Judith
Herzberg

1981

Jan Campert-prijs
Judith Herzberg (1934) kreeg de Jan Campert-prijs 1981 voor de bundel Botshol.

Botshol 

 

Altijd bang in nachtdiep water 

dat is bang aan land. 

 

Dit is geen hol, eerder een leegte 

geen stootrand voor begrip, begeerte, 

 

noch een grot met ruwe wanden 

waarin op de tast. 

 

Zonder randen ligt het zonder 

berm, horizon, houvast. 

 

Geen bodem waarop schaduw meevaart. 

Helder het zwartst. 

 

Onttrekt zich in verte aan verte 

onttrekt zich in vlakte. 

 

Water onder water 

luistert niet. Likt niets los. 

 

Botshol (1980) is de vijfde bundel van de dichteres die in 1963 debuteerde met Zeepost. Haar poëzie werd direct zeer goed ontvangen. Voor recensent Rein Bloem was het de ‘ontroerendste poëzie van de laatste tijd’, Adriaan Morriën noemde de ‘vermenging van concrete observatie en tastende bezinning’ uiterst zeldzaam.  

'In deze bundel heeft zij haar relatie tot die ander op diverse manieren in poëzie omgezet, maar altijd zó, dat het persoonlijke herkenbaar en dus inleefbaar wordt.’

In haar gedichten is het persoonlijke tot poëzie geworden, stelde de jury, omdat Herzberg er op ‘eigen en subtiele wijze’ in slaagt ‘datgene wat wel haar eigen “innerlijke behang” moet zijn, zó te transformeren, dat het een algemener geldigheid krijgt. (…) Wat een bondige natuurimpressie lijkt, zoals in het gedicht “Juli”: “Ik ben mijn jongen kwijt/ goud gaf ik voor geritsel/ mijn nest zit me te wijd.”, wordt in de kontekst van de bundel een perfekt verwoord gevoel van ouder worden, nog geaccentueerd door de volheid suggererende titel. Datzelfde besef wordt, twee gedichten later, op een geheel andere, parlando-achtige wijze verwoord, met een heel andere, troostrijker uitkomst: het ouder worden, gekenmerkt door het bezit van grijze haren, “verschaft toegang. Tot hoofden die precies even wit en niet wit zijn als het mijne, (...)”. De poëzie van Judith Herzberg is wat men zou kunnen noemen “relationele poëzie”: het gaat bijna altijd om de verhouding tot de ander, of die ander nu zijzelf is (…) of iemand anders. In deze bundel heeft zij haar relatie tot die ander op diverse manieren in poëzie omgezet, maar altijd zó, dat het persoonlijke herkenbaar en dus inleefbaar wordt.’ 

 

Vanaf begin jaren zeventig schreef Judith Herzberg ook toneelwerk en teksten voor muziektheater. Tussen 1975 en 1980 werkte ze bovendien met Frans Weisz aan de film Charlotte (1981), over de joodse schilderes Charlotte Salomon die in 1943 door de nazi’s werd vermoord. In 1980 kreeg Herzberg een toneelopdracht van de Jan Campert-stichting, die in 1982 zou leiden tot haar beroemde stuk Leedvermaak

Jury

Van de jury maakten deel uit: Harry Bekkering, Pierre H. Dubois, Margaretha Ferguson, Han Foppe, Jacques den Haan, Gerrit Kamphuis, Anton Korteweg, André Matthijsse en Paul de Wispelaere.

 

Uitreiking

Aan de prijs was een bedrag van 4.500 gulden verbonden. De uitreiking vond plaats op vrijdagavond 18 december 1981 in het Haagse stadhuis. 

 

Credits portretfoto: Erik Mattijsen