‘O, vorst van rijm en maten!’ 200 jaar geleden werd J.J.L. ten Kate geboren

Volslagen belachelijk werd hij gemaakt, maar hij was in zijn tijd ook een grootheid: de dominee-dichter J.J.L. ten Kate. Nu, tweehonderd jaar na zijn geboortedag, is hij vrijwel totaal vergeten.

 

Hoeveel straten in Nederland zullen naar J.J.L. ten Kate vernoemd zijn? En hoeveel mensen die in een naar hem vernoemde straat wonen zullen weten wie hij was? Mateloos populair was hij in zijn tijd en vrijwel totaal vergeten is hij nu.

 

Volslagen belachelijk gemaakt is hij, dominee-dichter J.J.L. ten Kate. Eerst door Conrad Busken Huet, een ex-predikant nota bene, die schreef: ‘de heer Ten Kate zou, indien men hem van een toren stiet, nederkomen aan gruis van verzen.’ En daarna door Frederik van Eeden die in zijn onder het pseudoniem Cornelis Paradijs uitgegeven dichtbundeltje Grassprietjes (1885) een satirisch lofdicht op hem schreef en hem ook nog eens in zijn ‘Predikantenlied’ te grazen nam:

 

Maar, Goddank! zingt nu cantaten…

Daar komt J.J.L. ten Kate!         

Dankt den Heer met snarenspel

Voor Ten Kate, J.J.L.

Hij was een wonderkind, Jan Jacob Lodewijk ten Kate, geboren op 23 december 1819 in Den Haag. Op veertienjarige leeftijd bezocht hij aan de hand van zijn grootvader, toneelschrijver en dichter Jacob Eduard de Witte, de bijeenkomsten van het net opgerichte Haagse dichtkundige genootschap Oefening Kweekt Kennis. Hij was nog geen zeventien jaar toen zijn eerste bundel Gedichten in 1836 verscheen. Geheel tegen zijn zin werkte hij als klerk op een kantoor. Hij wilde theologie studeren, maar van zijn ouders kreeg hij die kans niet.

Tot zijn grote geluk zag de bekende predikant O.G. Heldring dat er meer in hem school. Hij bood hem de gelegenheid zich voor te bereiden op de academische studie. In 1837 schreef Ten Kate zich in als student aan de Utrechtse universiteit.

 

 

J.J.L. ten Kate, datum onbekend (collectie Literatuurmuseum)

In Utrecht leerde hij de ruim twee jaar oudere student natuurwetenschappen en letteren Anthony Winkler Prins (1817-1908) kennen, de latere hoofdredacteur van de naar hem vernoemde encyclopedie, met wie hij vriendschap sloot. Ze deelden de liefde voor de poëzie waar ze vaak over spraken.

Winkler Prins vertrok echter naar Amsterdam voor zijn studie. Ten Kate raakte betrokken bij de uitgave van een nieuwe literaire almanak, Aurora. Uit naam van de redacteur, J.I.D. Nepveu, schrijft hij zijn vriend op 29 mei 1839 ‘in haast’ een brief met een verzoek om een bijdrage:

 

Amice,

 

gy zult welligt niet weinig verwonderd staan, zoo kort na ons mondeling onderhoud, een’ brief van my te ontfangen – ik wil u dus maar onmiddelijk de oorzaak daarvan melden.

 

Het is als tolk van den Redacteur van den nieuwen prachtalmanak, waarover wy, zoo ge ’t u nog herinnert, gesproken hebben, dat ik u nader. En dit wel met vriendelijk verzoek, of gy den Almanak met eenige dichtregelen op het hier ingesloten plaatjen zoudt willen opluisteren.

Helaas zit het ingesloten plaatje niet meer bij deze brief uit de collectie van het Literatuurmuseum en het antwoord van Winkler Prins ook niet. Maar die heeft wel een bijdrage geleverd, ‘Lauretta’, waar een plaatje bij staat afgedrukt.
 


Een jaar later, op 24 mei 1840, vraagt Ten Kate Winkler Prins opnieuw om een bijdrage. Hij verontschuldigt zich voor het feit dat hij hem niet eerder had geschreven: ‘een opeenhoping van bezigheden, vooral door mijn aanstaande propaedeutisch veroorzaakt, heeft my zulks tot nog toe belet.’ En vervolgt dan in bloemrijke stijl:
 

 

Thands echter nu ik bovendien met eene commissie aan u belast ben, kan en mag ik het niet langer uitstellen, en neem ik de breede zwanenschacht op, waarin een exemplaar der echte Perryan steel pens [stalen pennen van Perry, een Londense fabrikant – DW] zijn naar galblazenvocht dorstenden spitsen dubbelsnavel omhoog heft. Nepveu namelijk, die u nogmaals voor uw bydrage van verleden jaar in Aurora bedankt, bied u inliggend allerliefst maagdelyn aan, met verzoek daarop een dichtstukjen naar goedvinden te vervaardigen.

