Jan
Campert
prijs

De Jan Campert-prijs is de jaarlijkse poëzieprijs van de gemeente Den Haag. Het Literatuurmuseum verzorgt de prijsuitreiking, die doorgaans plaatsvindt in januari.

 

 

De prijs

De Jan Campert-prijs werd net als de Constantijn Huygens-prijs en de F. Bordewijk-prijs op 20 januari 1948 ingesteld. Dichter Jan G. Elburg was dat jaar de eerste laureaat. De prijs was aanvankelijk niet alleen bedoeld voor dichters, maar voor ‘een Nederlandse schrijver die niet ouder is dan dertig jaar en wel voor een gedicht of gedichtenbundel of een essay of een bundel essays op letterkundig gebied’. Ook ongepubliceerd werk kon ingezonden worden. Alleen aan de eerste laureaat werd bovendien de voorwaarde gesteld dat deze zich door zijn of haar houding in het verzet moest hebben onderscheiden. Later werd er in de juryrapporten wel expliciet melding van gemaakt als dat het geval was. Dit was een eerbetoon aan de naamgever: Jan Camperts verzetsgedicht ‘De achttien dooden’ was in 1943 als rijmprent door de illegaliteit verspreid om verzetswerk te kunnen bekostigen. 


Al spoedig werd de prijs gereserveerd voor een poëziebundel die in het voorafgaande jaar was verschenen. De leeftijdsgrens werd in 1951 losgelaten. De prijs bedroeg aanvankelijk 500 gulden, in 1961 werd het bedrag op gelijke hoogte gebracht met dat van de Vijverberg-prijs (later hernoemd tot F. Bordewijk-prijs). Tegenwoordig bedraagt de prijs 6.000 euro.

 

 

Jan Campert

Dichter, journalist en schrijver Jan Campert (1902-1943) schreef voor diverse kranten en was criticus voor in die tijd toonaangevende literaire en culturele tijdschriften als De Gids, Groot-Nederland, Nederland en De Tooneelspiegel. Zijn debuutbundel Refereinen verscheen in 1922 en behalve poëzie schreef hij novellen en romans, waaronder de autobiografische roman Slordig beheer (1941). 

 

Jan Camperts bekendste gedicht is ‘De achttien dooden’, over de executie van Nederlandse verzetslieden op 13 maart 1941 op de Waalsdorpervlakte. Jan Campert werd op dinsdag 21 juli 1942 gearresteerd bij een poging Joden over de Belgische grens te helpen. Vanuit doorgangskamp Amersfoort werd hij later dat jaar op transport gezet. Op 12 januari 1943 stierf hij in concentratiekamp Neuengamme. 

 

‘De achttien dooden’ was de maand na zijn overlijden in het illegale Vrij Nederland gepubliceerd. Geert Lubberhuizen, uitgever van De Bezige Bij in oprichting, drukte het als rijmprent. Het gedicht kende grote oplagen en werd landelijk verspreid door het verzet. De opbrengst ging naar het Utrechts Kindercomité, dat Joodse kinderen hielp onderduiken. Een ander bekend verzetsgedicht van Campert was ‘Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht’ uit de bundel Sonnetten voor Cynara (1942). Al in 1933 had hij over het nationaalsocialisme geschreven in Ballade der verbrande boeken


In 1947 werden Jan Camperts verzamelde gedichten postuum uitgegeven bij de Haagse uitgever A.A.M. Stols, met een voorwoord van G.H. ’s-Gravesande (naamgever van een van de andere Jan Campert-prijzen). Op 18 augustus van dat jaar werd de Jan Campert-Stichting in het leven geroepen, ter ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’. Ook Stols was bestuurslid van het eerste uur. 


Uit Jan Camperts korte huwelijk met actrice Joekie Broedelet werd in 1929 in Den Haag zoon Remco Campert geboren, die in 1980 over de dood van zijn vader het gedicht ‘Januari 1943’ schreef. 

 

 

 

Jan Campert met Joekie Brodelet in Hoorn, eind jaren 20. Foto: collectie Literatuurmuseum