Een aardig, leuk verhaal: de geschiedenis van lesbische pulp

In 2024 verscheen de allereerste lesbische pulpature, een tot nu toe onbekend want onbestaand genre, waarin de nadruk ligt op romantiek en queer-joy. Renée van Marissing verdiept zich in de geschiedenis van lesbische pulp en leest in het museum het nieuwe, handgeschreven pulp fiction verhaal van Minke Douwesz: Zij kwam voor hulp

 

Het duurt tot driekwart van het boek voordat Irina en Leslie voor het eerst met elkaar vrijen. Ze liggen op ‘een rond zandheuveltje waar de bomen wijder uiteen stonden’. Een plek in het verboden deel van het bos, de wildernis. Leslie twijfelt: ‘de wildernis is niet voor niets afgesloten. Het weren van mensen is nodig om de natuur tot zichzelf te laten komen, te laten herstellen. Alles werd vervuild, verstikt, verjaagd voor de waterramp. Nu hebben dieren daar tenminste rust en ruimte.’ Irina vindt dit een achterhaalde visie. ‘Mensen zijn ook dieren,’ zegt ze. ‘Het is onnatuurlijk dat wij gescheiden leven van de rest.’ 

 

Een verboden liefde in een verboden bos, personages die ondervinden waar de grens van hun vrijheid ligt en telkens opnieuw moeten overwegen of ze tegen de regels ingaan en ervaren wat de consequenties van hun keuzes zijn, dat tekent Zij kwam voor hulp (2024), het meest recente boek van Minke Douwesz, waarvan het manuscript vorig jaar naar het Literatuurmuseum is gebracht.

 

 

In sommige bouquetreeksboekjes vindt de eerste kus plaats op de laatste pagina 

 

 

Irina en Leslie ontmoeten elkaar in de psychotherapiepraktijk waar Leslie stage loopt. Irina komt bij haar voor een intakegesprek en Leslie, vanuit wier perspectief het verhaal wordt verteld, is direct van haar onder de indruk. Maar ja, de therapeut-cliëntrelatie biedt weinig vrijheid om haar gevoel te onderzoeken. Door een list van Leslies beste vriendin, leren Leslie en Irina elkaar desondanks toch beter kennen, en vinden ze elkaar niet alleen in de gesprekken die ze voeren en hun ideeën over de wereld, maar durven ze uiteindelijk ook fysiek toenadering te zoeken. Al is het dan nog de vraag of het verhaal eind goed al goed zal eindigen. 

 

Waarom begin ik dit stuk met de constatering dat de eerste seksscène in het verhaal op driekwart van het boek zit? Wat doet dat ertoe? Dat heeft te maken met het genre van Zij kwam voor hulp. Het is geen ‘gewone’ roman, maar lesbische pulp fiction, met de nadruk op romantiek en queer-joy.

 

Dat de lezer op die eerste liefdesscène moet wachten tot pagina 128, is dat lang? Dat ligt eraan. In sommige bouquetreeksboekjes vindt de eerste kus plaats op de laatste pagina. Het gaat om de spanning die wordt opgebouwd, en de vraag of die spanning hooggehouden wordt gedurende het verhaal. Wanneer er inlevend en geloofwaardig wordt gehunkerd, en wanneer het verhaal breed genoeg is opgezet zodat je als lezer ook op andere vlakken met de personages kunt meeleven, is het een goede zet om gebruik te maken van uitstel. Dat de lezer, als het goed is met smart, wacht tot een eerste kus of seksscène, kan dus juist de bedoeling zijn.

 

Zij kwam voor hulp is een boek waarin veel gebeurt, en waar ik als lezer dermate werd meegenomen in alle ontwikkelingen van de personages, dat ik het uitstellen van de seks in dit liefdesverhaal overtuigend vond. 

