstalig lexicon de betekenis opzoekt van ‘schizofrenie’, het voor hem zo mysterieuze woord waarmee de ziekte van zijn neef Fré omschreven wordt: ‘Op de bladzijden, waar het woord “schizofrenie” te vinden moest zijn, viel zijn oog op niet minder dan vier plaatsen in preuszische Regierungsbezirke: Schirwindt, Schivelbein, Schkeuditz en Schkölen.’

 

Over Schkeuditz meldt het lexicon dat er ‘onder andere Pelzboas vervaardigd’ worden, wat verderop in de roman terugkeert wanneer Eddie tijdens een van zijn hallucinaties op straat een tenger, huiverend vrouwtje ontmoet en hij aanbiedt een pelsboa voor haar te gaan stelen. Even later blijkt de vrouw zijn moeder te zijn. Ze adviseert Eddie naar Schkeuditz te reizen: ‘In Schkeuditz vindt men ongelooflijk veel pelsboa’s, stelen is misschien niet eens nodig daar in dat aardige Pruisische dorpje, dat zich de laatste jaren tot een niet onaanzienlijke badplaats heeft ontwikkeld; de pelsboa’s groeien daar langs de weg.’

Eddie herinnert zich niet dat Schkeuditz een badplaats is. Mulisch’ opmerking over ‘verscheidene katholieken’ verwijst naar het weerwoord van Eddies moeder: ‘Schkeuditz telt wel honderdtachtig Katholieken en enkele margarinefabrieken, waarom zou het geen badplaats zijn?’ Het stadje groeit in Eddies hallucinatie aldus uit tot een plaats aan zee, de straat tot een boulevard, hopen zand tot een zandstrand. De beschrijving van de straat lijkt wel wat op de Mühlstraße van de ansichtkaart: ‘De boulevard, waar zij gingen, steeg langzaam’.

 

Leslezers

 

Mulisch heeft altijd zorgvuldig het imago van einzelgänger in de Nederlandse letteren gecultiveerd. Romans van collega’s las hij hoegenaamd niet. Voorbeelden vond hij alleen internationaal (Thomas Mann, Dostojevski), op nationaal vlak bestonden er louter knoeiers – misschien op Achterberg na, maar dat was een dichter. Wie achter die façade kijkt ziet dat Mulisch wel degelijk ook in de Nederlandse literatuur zijn idolen had, met Vestdijk voorop. Dat hij nog in 1956 de moeite nam om zijn oudere collega een prentbriefkaart te sturen is in dat licht een klein gebaar, maar niet minder veelbetekenend.

Een jaar later nam Mulisch het voor Vestdijk op in een artikeltje in de Boekengids, een halfjaarlijkse uitgave van de CPNB die destijds in meer dan honderdduizend exemplaren over de boekhandels werd verspreid maar tegenwoordig erg zeldzaam is. De herfstaflevering van 1957 bevat een artikel van Mulisch, getiteld ‘Vestdijk en de leslezers’. Het colofon achterin vermeldt de ‘uitgevers van wie advertenties in deze gids zijn opgenomen’ met daarbij onder meer een advertentie van De Bezige Bij op de bladzijden 14-15, de pagina’s waarop Mulisch’ stuk staat. Met een hedendaagse term zouden we het dus een ‘advertorial’ kunnen noemen.

Dat Mulisch als copywriter voor zijn uitgever fungeerde is zeker niet denkbeeldig, hij schreef in die tijd ook nog toneelkritieken voor Het Vrije Volk om den brode. De hem toegestane plaatsruimte heeft Mulisch niettemin benut voor een welgemeende verdediging van Vestdijk, van wiens romans er enkele ‘tot de beste van de eeuw’ behoren, ‘het onbetaalbare’ De redding van Fré Bolderhey bijvoorbeeld. ‘Maar natuurlijk moesten duizendmaal mindere talenten hem weer de les lezen’, verzucht Mulisch. ‘Nederland heeft geen schrijver zoveel lessen proberen te lezen als zijn grootste.’

Er volgen akelige voorbeelden uit fascistische en nationaalsocialistische bladen uit de bezettingsjaren. Begin 1942 bijvoorbeeld had George Kettmann Jr., een NSB’er die spoedig de overstap zou maken naar de SS, in De Waag betoogd dat men Vestdijk na de nazificering voortaan diende dood te zwijgen ‘zoals wij jarenlang zijn doodgezwegen – niet uit rancune, maar eenvoudig uit geestelijke hygiëne’. Mulisch tekent daar vilein bij aan: ‘Kettmann geeft toe, uit geestelijke hygiëne te zijn doodgezwegen. Een sportief man.’

Vestdijk heeft volgens Mulisch ‘dat exotische punt bereikt, waarop alles wat men over hem zegt, onvoldoende wordt – de blaam evenals de lof’. In een stijl die doet denken aan de manier waarop Mulisch medio jaren vijftig ook over Thomas Mann schrijft, wordt Vestdijk niettemin opgehemeld: ‘Overal op aarde staan reusachtige bouwsels opgericht, onzichtbare hoogovens, en dat zijn de oeuvres. In Nederland stond er tot nu toe één: Multatuli. Vestdijk is de tweede. […] Hij is een faktor in het wereldgebeuren geworden. De pyramide staat in de woestijn – wij kruipen naar binnen, nemen de maten en voorspellen de toekomst.’

 

Mulisch verwerkte de eerste twee alinea’s van het artikel in zijn lange essay ‘Zelfportret met tulband’, dat in 1961 na voorpublicatie in De Gids werd opgenomen in Voer voor psychologen, met daarin ook het baldadige titelessay vol zelfvergroting. Vestdijk doorzag dat Mulisch’ borstklopperij ironisch begrepen moest worden, zo blijkt uit een brief aan een 19-jarige studente met wie de 62-jarige auteur destijds correspondeerde: ‘De “zelfoverschatting” lijkt mij volstrekt kunstmatig en humoristisch bedoeld (“pour épater le bourgeois”, of omdat iedereen altijd bescheiden was, en dit niet meende)’.

De redding van Fré Bolderhey bleef in Mulisch’ ogen Vestdijks magnum opus. In 2001, vijftig jaar na zijn eerste lectuur, herlas hij de roman: ‘Het taalgebruik is hier en daar gedateerd, maar nu en dan heb ik weer hardop gelachen, net als destijds, vooral in de tweede helft. Zijn meesterwerk, naar mijn smaak.’

Colofon

Geraadpleegde literatuur

Robbert Ammerlaan, Zijn eigen land. Amsterdam 2016.

Wim Hazeu, Vestdijk. Een biografie. Amsterdam 2005.

Marita Mathijsen, Het voorbestemde toeval. Gesprekken met Harry Mulisch. Amsterdam 2002.

Harry Mulisch, ‘Vestdijk en de leslezers’. In: Boekengids, afl. 28 (algemene editie), herfst 1957, p. 14-15.

Harry Mulisch & Onno Blom, Mijn getijdenboek, 1927-1952; Zijn getijdenboek, 1952-2002. Amsterdam 2002.

S. Vestdijk, De redding van Fré Bolderhey. (Verzamelde romans; 18). Amsterdam 1979 [1948].

Hans Visser & Anne Wadman, m.m.v. Willem Diemer & Gerben Wynia, Biografisch bijwerk. (Rondom S. Vestdijk; II). Groningen [1984].