Nes
Tergast

1954

Jan Campert-prijs
Nes Tergast (1896-1974) kreeg de Jan-Campertprijs 1954 voor de bundel Werelden. De dichter weigerde de prijs.

‘Deze bundel, de vierde van de dichter in bijna vijftien jaar, is merkwaardig door de ontwikkeling waarvan hij getuigt,’ schreef de jury. ‘Van een surrealistisch geaard, naar de vorm vrij traditioneel gedicht, is deze poëzie naar een volkomen vrij vers geëvolueerd, waarin de dichter een doorgaans gelukkig en bijna altijd verantwoord gebruik maakt van vrijwel alle middelen, waarover de moderne, ook experimentele, poëzie in binnen- en buitenland beschikt.’  

 

In 1940 verscheen de dichtbundel Glas en schaduw in de Helikon-reeks van de Haagse uitgever A.A.M. Stols, die tot 1951 in het eerste bestuur van de Jan Campert-Stichting zat. De bundels Het moederland – Tergast was geboren op het eiland Java – en Deliria verschenen in 1949 en 1951 bij De Bezige Bij. Eerder publiceerde hij ook onder het pseudoniem Bruno van Nes. Zijn werk was in hoge mate modern, maar Tergast deed niet mee aan modes. Volgens de jury was ‘de waarde van zijn poëzie (…) te vinden in de rijpheid en de volgroeidheid van zijn persoonlijkheid en in zijn authenticiteit’. ‘Bij hem is de poëzie de noodzakelijke en treffende uiting van een mens, die zowel met de zintuigen als met geest en hart leeft en die zich daardoor het recht, en, in de loop van zijn poëtische activiteit, ook het vermogen verworven heeft, om deze expressie in eigen, ongereglementeerde, maar nauwlettend-luisterende vormen te doen opbloeien. Opbloeien, inderdaad, omdat deze gedichten gevoed worden door een nerveus, sterk-bewogen pathos en door een onmiskenbare noblesse.’ 

 

Hoe lovend ook, Nes Tergast weigerde de prijs. Hij verantwoordde zich – na nogal wat aandacht – in het tijdschrift Maatstaf (3e jrg. 1955/56): ‘De toekenning van de Jan-Campertprijs heeft mij, hoe zou het anders kunnen, op zichzelf natuurlijk veel genoegen gedaan. Dat ik niettemin gemeend heb, hem niet te moeten aanvaarden, ligt in het feit, dat ik ernstige bezwaren heb tegen resp. kritiek op het instituut van overheids- en semi-overheidsprijzen, zoals dit thans bestaat op het gebied van de letterkunde, en in dit opzicht vóór alles mijn vrijheid voor de toekomst ongeschonden wenste te houden.’ De overheid hoorde letterkundigen structureel tegemoet te komen en ‘schoot tekort m.b.t. de zorg voor diens brood’. ‘Op z’n best’ maakte die overheid zich er ‘met wat incidentele blikjes vispastei van af’. ‘Het is ganselijk mijn bedoeling niet, voor een “constant volle” maag van de letterkundige te pleiten; maar wel voor op z’n minst een dagelijkse desnoods slechts schriel bemargariende of zelfs droge boterham voor hem en zijn gezin. Of, in het algemeen gesproken, voor de mogelijkheid dat hij zich ook en uitsluitend als letterkundige een draaglijk menswaardig bestaan kan scheppen.’ 

Jury

De jury bestond uit: Bert Bakker, Pierre H. Dubois en A. Mout. Aan de prijs was een bedrag van 1.000 gulden verbonden.