‘Om persoonlijke redenen zou ik deze gedichten liever niet willen publiceren’ – De poëzie van Hella Haasse

Hella Haasse (1918-2011) debuteerde met een dichtbundel in 1945. Daarna zou er van haar nauwelijks nog poëzie in druk verschijnen, tot er in 2006 plotseling acht gedichten opdoken in een literair tijdschrift. Waar kwamen die vandaan?

 

Het was een grote verrassing dat er in 2006 opeens gedichten van Hella S. Haasse opdoken in het Belgische literaire tijdschrift Het Liegend Konijn. Acht gedichten waren het, en de enige informatie die het tijdschrift droogjes gaf, was de vage aanduiding: ‘Deze gedichten zijn uit de jaren 1960-1980.’ En er stond bij: ‘Recentste bundel: Stroomversnelling (1945)’.

 

Die bundel was overigens haar debuut. Het is een flinterdun boekje met dertien gedichten op 22 bladzijden – en Haasse was streng voor zichzelf geweest bij het samenstellen, want ze had toen al veel meer geschreven. Ze noteerde haar gedichten in een schriftje dat alvast de titel Cantus had meegekregen en ze bleek bij het teruglezen een kritische lezer. Haar gedicht ‘Magna mater’, dat ze schreef in 1937 en dat begint met de regel ‘O grote aarde’, beoordeelt ze als ‘Rhetorische onzin!!’ 

Uit het eerste gedicht dat de toets van haar eigen kritiek wel doorstond, blijkt een pijnlijk besef van sterfelijkheid. Hella S. Haasse begon haar carrière met dit gedicht: 

 

Ik hief mijn hand op tussen mij en ’t licht

en zag het dieprood schijnen van mijn bloed

om donk’re kern van beendren en gewricht

en wist verwonderd dat ik sterven moet

Ze had het, zo vertelde ze Onno Blom in 2002, al op haar zeventiende geschreven. Ze schreef altijd al, en deinsde terug voor ‘een verhaal met een kop en een staart, dat kon ik toen nog niet’. Maar een gedicht, dat was kort en dus veilig, aldus de visie van de oude Haasse op haar jongere zelf. Het gedicht zit technisch zorgvuldig in elkaar; net als de andere gedichten in Stroomversnelling, waarvan de thematiek traditioneel is, klassiek zelfs, met gedichten over de Phoenix, Ariadne op Naxos en gekooide, maar desondanks zingende vogels. Nee, poëzie bood haar niet de vorm waarin ze zichzelf kon zijn, en ze beschouwt de bundel dan ook als een ‘jeugdzonde’. 

Ze bleef weliswaar poëzie schrijven – haar archief bevat enkele schriften en een flinke map met grotendeels ongepubliceerde poëzie – maar een tweede bundel is er nooit gekomen. 

Kortom: dat in Het Liegend Konijn in 2006 nieuwe gedichten van Haasse stonden was opmerkelijk en het is jammer dat er niets bij stond over waar de gedichten vandaan kwamen. Sinds kort kunnen we in elk geval twee van deze gedichten iets nauwkeuriger dateren. Onlangs dook bij een veiling namelijk een drukproef op van ‘Pompeji’ en ‘Paestum’, die op het punt stonden om in 1967 gepubliceerd te worden in het zomernummer van De Gids. Haasse heeft ze nog wel gecorrigeerd, met rode pen (zo stond haar achternaam verkeerd gespeld en veranderde ze de spelling van Pompeji/Pompeï), maar daarna zette ze, met blauwe pen, een ferm kruis op de pagina en schreef de redactie van het tijdschrift een briefje waarin ze haar inzending intrekt. 

I.C. de twee gedichten (‘Pompeï’ en ‘Paestum’) in ‘De Gids’, waarvan u mij de drukproeven hebt toegezonden: om persoonlijke redenen zou ik deze gedichten liever niet willen publiceren. Ik verzoek U dus vriendelijk ze te laten vervallen. Ik zal met gelijke post aan de heer Hoornik schrijven. Mijn verontschuldiging voor de extra last. Daar de verzen reeds geruime tijd bij de redactie zijn geweest heb ik er – mede om verhuisdrukte – helemaal niet meer aan gedacht.

