Door Dolfje Weerwolfje leren kinderen al dertig jaar dat het stoer is om anders te zijn

Dertig jaar na zijn eerste avontuur spreekt Dolfje Weerwolfje nog altijd tot de verbeelding. Aan de hand van een mysterieuze vondst in het archief duikt Anne Louïse van den Dool in de geschiedenis van deze geliefde weerwolf en gaat ze in gesprek met haar favoriete griezelboekenschrijver Paul van Loon. ‘Ik dacht dat het maar één boek zou worden, maar na een jaar of twee kreeg ik opnieuw een idee.’

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wanneer ik de vraag krijg welke leeservaring mij geïnspireerd heeft om schrijver te willen worden, verwijs ik vaak naar het eerste boek dat ik van de volwassenafdeling van de buurtbibliotheek las: Hersenschimmen van Bernlef, de eerste roman die me – dankzij dat intrigerende perspectief van iemand die zijn geheugen verliest – liet nadenken over het fluïde onderscheid tussen feit en fictie.

Op zulke momenten lieg ik, realiseerde ik me laatst toen ik in mijn ouderlijk huis langs de kast met oude kinderboeken liep. De kiem van mijn auteurswensen ligt veel eerder in de tijd: bij de boeken van Paul van Loon (1955). Als kind kon je mij met weinig blijer maken dan met een nieuw deel van De Griezelbus of een voorleesmoment met Dolfje Weerwolfje. Niet voor niets kliederde ik met gelpennen bloedspetters en rafelig gehechte wondjes op mijn enkels en koesterde ik mijn ietwat uitstekende hoektanden, die ik op de schoolfoto expres over mijn onderlip duwde: Van Loons fantasiewerelden waren voor mij werkelijkheid.

 

Niet voor niets kliederde ik met gelpennen bloedspetters en rafelig gehechte wondjes op mijn enkels en koesterde ik mijn ietwat uitstekende hoektanden

 

Mijn eerste grootschalige schrijfproject was dan ook een regelrechte Van Loon-imitatie: het verhaalde over een broer en een zus die verdwaalden in een groot griezelpretpark, dat uit meerdere lagen boven elkaar bleek te bestaan. Zelden heb ik tijdens het schrijven een grotere euforie gevoeld dan toen ik op een zondagmiddag bedacht dat bezoekers middels grote liften tussen die werelden moesten kunnen navigeren, waarmee ik alle losse eindjes in mijn verhaal spontaan aan elkaar had geknoopt.

Dat ik tegenover iedereen verkondigde dat ik ‘de nieuwe Paul van Loon’ wilde worden, had natuurlijk ook te maken met zijn mysterieuze uiterlijk: zijn zwarte leren jas, zonnebril, hoed en oorringen gaven hem direct de air van een coole auteur. Het maakte hem tijdloos, zoals zijn werk voor mij ook buiten de tijd stond: voor mijn gevoel waren de boeken over die magische autobus en het jongetje dat ontdekt dat hij een weerwolf is er altijd al.

 

Paul van Loon speelt gitaar in het Letterkundig Museum in Den Haag, 1999

 

Natuurlijk is niets minder waar: ook deze fantasiewerelden zijn ooit bedacht. Sterker nog: dit jaar vieren we het dertigjarig bestaan van Dolfje Weerwolfje, die met de verschijning van het gelijknamige eerste deel in 1996 het levenslicht zag. Althans, in boekvorm: als personage presenteerde Dolfje zichzelf voor het eerst aan de buitenwereld in een lied op De griezel-cd van popgroep VOF de Kunst, waarvan Van Loon de tekst schreef.

Het verhaal van Dolfje is bij velen bekend. Op zevenjarige leeftijd ontdekt hij dat hij een weerwolf is. Elke maand verandert hij rond volle maan van uiterlijk, waarbij hij wel zijn kenmerkende witte haar en bril behoudt. Uiteraard leidt die transformatie tot allerlei onhandigheden, die hij – mede dankzij zijn pleegboer en beste vriend Timmie – weet te trotseren.

 

Groot was dus de verbazing toen in het archief van het Literatuurmuseum een tekening van Dolfje werd gevonden van de hand van illustrator Sieb Posthuma

 

Inmiddels kent de Dolfje Weerwolfje-reeks welgeteld dertig boeken: met titels als Volle maan (1999), Zilvertand (2001), SuperDolfje (2011) en – meest recent – De geheime weerwolf (2026). Van Loon viel er veelvuldig mee in de prijzen: hij won meermaals de Prijs van de Nederlandse Kinderjury en in 2011 werd Dolfje door kinderen tussen de 4 en 14 jaar zelfs uitgeroepen tot de grootste kinderboekenheld. Ook over de grenzen is Dolfje een fenomeen: de boeken zijn onder andere uitgegeven in het Spaans (Jacobo Lobo), Zweeds (Uffe varulv) en Chinees (Xiao Lang Ren). Bovendien is Dolfje inmiddels meer dan een romanpersonage: hij speelt de hoofdrol in een gelijknamig tijdschrift en in speelfilms en musicals.

