‘Beste Hanlo, veel dank voor je brief, ik ben er erg trots op’

Ze worden allebei nog regelmatig genoemd, maar nooit in verband met elkaar: Renate Rubinstein en Jan Hanlo. Toch hadden ze wel degelijk iets met elkaar te maken. Hun contact was summier en niet baanbrekend, maar tegelijk ook veelzeggend en verrassend, stelt Thomas Heerma van Voss. 

 

Ze worden allebei nog regelmatig genoemd, maar nooit in verband met elkaar. Dat valt goed te begrijpen: ze schreven boeiende, krachtige oeuvres waaruit nog steeds wordt gelezen. Ze hadden ieder een volstrekt eigen stijl, een eigen blik, een eigen poëtica – en zelfs als ze wél in verband met andere schrijvers werden gebracht, dan nog vielen de namen Rubinstein en Hanlo hoogst zelden binnen één zin. In stukken over Renate Rubinstein (1929-1990), journaliste en schrijver van onder andere de roemruchte Tamar-columns in Vrij Nederland, duikt onvermijdelijk de naam Carmiggelt op, en ook worden af en toe W.F. Hermans en Hugo Brandt Corstius genoemd. Rondom Jan Hanlo (1912-1969) cirkelen de Vijftigers en we kennen de Jan Hanlo Essayprijs. Soms wordt in stukken over hem opgemerkt hoezeer zijn homoseksuele pedofilie zijn bestaan – en ook dat van anderen – kenmerkte. Elders wordt alleen beschreven hoe geïsoleerd hij leefde.  

 

Toch hadden Rubinstein en Hanlo wel degelijk iets met elkaar te maken. Hun contact was summier en niet baanbrekend, maar tegelijk ook veelzeggend en verrassend. In het Literatuurmuseum liggen veel brieven van Rubinstein opgeslagen – aan Hermans, aan Karel van het Reve, aan Carmiggelt, en dus ook aan Hanlo. De eerste nagelaten brief van Rubinstein (daterend van 20 augustus 1966) is keurig, ietwat formeel. ‘Onlangs heb ik in Vrij Nederland een gedicht van je gebruikt voor eigen doeleind. Een beetje misbruik, kun je wel zeggen, maar ik kan het niet beter. Ik weet niet of je het zag, het stukje heette Achterstevoren. In elk geval hoop ik dat je er geen aanstoot aan nam en ik stuur je hierbij een knipsel.’ En dan, een ontroerende zin, waarvan ik de ernst niet helemaal kan peilen: ‘Misschien stuurden een heleboel mensen het al aan je?’  

 

Renate Rubinstein aan Jan Hanlo, 20 augustus 1966. Collectie: Literatuurmuseum

 

De Tamar-column waarover Rubinstein het heeft gaat over de tijd. Preciezer: over het verstrijken van de tijd, over ouder worden. En over hoe heerlijk het zou zijn als het leven achterwaarts zou kunnen worden geleefd. Dit laatste is het thema van Hanlo’s gedicht, ‘Wij komen ter wereld’ (1946); dit is vrij klassieke poëzie, qua taal (helder), qua sfeer (intrigerend), qua opbouw (overzichtelijk). Hanlo doet in dit gedicht iets wat hij in veel van zijn werk doet: hij bevraagt de alledaagse werkelijkheid op originele wijze. In haar brief houdt Rubinstein zich opvallend genoeg verre van een oordeel, maar in haar column noemt ze het ‘één van de mooiste gedichten van deze schrijver van zoveel mooie gedichten’. Ze citeert dan ook meerdere strofes. 

 

Wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven;  

met rouw die gepast is, omdat wij nog dood zijn. 

Ons lichaam ontstond uit de grond en uit planten,  

om eens te bereiken een veilige haven.  

 

Die veilige haven is de moederschoot, stelt Rubinstein in haar column, en vermoedelijk zal niemand die lezing betwisten: Hanlo’s gedicht is boeiend maar niet raadselachtig, het blijft niet bij als multi-interpretabel poëtisch raadsel of iets dergelijks, eerder als goed geformuleerd gedachte-experiment. Beginnen op het kerkhof, eindigen in de moederschoot, en daartussenin een leven leiden waarin je steeds jeugdiger en fitter wordt (behalve gedurende de laatste vijftien jaar). ‘Gezeten aan tafel, met helder wit linnen,’ is nog zo’n strofe die Rubinstein aanhaalt, ‘baart onze mond, met stijgend genoegen / vruchten, radijzen, volmaakt reeds van vormen’. 