Jammer genoeg is het inliggende ‘allerliefst maagdelyn’ spoorloos verdwenen. Winkler Prins heeft echter wel aan het verzoek voldaan, want in de Aurora voor 1841 staat een dichterlijke bijdrage van zijn hand, ‘De wraak’, zonder plaatje. Maar voorafgaand aan zijn gedicht staat ‘Lief Elsjen’ van Ten Kate, geïllustreerd met een afbeelding van een aantrekkelijke jongedame.

 

 

Met een kort briefje nodigt Ten Kate op 24 februari 1841 Winkler Prins voor de derde maal uit mee te werken aan de almanak:


 

Amice,

 

Deze is een uitnoodiging, namens Nepveu ook, om een bydrage in Aurora 1842, met bygevoegde vrage: of gy ook een plaatjen ter bewerking begeert, als wanneer er u ter keuze toegezonden zal worden.

Aan dit verzoek heeft Winkler Prins niet voldaan, want de Aurora voor 1842 bevat geen bijdrage van hem. Die voor 1843 trouwens evenmin. 

Het was voor Ten Kate geen reden de vriendschap op te zeggen. Integendeel. Samen vatten ze in 1842 het plan op een satirisch tijdschrift ‘heel in rijm’ te beginnen. Dat kreeg de titel Braga. Ze waren zelf de belangrijkste contribuanten, maar er werkten ook anderen aan mee, onder wie beroepsmilitair H. Kretzer en J.G. de Hoop Scheffer, die net als Winkler Prins in Amsterdam theologie studeerde.

Geen literair huisje was voor dit tijdschrift heilig, er werd zowel de draak gestoken met ouderwetse rijmelaars als met dichters van de jongste generatie. Alle bijdragen verschenen anoniem, maar in een heruitgave uit 1883 heeft Winkler Prins uit de doeken gedaan wie voor wat verantwoordelijk was. Zo werd duidelijk dat Ten Kate de productiefste en inventiefste medewerker was. Zijn fenomenale beheersing van het rijm kwam hem hier uitstekend van pas.

 

 

Anthony Winkler Prins, datum onbekend. Foto: Godfried de Jong (collectie Literatuurmuseum)

Nadat Ten Kate in 1843 was afgestudeerd begon hij aan een succesvolle loopbaan als predikant. Hij stond achtereenvolgens op Marken, in Almkerk, Middelburg en ten slotte, vanaf 1860, in Amsterdam. Hij bleef actief als dichter, in hoofdzaak van religieuze poëzie, maar maakte ook talloze berijmde vertalingen. En soms stak de oude spotgeest in hem de kop weer op: in 1859 publiceerde hij, onder de schuilnaam Een beunhaas in Bijschriften, de bundel Bragiaantjens

Ten Kate overleed op tweede kerstdag 1889, drie dagen na zijn zeventigste verjaardag. Kranten die hem bij zijn verjaardag uitbundig om zijn dichterschap hadden geprezen, moesten een paar dagen later verslag doen van zijn uitvaart op 30 december. Ze maakten gewag van ‘een ontzettende menigte’ die de kist vergezelde naar het Oosterkerkhof.

In 1890-1891 werden zijn gedichten, oorspronkelijke en door hem vertaalde, verzameld in twaalf delen. Tot 1910 verschenen er nog herdrukken van zijn werk, daarna werd het stil. Voor een herdenking van zijn honderdste geboortedag in 1919 bestond weinig animo.

Er was weliswaar in Amsterdam een Ten Kate-comité gevormd dat op 29 december een aan hem gewijde avond in de goedbezochte Engelsche Kerk op het Begijnhof had georganiseerd en twee dagen eerder was op zijn graf een palmtak met een lint in de nationale kleuren neergelegd, maar de beoogde bloemlezing uit zijn gedichten kwam niet tot stand. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw verschenen enkele (fotografische) herdrukken van door Ten Kate vertaalde boeken, en in 2006 in de Sandwich-reeks zowaar een kleine poëziebloemlezing: Eerste liefde en andere gedichten.

 

Ik wil bij Ten Kates tweehonderdste geboortedag niet pleiten voor eerherstel, maar wel even stilstaan bij leven en werk van deze man, die in zijn tijd een grootheid was.