Polspijn onder de Italiaanse zon

door Mohammed Benzakour

Hoe kan het dat zo’n beklemmende, provinciale roman als Een Hollandsch drama uit je pen vloeit als je al 15 jaar woont in een zonnig Italiaans vissersdorpje? Arthur van Schendel schreef er elk jaar een boek, maar dat leverde hem ook iets anders op.

 

Een man zat in de duisternis onder de olielamp te rekenen, maar de pit begon te dalen en zyn ogen waren zwak. Hy merkte dat het koud was geworden en hy zag door de spleet van het gordyn dunnen vlokjes op de vensterruit.

 

Zie hier de mistroostige, armoedige sfeer die ik mij zo goed herinner van Arthur van Schendels Een Hollandsch Drama (1935). Dat kille, kale kamertje tijdens die donkere, Hollandse winteravond. Het boek las ik voor mijn boekenlijst, mijn enige Van Schendel, daarna nooit meer. Ik had mijn portie troosteloosheid wel gehad. Dit moest een schrijver zijn die zijn hele leven rondwaarde onder een asgrauwe lucht, vastgekleefd tot onder zijn oksels in de Achterhoekse klei, jassen dragend die een zurige geur van rotte kool uitwasemden.

 

Maar niets is minder waar. Toen Van Schendel dit boek schreef genoot hij al bijna vijftien jaar met volle teugen van een verrukkelijk mediterraan klimaat aan een verrukkelijke baai – de Italiaanse Baia delle Favole! Pal vanuit zijn schrijverskamertje, in het pittoreske vissersdorpje Sestri Levante, keek hij uit op een zonovergoten kade. Een vrolijk decor waar de ganse dag blauw-witte bootjes binnenvoeren met netten vol spartelende ansjovis en waar ’s avonds de vette brasems op het grillrooster belandden.  

Wat een bon vivant, die Van Schendel! Daarvóór hield hij nog een poosje domicilie in Florence, ook zo’n zonovergoten Eldorado.

De officiële lezing is dat hij (in 1920) naar Italië verhuisde omdat zijn vrouw (zijn tweede inmiddels) met gezondheidsproblemen kampte. Dat zal best waar zijn, maar zo’n mediterrane emigratie lijkt mij, en hem vast ook, bepaald geen straf. Tussen haakjes: het zou mij niet verbazen als Arthur van Schendel in een vorig leven Italiaan was of misschien zelfs Marokkaan – die donkere, guitige ogen, die zwarte, krulligere bol…  

En toch, ik vraag me af hoe het kan dat wanneer je iedere ochtend verwelkomd wordt door een gul zonnetje en een azuurblauwe zee, omringd door geuren van geroosterde sardien en espresso’s, er toch zoiets provinciaal beklemmends als Een Hollandsch Drama uit je pen vloeit? Hoe je dan toch kan besluiten om te schrijven over een man die in een rillerig kamertje bij het spaarzame licht van een olielamp de kas opmaakt terwijl buiten vlokken dwarrelen.

Een kind als het geboren wordt is zoo wit als sneeuw, maar wie wel toeziet bemerkt op de sneeuw een roode vlek, dat is de zonde.

Hoe diep kan iemand vergroeid zijn met z’n geboortegrond? Met de kerk van z’n voorvaderen?

Van Schendel was geen Vestdijk, nee, maar hij kan beslist bogen op een rijk en gevarieerd oeuvre. Vanaf 1896 perste hij er bijna ieder jaar een boek uit, en anders wel een verhalen- of gedichtenbundel. Het leverde hem bij leven al drie mooie prijzen op, plus postuum de P.C. Hooft-prijs, aanzien, roem, vrienden uit alle lagen (onder wie Menno ter Braak en Jan Greshoff), benoemd tot de Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1939), én zelfs: voorgedragen door een paar hoogleraren (1938) voor de Nobelprijs. Maar, o noodlot, al dat pennen, al dat krabbelen, noteren, registreren en krassen, het leverde hem óók iets anders op: razende pijn aan de rechterpols – waarschijnlijk als gevolg van een verregaande gewrichtsontsteking. De pijn was zo heftig en stekend dat hij onmachtig was om verder te schrijven. Dit vonden zijn vrienden zo bedroevend dat ze hem een typemachine cadeau deden. That’s what friends are for.