 

Het doet Tamar concluderen: ‘Als je dat gedicht gelezen hebt – het is in werkelijkheid veel langer, en natuurlijk veel mooier, dan in mijn samenvatting – twijfel je er niet meer aan dat het leven precies verkeerdom ingericht is.’ Wat boeiend hieraan is: dit soort onvoorziene ideeën is niet alleen kenmerkend voor Hanlo’s poëzie, maar ook voor Rubinsteins schrijven; tegendraads, en scherp geïllustreerd met voorbeelden. Het merendeel van haar column vult ze met een voorstelling van hoe dat wenselijke omgekeerde leven eruit zou zien. Huwelijken zouden beginnen met sleur en gewenning, waarna ze steeds sprankelender zouden worden en zouden eindigen in grootse verliefdheid. De menselijke beschaving? In de oertijd zou er een atoombom zijn, stelt Rubinstein, erna zou de wereld stukje bij beetje vredelievender worden. Concentratiekampen zouden verdwijnen, eerst zouden er straaljagers rondvliegen maar daarna alleen zweefvliegtuigen en ten slotte alleen nog vogeltjes.  

 

Renate Rubinstein aan Jan Hanlo, 28 augustus 1966. Collectie: Literatuurmuseum

 

De maanden rondom Rubinsteins column ontvouwde zich een correspondentie. Hanlo’s brieven zijn gepubliceerd in zijn postume bundeling Brieven 1963-1969. Wat vooral opvalt aan zijn aandeel in hun correspondentie is dat hij het heen-en-weer-schrijven best plezant lijkt te vinden, maar zich vooral bezighoudt met publiceren – van zijn poëzie en proza, van zijn brieven zelf. Zo schrijft hij Rubinstein vanuit Marrakech, waar veel van zijn post vandaan komt (hij leeft daar enkele maanden eind jaren zestig, in een brief aan Rubinstein noemt hij de stad ‘een kermis’), of ze hem kan helpen met het publiceren van nieuwe fictie. Dat Avenue waar zij hem eens over schreef, ‘is dat wat’? En is het een optie? Anders, heeft hij alvast bedacht, kan het naar Barbarber. Wil zij daar een bemiddelende rol bij spelen? (Tevens schrijft hij: ‘Elsevier is een onschadelijk blad voor de brave burger.’) De dag erna al stuurt hij, kennelijk bevangen door ongeduld, haar opnieuw een brief. ‘Zou je me niet per ommegaande per luchtpost aan een perskaart voor Avenue of iets dergelijks kunnen helpen? Ik heb dat nodig.’ Ook schrijft hij: ‘Deze brieven, ik schreef er vandaag weer een bij, de 3e, kosten mij erg veel inspanning en tijd.’  

 

Toch schrijft hij juist opvallend veel, in een tempo dat een ietwat opportunistische indruk wekt. Vrijwel direct na bovenstaande brief schrijft hij zelf alvast naar de redactie van Barbarber, waarbij hij nadrukkelijk verwijst naar zijn correspondentie met Rubinstein en vraagt of zijn brieven gepubliceerd kunnen worden. Een dag na die brief komt er alweer een volgende (18 maart 1966): ‘Hier ben ik alweer wat. ik hoop dat mijn vorige lange brief jullie bereikt heeft (….).’ Hij verwijst naar zijn contact met Rubinstein en schrijft: ‘Zet dit ook maar in Barbarber (…).’ Met andere woorden: hij lijkt nogal in beslag genomen door publiceren, al lijkt het ook weer niet zo dat hij uitsluitend hierom met Rubinstein correspondeert. Bij tijd en wijle lijkt haar post hem werkelijk goed te doen en bezig te houden. ‘Lieve Renate,’ schrijft hij op enig moment, ‘heel hartelijk dank voor je lieve brief. Het eerste teken – sinds lang – van leven dat ik uit Holland krijg.’  

 

 

‘Iemand die zo graag gelukkig wil zijn, dat hij er maar meteen mee begint – dat vond ik wel een leuk idee. Bij kleine kinderen zie je dat wel, maar kennelijk komt er vaak iets tussen’  

 

 