 

 

 

Lesbische pulp bestaat al decennia, sinds de jaren ’40 van de vorige eeuw. Destijds werden deze boekjes niet alleen door, maar ook voor mannen geschreven. Bijvoorbeeld voor soldaten die overzee gingen, ver weg van hun vrouwen. De affaires tussen vrouwelijke personages prikkelden hun fantasie, om het zo maar te zeggen, maar aan de heterowereld en het huwelijk mocht natuurlijk niet getornd worden. Daarom loopt het nooit goed af met de lesbische vrouwen in deze verhalen. De vrouw die wordt verleid komt tot inkeer en keert terug naar haar man en haar huwelijk. De verleidster, de ‘echte lesbienne’, eindigt in de goot, wordt ziek en/of sterft. Want de moraal moest zijn dat een lesbische liefde, zeker wanneer die ten koste gaat van de relatie tussen een vrouw en een man, niet te ambiëren is en geen toekomst heeft. Eind goed, al goed.

 

Voor veel lesbische vrouwen was deze literatuur in die jaren helaas de enige die beschikbaar was in dit genre. Maar toen zij eenmaal kennis hadden genomen van deze pulp fiction, begonnen ze het zelf te schrijven. Voor vrouwen en nu ook door vrouwen. In 1976 richtte vier Groningse vrouwen, te weten Hanneke Dantuma, Marianne Gossije, Marlite Halbertsma en Margriet ter Steege, Damesschrijfbrigade Dorcas op. Ze misten het plezier in de lesbische literatuur en besloten zelf boeken te schrijven waarin ze dat plezier wel terugvonden. Ze schreven vier boeken, die in 1983 werden gebundeld onder de titel Wilde rozen. Een aantal jaar geleden is het opnieuw uitgebracht.

 

 

 

Een andere auteur die iets tegenover al die noodlottige eindes wilde stellen, was Susan de Boer. Zij schreef in de jaren ’80 en ’90 zes boeken die wat mij betreft in het pulp/bouquetreeksgenre vallen, met titels als Ik hou van jeVictorine en Je moet kiezen, Coralie

 

Eind 2023 werd Velvet Publishers opgericht, een les-bi-queer uitgeverij die naast nog niet eerder vertaalde klassiekers zich ten doel heeft gesteld elk jaar twee pulpature boeken uit te geven.  Pulp, vernoemd naar de kwaliteit van het papier waarop de boekjes werden gedrukt, gemaakt van houtpulp. Zij kwam voor hulp ziet er niet goedkoop uit, gedrukt in dezelfde kwaliteit als de meeste andere boeken die in de boekwinkel liggen. En met een mooi omslag getekend en ontworpen door Loes Faber. Het is dan ook niet pulp, maar pulpature, een tot nu toe onbekend want onbestaand genre, een samentrekking van pulp en literature. 

 

Mei 2024 verscheen het eerste deel van deze reeks, Ontkiemende liefde, dat ik mocht schrijven. Tegelijkertijd leuk en lastig vond ik het, om de aftrap te schrijven van iets wat een nieuw genre moet worden. Gelukkig blijkt pulpature een rekbaar genre. De drie boeken die tot nu toe uitkwamen (na Ontkiemende liefde en Zij kwam voor hulp verscheen in mei 2025 Twee vrouwen van Sytske Frederika van Koeveringe) zijn qua opzet, thematiek en stijl totaal verschillend, precies wat uitgevers Anna Krans en Daphne de Heer voor ogen hadden.

 

 

 

 

Minke Douwesz (1962) debuteerde in 2003 bij uitgeverij Van Oorschot met de roman Strikt, gevolgd door Weg uit 2009 en Het laatste voorjaar dat twee jaar geleden, in 2023, verscheen. In 2009 werd Weg bekroond met de Opzij Literatuurprijs en drie jaar later met de Anna Bijns Prijs. 

 

In het archief van het Literatuurmuseum ligt een uitdraai van de mail die Minke Douwesz aan uitgever Daphne de Heer schreef, waarin ze beschrijft wat Zij kwam voor hulp moet gaan worden, waar het verhaal over zal gaan: ‘Dit wordt niet allemaal 1,2,3 zo uitgelegd maar vormt het decor waarbinnen het liefdesverhaal zich afspeelt. Dit volgt de pulpsequentie: als een blok vallen voor iemand, tegen obstakels aanlopen, misverstanden en verwijdering, met doorzetten toch bij elkaar komen, happy end.’

