Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Het is mei en het hele dorp ruikt naar vis. Dode vis om precies te zijn. Niet vreemd, ik heb de kwallen en zeesterren op het zand zien liggen, ik heb de wind uit zee voelen razen en nu, op de terugweg van mijn dagelijkse wandeling over het strand, ruik ik hoe diezelfde wind over de ontbindende kwallen en zeesterren scheert en een geur van zout en bederf en dood over het hele dorp blaast. Ik ben deze ontbindingslucht gewend, al mijn hele leven ken ik deze westenwind. Hoeveel aangespoelde zeesterren heb ik wel niet gezien? Ontelbaar. Ik adem de dood diep in. Het is onoverkomelijk hierover te schrijven, denk ik dan nog. Bijna een verplichting als je hier woont en de zee ’s nachts hoort beuken, zich aan je hoort opdringen. Zo voelde het tijdens het schrijven aan mijn roman, De waanzinpartituur, die zich in een kustdorp afspeelt en waar de zee altijd op de achtergrond aanwezig is. En ook uit mijn gedichten rijzen windmolens en dode meeuwen omhoog, zonder dat ik erover na hoef te denken. De zee wíl beschreven worden.


