Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wanneer ik de vraag krijg welke leeservaring mij geïnspireerd heeft om schrijver te willen worden, verwijs ik vaak naar het eerste boek dat ik van de volwassenafdeling van de buurtbibliotheek las: Hersenschimmen van Bernlef, de eerste roman die me – dankzij dat intrigerende perspectief van iemand die zijn geheugen verliest – liet nadenken over het fluïde onderscheid tussen feit en fictie.
Op zulke momenten lieg ik, realiseerde ik me laatst toen ik in mijn ouderlijk huis langs de kast met oude kinderboeken liep. De kiem van mijn auteurswensen ligt veel eerder in de tijd: bij de boeken van Paul van Loon (1955). Als kind kon je mij met weinig blijer maken dan met een nieuw deel van De Griezelbus of een voorleesmoment met Dolfje Weerwolfje. Niet voor niets kliederde ik met gelpennen bloedspetters en rafelig gehechte wondjes op mijn enkels en koesterde ik mijn ietwat uitstekende hoektanden, die ik op de schoolfoto expres over mijn onderlip duwde: Van Loons fantasiewerelden waren voor mij werkelijkheid.