De meeste kinderen zullen vooral een beeld hebben gekregen van het uiterlijk van de getransformeerde Dolfje door de tekeningen van de Antwerpse illustrator Hugo Van Look (1960). Hij ontfermde zich onder meer ook over de tekeningen bij meerdere edities van De Griezelbus, Meester Kikker en de voorleesboeken over Foeksia de Miniheks, en won daar verschillende prijzen mee.

 

Tot op de dag van vandaag is Van Look verantwoordelijk voor de omslagillustraties van de Dolfje Weerwolfje-reeks. Groot was dus de verbazing toen in het archief van het Literatuurmuseum een tekening van Dolfje werd gevonden in de collectie van illustrator Sieb Posthuma (1960-2014), die bekendheid vergaarde met Rintje, de reeks over Mr. Finney – een samenwerking met prinses Laurentien –, en de boeken over Aadje Piraatje, waaraan hij samen met Marjet Huiberts werkte. Ook sloeg hij meermaals de handen ineen met Ted van Lieshout, en illustreerde hij de kindergedichten van Annie M.G. Schmidt.

De illustratie van Posthuma sierde de Lijsters-uitgave van Dolfje Weerwolfje van Wolters-Noordhoff uit 2002, waarop de hoofdpersoon midden in zijn transformatie van kind naar dier is vastgelegd. Interessant genoeg staat nergens in deze uitgave Posthuma’s naam vermeld, en wist zowel Van Loon als Posthuma’s partner niet dat de veelvuldig bekroonde tekenaar zich ooit over het personage van Dolfje gebogen had.

 

Omslagillustratie van Sieb Posthuma voor Dolfje Weerwolfje in de Junior Lijster-reeks, 2002. Collectie: Literatuurmuseum

 

En dan heeft de tekening zelf ook nog eens iets mysterieus: we zien niet Dolfjes kenmerkende witte haren en bril, niet eens zijn rode shirt en spijkerbroek, maar alleen de onderste helft van zijn lijf, deels bedekt door een paarse korte broek, trui met gestreepte mouw en opvallend dikke zwarte riem. Zijn dunne lichtroze arm en been contrasteren sterk met de dikke poten en harige klauwen.

Het is de enige keer dat Dolfje in Nederland door iemand anders werd geportretteerd. Alleen in het buitenland krijgt het personage nog weleens een ander uiterlijk; op de cover van de Engelstalige versie is hij bijvoorbeeld een stuk realistischer afgebeeld. Opvallend genoeg zijn in het binnenwerk van deze uitgaven over de grens wel Van Looks tekeningen overgenomen, waardoor het wolvenkind in één editie twee verschillende voorkomens heeft.

 

‘Voor mijn beste vriend Paul van Loon’ – fanmail aan een favoriete griezelschrijver

Van Look had het uiterlijk van Dolfje Weerwolfje vanaf het begin in de vingers, weet een enthousiaste Paul van Loon mij te vertellen. ‘Ik had zelf een paar schetsen gemaakt en ging vervolgens op zoek naar een illustrator. Hugo tekende Dolfje precies zoals ik hem in mijn hoofd had.’

Uiteindelijk zou Van Look meer dan duizend tekeningen van Dolfje Weerwolfje maken – eerst alleen in zwart-wit, later ook in kleur. Dat succes kwam voor Van Loon zelf ook onverwachts. ‘Ik dacht dat het maar één boek zou worden, maar na een jaar of twee kreeg ik opnieuw een idee. Ik merkte dat ik nieuwsgierig was naar wat er nu weer met hem zou gebeuren – dat was voor mij ook nog een verrassing.’

Na zoveel Dolfje Weerwolfje-verhalen voelt Van Loon zich bijna één met zijn personage. ‘Ik vind het heel leuk om over Dolfje te schrijven: ik ben helemaal met hem vergroeid. Ook zijn familieleden zijn me dierbaar: ze zijn allemaal hard nodig om het verhaal tot een goed einde te brengen.’

 

Een signeersessie van Paul van Loon tijdens de Kinderboekenweek, 1998. Fotograaf: Riet te Rop. Collectie: Literatuurmuseum

 

30 jaar Dolfje Weerwolfje

Dolfje mag nog even jeugdig ogen als dertig jaar geleden, hij onderging wel wat subtiele transformaties. Zo oogt hij nu wat ronder en vriendelijker dan in de eerste varianten. De impact van de verhalen op zijn lezers blijft even groot, merkt Van Loon. ‘Ik spreek geregeld volwassenen die me vertellen wat deze boeken voor hen hebben betekend: ze leerden erdoor dat ze anders mochten zijn.’

Het gesprek met mijn jeugdidool voert me terug naar mijn jongere zelf, met griezelverhalen, uitstekende hoektanden en wondjestekendrift. Het doet me beseffen wat ik als kind nog niet onder woorden kon brengen: dat de verhalen over Dolfje me het idee gaven dat ik niet vreemd was, maar bijzonder. Hopelijk weten Van Loons griezelboeken ook de komende dertig jaar nog vele lezers te bereiken die met datzelfde geruststellende gevoel zijn boeken dichtslaan.