Vrij snel daarna begint hij toch weer, alsof hij het niet kan laten, over mogelijke publicaties. Er zijn intussen al meerdere van zijn brieven gepubliceerd – Hanlo lijkt inmiddels te wensen dat ze allemaal in druk verschijnen. ‘Ik hoop niet dat je het vervelend vindt dat ik toch een poging doe méér brieven in Avenue te krijgen, hoewel ik heel goed begrijp dat je voor jouw rubriek [in Vrij Nederland] reeds voldoende hebt, en dat je jouw rubriek niet maandenlang met de avontuurtjes van meneertje Hanlo kunt volstoppen.’ Op diezelfde dag nog schrijft hij ook naar H. van Teylingen, dichter en tevens redacteur van Avenue. ‘Zij [Rubinstein] heeft mij altijd – en ook nu weer – zeer geanimeerd en gestimuleerd te schrijven en dingetjes aan Avenue te sturen. (…) Nu dacht ik: misschien kunnen er brieven van mij in Avenue gepubliceerd worden in een andere rubriek dan de “literaire” van Renate.’ En dan, een veelzeggend zinnetje gezien zijn eerdere opmerking over Elsevier: ‘Mochten de latere brieven in Avenue niet het geschikte medium vinden (…), dan wil ik ze ook wel in Elseviers weekblad hebben (…).’  

 

Zo krijgt de correspondentie tussen Hanlo en Rubinstein een wonderlijke vorm. De brieven draaien om taal en om werk; het is een uitwisseling waarbij de twee elkaar duidelijk waarderen en op prijs stellen en tegelijkertijd ook de ander – overigens op tamelijk fatsoenlijke wijze – gebruiken voor hun literaire inspanningen. Hanlo doet dit laatste in de brieven meer onomwonden dan Rubinstein, maar ook zij maakte zich hier na haar Tamar-column schuldig aan. Zo schrijft ze hem: ‘Beste Hanlo, veel dank voor je brief, ik ben er erg trots op. Zozeer zelfs dat ik er een klein stukje uit geciteerd heb in het stukje dat ik vandaag schreef en dat a.s. donderdag in V.N. zal staan.’ (28 augustus 1966) 

 

Renate Rubinstein aan Jan Hanlo, 18 september 1966. Collectie: Literatuurmuseum

 

 

Dit citeren gebeurde dus zonder overleg of toestemming – er zijn literaire vetes om minder ontstaan. Maar Hanlo en Rubinstein bleven altijd op goede voet met elkaar. Naar eigen zeggen durfde Rubinstein zo vrijelijk uit hun privécontact te citeren ‘omdat je erbij schreef dat je dat eigenlijk naar The Observer zou moeten sturen – nu gaat het dus naar V.N.’ Dit stuk heeft ze niet bijgevoegd. Wel is haar brief een stuk uitgebreider dan eerder. Ze reageert op zijn opmerkingen over literatuur, over hoe ze beiden gelezen worden, over geluk en hoe mensen gelukkig kunnen zijn. Enkele mooie formuleringen onderstrepen hun duidelijke geestverwantschap: ‘Iemand die zo graag gelukkig wil zijn, dat hij er maar meteen mee begint – dat vond ik wel een leuk idee. Bij kleine kinderen zie je dat wel, maar kennelijk komt er vaak iets tussen.’  

 

Dat iets, tja, dat is wat mensen doorgaans het leven noemen – maar ze vonden in elk geval de tijd om elkaar te blijven schrijven. Er zijn zeker vijftien brieven nagelaten. Hanlo schrijft: ‘Leuk dat je hem voor een stukje hebt gebruikt.’ En in een nieuwe brief: ‘Dank voor je uitvoerig citaat uit mijn brief aan je.’ Ook komt hij terug op de kwestie van het omgekeerde leven: ‘Ja, dat gelukkig zijn. Inderdaad, dan maar helemaal geen muziek meer. Maar misschien is het eerder: het mokken om het uitblijven van de muziek durven opgeven. Mokken is blijkbaar ook een soort geluk, zij het dat het met tandenknersen te maken heeft.’ 

 

Op 6 september is Rubinsteins aanhef ‘lieve Hanlo’ geworden. Wanneer Hanlo terug is uit Marokko, wordt er ook af en toe verwezen naar ontmoetingen los van hun schrijverij. (Hij nodigt haar eens uit voor een expositie. Elders schrijft hij: ‘Tot de volgende Bijenkorf-boekenverkoop, dan zien we elkaar, deo volente, misschien weer.’) En behalve brieven, gedichten en gedachtewisselingen over haar column stuurt hij haar ook een kort verhaal ‘over een vies hondje’ van zijn hand, dat ze in haar antwoord ‘mooi’ noemt. Dat lijkt na haar eerdere lof over zijn werk ietwat zuinigjes, maar misschien komt dat doordat dit proza nog ongepubliceerd is. ‘Ik denk wel dat ze het in V.N. zullen nemen als ik het ze geef, maar ik weet het niet zeker omdat V.N. nooit (of zelden?) verhalen publiceert en ze de pest hebben aan mij.’ Is dit ironie? De rest van de brief wekt een serieuze indruk.