 

Omdat Douwesz vier dagen per week als psychiater werkt, is dinsdag haar schrijfdag. In het A4-schrift dat het manuscript bevat, staat op het achterblad haar schrijfschema. Achter de eerste datum, 13 januari 2024 staat: ‘begonnen met schrijven’. De laatste schrijfdag was 7 mei van dat jaar, toen was het voltooid.

 

‘Ik had uitgerekend dat ik vijf pagina’s per dag moest schrijven, en dat is gelukt. Voordat ik aan het boek begon heb ik een opzet gemaakt van de verhaallijn en de gebeurtenissen, en ook wist ik hoe het zou aflopen. Voor de rest ging ik zitten op de dinsdagochtenden en liet ik me bij het schrijven leiden door het moment zelf,’ vertelt ze me wanneer ik haar spreek over haar werk.

 

 

‘Het moest gewoon een aardig, leuk verhaal zijn'

 

 

Net als bij haar andere boeken schreef Douwesz het hele manuscript met de hand. Pas als het af is, typt ze het over op de computer en brengt correcties aan, dat zijn bijna nooit grote dingen maar een paar kleine aanpassingen. 

 

‘Hoe het loopt, zo heb ik het opgeschreven. In Zij kwam voor hulp wordt het verhaal chronologisch verteld, en zo heb ik het ook geschreven.’ 

 

Leslie was op weg naar werk. De zweeftrein had een halte aan de voet van de kantoortoren, maar op dagen dat het weer het toeliet stapte ze altijd eerder uit om het laatste stuk te kunnen lopen. In dit deel van de stad waren nog wat oude huizen bewaard gebleven, die de watersnoodramp van veertig jaar terug wonderwel doorstaan hadden. Villa’s van baksteen, met erkers en vensterbanken, en een schoorsteen op het dak. Heel anders dan de huizen die na de ramp haastig uit de grond gestampt waren: hoogbouw op brede palen, een soort horizontale flats, blok na blok vol eentonige appartementen. Saai maar droog. Het water kon eronderdoor stromen als het springtij was.

 

 

 

Dit is de tweede alinea van het boek. Zij kwam voor hulp is gesitueerd in Nederland in 2084. Na ‘de waterramp’ (wat er precies is gebeurd wordt niet benoemd) zijn grote delen van Nederland onder water verdwenen en is de politiek repressief geworden. Het leest als een dystopische klimaatroman, een gegeven dat op het eerste oog niet lijkt te passen bij het pulp-genre. Maar Douwesz voelde destijds, toen ze over dit boek begon na te denken, dat ze geen onbekommerd liefdesverhaal kon schrijven. Dit toont aan dat Zij kwam voor hulp niet ‘slechts’ een pulpboekje is.

 

Ondanks deze zwaardere thematiek genoot Douwesz van het plezier en de onbevangenheid die ze voelde toen ze het schreef: ‘Het moest gewoon een aardig, leuk verhaal zijn, en het was heel prettig daaraan te werken.’ 

 

Op de laatste pagina staat, niet voor het eerst, maar toch: een kus 

 

In die woorden kan ik me vinden, dat was ook zo ongeveer wat ik voor ogen had bij Ontkiemende liefde, een leuk verhaal schrijven, iets wat fijn wegleest. Maar zoals ik hierboven al schreef, ik vond het schrijfproces niet altijd makkelijk. Het was soms behoorlijk zoeken hoe ik me dit pulpature-genre eigen moest maken. Dat zat ’m voor mij niet alleen in het verhaal, dat ik klein heb gehouden, de thema’s en de enigszins gematigde ontwikkeling van de personages, maar ook in de keuze voor de locatie waar het verhaal zich grotendeels afspeelt (een moestuin) en in de taal. Zinnen als ‘Het voelde alsof er kleine vallende sterren op hen neerdaalden en Sanne dacht: ik heb niets meer te wensen’ zou ik nooit in een roman schrijven.

 

Dat het prettig was om aan Zij kwam voor hulp te werken, zoals Minke Douwesz vertelde, meen ik terug te kunnen lezen in het boek. En waar ik zelf blij van werd: op de laatste pagina staat, niet voor het eerst, maar toch: een kus.