Hans
Lodeizen

1950

Jan Campert-prijs
Hans Lodeizen (1924-1950) kreeg de Jan Campert-prijs 1950 voor zijn bundel Het innerlijk behang – postuum toegekend.

‘De toekenning (…) zal in de kringen der jonge litteratoren zeker met veel voldoening worden vernomen,’ schreef Het Vaderland, ‘want Lodeizen is “de Perk der jongeren” genoemd. Zijn oeuvre is niet omvangrijk, maar dat hij begaafd was en een oorspronkelijke geest bezat is buiten kijf.’ Zijn poëzie was melancholiek getoonzet en Lodeizen schreef in vrije, rijmloze verzen. Jacques Perk was voor de literaire generatie van Tachtig een wegbereider geweest en dat was Lodeizen voor de generatie van Vijftig.  

 

Het innerlijk behang was de enige bundel die de dichter publiceerde, in 1949. Hij stierf op 26 juli op 26-jarige leeftijd aan leukemie in een kliniek in Lausanne. Hij had enkele jaren in de VS gestudeerd en was vanwege zijn ziekte teruggekeerd naar Nederland. 

 

eens toen ik bij de mieren 

in Zwitserland woonde 

hoorde ik dat de wijsheid 

een bergbeek voorstelt 

klaterend uit de hemel 

maar ik luisterde niet 

 

later wachtte 

ik voor de open rots 

maar de uren smolten 

het blauw kristal niet 

 

eindelijk viel  

een lange regen  

in mijn voetstappen. 

 

J. Greshoff had Het innerlijk behang op 3 juni 1950 lovend besproken in Het Vaderland. ‘De insinuerende eentonigheid van de stem werkt iedere keer opnieuw duidelijk en diep op mij in. Het is of Lodeizen mij iets in het oor fluistert, iets geheims, noodlottigs en verbodens. Het is per slot van rekening niet zo erg verboden, noodlottig of geheim; doch deze erkenning wist de eerste indruk niet uit. Poëzie is, gelukkig, nog altijd, ook voor de jongeren van nu, boerenbedrog, waaraan de dichter een tragische ernst verleent. De zeer bijzondere gave daarvoor benodigd, bezit Lodeizen in een mate, welke tot de grootste zeldzaamheden behoort.’ 

 

De vader van Hans Lodeizen zag af van de geldelijke beloning van 500 gulden, ‘en erin toegestemd dat dit bedrag wordt gebruikt als prijs voor het beste essay over het werk van zijn zoon’, schreef Het Parool eind november 1951. Voor 1 september 1952 kon het essay ingezonden worden en men werd in de gelegenheid gesteld ook het ongepubliceerd werk en andere gegevens uit de nalatenschap in te zien. Op 16 december 1952 meldde De Telegraaf dat de prijsvraag voor het essay over Lodeizen niet tot een bekroning had kunnen leiden. ‘Er is besloten twee letterkundigen opdracht te geven tot het schrijven van een dergelijke studie en wel aan Adriaan Morriën en Paul Rodenko.’ 

 

Het werk van Lodeizen is altijd populair gebleven. ‘Hans Lodeizen is een beetje de held in de moderne Nederlandse poëzie,’ schreef dichter en criticus Leo Herberghs in 1969 in De Limburger, toen uitgeverij Van Oorschot het nagelaten werk uitbracht, waaronder ook proza. ‘Hij wordt beschouwd als de man die de experimentelen vóór gegaan is. (…) Zijn poëzie is ontwapenend door de toon van jongensachtige argeloosheid, door de droefheid die hij niet altijd weet te verbijten.’ In 1962 verscheen de verzameluitgave Gedichten.  

Jury

De jury bestond uit: F. Bordewijk, Martinus Nijhoff en J. Hulsker.