 

Renate Rubinstein aan Jan Hanlo, 6 september 1966. Collectie: Literatuurmuseum

 

Rubinstein raadt hem Avenue aan in plaats van Vrij Nederland. Avenue betaalt echt beter, schrijft ze, en bereikt meer mensen. Hij reageert – natuurlijk – meteen, schrijft alweer de redactie aan, zoekt intussen ook contact met zijn uitgever Geert van Oorschot met de vraag of die een ‘boekje’ van zijn correspondenties wil maken, inclusief zijn epistels aan Rubinstein. (Dit is postuum dus gebeurd, al werd het geen boekje, het werd een lijvig boekwerk.) Kort samengevat: in vrijwel al Hanlo’s brieven – en ja, zeker ook in die aan Rubinstein – komt er vroeg of laat een verzoek. (‘Zou jij dat eens aan V.N. willen aanbieden? Je hoeft bij mij nooit bang te zijn voor concurrentie! Daarvoor is mijn productie veel te klein.’) Toeval of niet, vlak nadat Rubinstein hem aanraadt bij wie hij bij Avenue wellicht terecht kan voor zijn proza, stuurt hij haar een geschenk toe. ‘Wat een mooie pen!’ schrijft ze op 18 september 1966. ‘Ik heb er nog nooit zo één gezien, die zo dun kan schrijven, met dat vilt.’  

 

Met zijn motorfiets reed Jan Hanlo op 14 juni 1969 zijn noodlot tegemoet

Lees ook

Ze verwijst alweer naar een artikel – uit alles blijkt: dit zijn verwante geesten die nog het nodige te bespreken hebben. De afsluiting: ‘Veel liefs.’ En natuurlijk dank. Niets hiervan wekt de indruk van een afsluiting, het lijkt eerder de opmaat voor een nauwere band, voor verder contact, voor afspraken in een café. Toch is dit de laatste overgeleverde brief tussen Rubinstein en Hanlo. Een poosje later, in de zomer van 1969, als ze allebei druk aan het schrijven zijn en brieven versturen en volgende publicaties plannen, botst op een weg in Berg en Terblijt een motor tegen een landbouwtractor. Die motor wordt bestuurd door Jan Hanlo.  

 

Stel: zijn ‘Wij komen ter wereld’ had berust op de werkelijkheid. Stel: Rubinsteins wens was uitgekomen en dat gedicht was opeens waarheid geworden. Dan zou Hanlo’s leven hier dus mee begonnen zijn: een verwond lichaam in het ziekenhuis; een dagenlange opname. Per ambulance zou hij naar de weg worden vervoerd, waar hij naast zijn motor op het asfalt werd neergelegd – hij zou gezond wegrijden, zijn oeuvre in omgekeerde volgorde schrijven, ruim nadat zijn verzamelde gedichten waren verschenen beginnen met zijn psychologiestudie, ten slotte zijn gelukkige jeugd in Deurne beleven. En als Rubinstein achterstevoren zou hebben geleefd, zou haar bestaan zijn begonnen vlak voor het moment van haar suïcide. Ze zou dan een lichaam hebben dat fysiek tot zeer weinig in staat was, volledig aangetast door multiple sclerose. In de loop der jaren zouden haar zenuwen zich meer en meer herstellen, ze zou jeugdiger en energieker worden, haar kennismaking met Carmiggelt zou hun afscheid worden, ze zou gaan schrijven tot ze bij de vroegste Tamar uit kwam, ze zou laat in haar leven in de Tweede Wereldoorlog belanden, uiteindelijk zelfs in het decennium vóór die oorlog. 

 

En ergens, betrekkelijk kort na hun geboortes, zouden Hanlo en Rubinstein elkaar dan leren kennen. Niet van heel dichtbij; niet op een manier die verdere vriendschappen of relaties grondig van aard zou doen veranderen. In welke volgorde hun levens zich ook zouden afspelen: Hanlo en Rubinstein zouden nooit cruciaal voor de ander worden. Maar uit hun contact valt op te maken dat er meer in zat. Ze deelden een hartstochtelijke liefde voor literatuur, voor fraaie details en formuleringen, voor brieven, voor publicaties, voor poëtische verzinsels zoals hoe het zou zijn een omgekeerd leven te leiden – en als dat inderdaad het geval was geweest, zouden ze wellicht samen hebben teruggeblikt op alles wat in werkelijkheid nog moest komen.  

 

Renate Rubinstein aan Jan Hanlo, 15 juli 1968. Collectie: Literatuurmuseum