 

Hoewel Haasse geen bundel meer had gepubliceerd, waren er incidenteel nog wel gedichten van haar verschenen; in een verzamelbundel van haar uitgeverij bijvoorbeeld: Singel 262. Zeventien dichters (1952) en in een bundel van Nel Noordzij uit 1956: Nederlandse dichteressen na 1900. Bovendien had Ad den Besten in 1953 een paar van Haasse’s gedichten gekozen voor zijn bloemlezing Stroomgebied, waarin hij wilde laten zien dat er in zijn visie meer gebeurde dan de vernieuwing van Vijftig (al stonden de Vijftigers er wel in).

Kortom: het lag niet aan de literaire wereld dat Haasse geen dichter wilde zijn. Ze schreef wel gedichten, maar deed dat voor zichzelf. Ze koos ervoor om haar verhalen in romanvorm aan de wereld te presenteren en had geen behoefte om ‘te koop te lopen’ met ‘dit persoonlijke, die onrust en hartstocht’, zo vertelde ze in 1983 aan Kees de Bakker voor Mijn eerste boek. Het is dan ook op het eerste gezicht niet opmerkelijk dat ze de gedichten die ze aan De Gids had aangeboden om ‘persoonlijke redenen’ terugtrekt.

Maar de tekst lijkt daar toch minder aanleiding voor te geven. Dit is ‘Pompeji’:

 

Hoog onkruid in de huizen van Pompeji

De lucht bewolkt, Vesuvius onzichtbaar

Een geur van tijm en bittere oleander,

En stilte in Menanders atrium.

 

Hoe was de smaak van het verkoolde brood?

Tweeduizend jaar: een korte voorsprong, vrienden,

Vuilgrijze poppen van je laatste slaap,

Gebed in lava, tussen daagse scherven.

 

Zinloos is vlucht, de distel duurt het langst.

Ook mijn brood gruis, mijn liefde puin. En zeer dichtbij,

ontwaakt al, een vulkaan. Het regent as.

Het gedicht is zeer waarschijnlijk gebaseerd op eigen reiservaringen, Haasse kwam al vanaf 1952 graag in Italië. De beschrijving in dit gedicht is zintuiglijk: de stilte, de geur, de onwerkelijkheid van het versteende Pompeï, waarbij de ‘dader’, de vulkaan Vesuvius, nota bene onzichtbaar blijft. De verteller van dit gedicht probeert zich voor te stellen hoe het geweest moet zijn. Dat lukt, wanneer tweeduizend jaar in haar hoofd wordt teruggebracht tot een ‘korte voorsprong’. En in de slotscène wordt de verteller bedolven onder as.

Wat is hier nu zo persoonlijk aan? De thematiek, meer dan de anekdote. Het gedicht weerspiegelt Haasse’s terugkerende belangstelling voor vergankelijkheid en dood, als dragende thema’s. In Stroomversnelling schreef ze al over de vogel Phoenix en diens ‘wild verlangen naar het vuur’.

En dat geldt ook voor ‘Paestum’, de stad in de buurt van Pompeï die hetzelfde lot trof. Dat gedicht eindigt met de fraaie regels ‘Verdwaalde schelpen schud ik leeg. Ik hoor / het suizen in hun ronding aan mijn oor: / de adem van de tijd die ik verloor.’ Daar maakt ze het verliezen van de tijd tot een persoonlijk verdriet, maar niet op een manier die de meeste lezers als een ontboezeming zullen interpreteren.

Wonderlijk is het wel, om te zien hoe nonchalant ze de publicatie van die gedichten terugtrekt, zeker als je ziet hoe zorgvuldig ze eraan gewerkt had, waarschijnlijk over een periode van jaren. De ontstaansgeschiedenis is te volgen: er is een handschrift van beide gedichten, een typoscript, vol correcties (de gedichten zouden blijkbaar deel gaan uitmaken van een reeks, ‘Drie ansichten’), waarna de versie volgt die voor De Gids is bedoeld – de naam Hoornik staat rechtsonder op het vel.

Waarom de beperkingen in 2006 geen rol meer speelden, heeft Haasse nooit toegelicht. Maar dat de gedichten met instemming van Haasse in Het Liegend Konijn terecht kwamen, lijkt me duidelijk: ze heeft weer verbeteringen aangebracht. ‘Pompeji’ werd ‘Pompei’, hoofdletters verdwenen, interpunctie werd toegevoegd. De afstand in tijd werd nog wat vergroot: ‘zinloos is vlucht’, had ze in 1967 geschreven, maar dat werd toch ‘zinloos was vlucht’. En het slotzinnetje krijgt in 2006 een eigen regel, wordt daarmee wat omineuzer.

Met oog voor detail heeft ze nog naar de proeven gekeken. En ditmaal mochten de teksten wel de wereld in.