 

Van Schendel (rechts) met Jan Greshoff (links) en Menno ter Braak in Sestri Levante, 1935

Polspijn, het klinkt haast nostalgisch, deze kwaal. Je hoort het tegenwoordig nooit. Hedendaagse schrijvers kampen doorgaans met heel andere kwalen en noden. Nek- en rugpijnen, drankzucht, hallucinaties, slapeloosheid, hypochondrie, depressies, chipszucht, chocoladezucht, verwardheid, hardop praten, haperende stoelgang, trosjes aambeien. Ook hoor je over krappe behuizingen, ongezonde kost, inferieure matrassen, ruzies met huisbazen, verwaarloosde gebitten vanwege onbetaalbare zorgverzekeringen, fiscale aanmaningen omdat de auteur ergens een lullig geldprijsje ontving en verzuimde daarover aangifte te doen, etc.

Nee, Van Schendels polskwaal stamt uit een tijd ver vóór de RSI-arm. In zijn tijd deed men nog niet aan fysiotherapie en fitnesstraining. Het was het tijdperk dat schrijvers geen aandacht besteedden aan ergonomische bureaustoelen.

Van Schendel werd geteisterd door ’n echte, klassieke schrijverskwaal. Zo staat het ook letterlijk opgetekend in de aantekeningen bij de röntgenfoto’s van z’n handen (december ’36 en januari ’37), genomen door het Amsterdamse Consultatiebureau Tot Bestrijding der Tuberculose: ‘schrijvers-kwaal’.

 

Zijn polskwellingen speelden het heftigst op midden jaren dertig – en dat wekt geen bevreemding. Het was de periode waarin Van Schendel behalve een paar kloeke romans (Een Hollandsch Drama, Grauwe Vogels, De Wereld een Dansfeest) maar liefst 29 verhalen (!) de wereld in stuurde.

Zo warm en zonnig als zijn leven eindigde, zo somber en treurig ving het aan. Als kind al kreeg hij talloze verhuizingen achter de kiezen, kon nooit ergens aarden, of echte vriendjes maken. Schiep als jongeling vooral veel behagen in de teksten van Franse dichters, maar toen zijn grote idool Paul Verlaine een lezing kwam geven in Amsterdam had Arthur geen geld om erheen te gaan. Van het weinige dat hij bezat waren zijn boeken hem het dierbaarst. In de binnenkant van een zijn boekjes, een bloemlezing van Multatuli, schreef de jonge Arthur een lollig, verwittigend versje:  

Mijn boeken heb ik als mijn vrienden lief.

Graag leen ’k ze uit maar wil ze weer op tijd

En zonder vouw of scheur of vuiligheid.

En die ze houdt, verklaar ik voor een dief.

Toen hij later naar Cuba wilde afreizen om mee te doen aan de communistische opstand werd hij ziek en ging niet. Pas na een inzending van een gedicht, wordt-ie ontdekt door Fiore della Neve (pseudoniem voor M.G.L. van Loghem), die hem de toneelschool adviseerde, welk advies hij opvolgde. Hij slaagde voor het toelatingsexamen, maar kwam er algauw achter dat toneel toch niet zijn bestemming was. Eerder deed hij al een vergeefse poging figurant te worden in het theaterstuk Hamlet. Van Schendels inspirators en idolen leefden in verre oorden en oude tijden. In zijn ongepubliceerde jeugdherinneringen staat bijvoorbeeld opgetekend:

Dat De Nieuwe Gids zo weinig invloed had op eigen groen werk zal wel komen omdat ik opzag naar een machtiger geest (...) vooral Hamlet, Macbeth, Richard III grepen mij aan.

 

Schilderij van Van Schendel door Jan Poortenaar, 1955 (collectie Literatuurmuseum)

Een bijzondere, eigenzinnige geest, Arthur van Schendel, maar hij wordt anno 2019 nauwelijks meer gelezen. Op boekenlijsten komt hij niet meer voor, de jeugd kent hem niet. Dit stemt diep droevig. Gelukkig is er het Literatuurmuseum, en gelukkig ook de Arthur van Schendel Stichting (bestierd door de erven), die zijn prachtige nalatenschap in ere houden. Zonder hen zouden we wellicht nooit gehoord hebben van de schitterende zinnen die de man, in de herfst van zijn zomers bestaan, nog uit zijn pen, pardon, typemachine liet vloeien:

 

Hier op de groene heuvel, aan de rand

van de vallei, zet ik mijn vouwstoel neder,

omringd van zomers kruid en zonneschijn,

met potlood en een nutteloos papier,

en denk aan dichters van weleer toen ook

voor hen de tijd van stille handen kwam,

de pen vergeten op de tafel lag.