Ik verheugde mij erop de zee van een eeuw geleden te zien in de jeugdgedichten van Henriette Roland Holst

Voor schrijver Emma van Hooff, geboren en getogen in Noordwijk, is het onoverkomelijk om over de zee te schrijven. In de jeugdgedichten van Henriette Roland Holst verwachtte zij de deining van de golven te voelen. Maar niets is minder waar. ‘Geen enkele strofe is gewijd aan het helmgras, aan de zilte lucht, aan het grommen van het beest dat in dit dorp altijd op de achtergrond aanwezig is.’

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Het is mei en het hele dorp ruikt naar vis. Dode vis om precies te zijn. Niet vreemd, ik heb de kwallen en zeesterren op het zand zien liggen, ik heb de wind uit zee voelen razen en nu, op de terugweg van mijn dagelijkse wandeling over het strand, ruik ik hoe diezelfde wind over de ontbindende kwallen en zeesterren scheert en een geur van zout en bederf en dood over het hele dorp blaast. Ik ben deze ontbindingslucht gewend, al mijn hele leven ken ik deze westenwind. Hoeveel aangespoelde zeesterren heb ik wel niet gezien? Ontelbaar. Ik adem de dood diep in. Het is onoverkomelijk hierover te schrijven, denk ik dan nog. Bijna een verplichting als je hier woont en de zee ’s nachts hoort beuken, zich aan je hoort opdringen. Zo voelde het tijdens het schrijven aan mijn roman, De waanzinpartituur, die zich in een kustdorp afspeelt en waar de zee altijd op de achtergrond aanwezig is. En ook uit mijn gedichten rijzen windmolens en dode meeuwen omhoog, zonder dat ik erover na hoef te denken. De zee wíl beschreven worden.

 

De Zuid Boulevard van Noordwijk, 1890. Collectie: Gemeente Noordwijk

 

Maar hangend boven de jeugdgedichten van Henriette Roland Holst-van der Schalk, geboren en opgegroeid in hetzelfde kustdorp als ik, ben ik met stomheid geslagen. Ik dacht, nu ga ik de deining voelen van haar zee, nu ga ik door haar duin wandelen, het duin van 1884 waar ze als veertienjarige doorheen vloog. Ik dacht de algen te gaan zien oplichten op warme zomeravonden. En ik verheugde me erop: de zee van een eeuw geleden te zien in haar gedichten, als jeugdfoto’s van haar golven. Al is jeugd een vreemd woord voor dat eeuwenoude water, en nu ik erover nadenk is de kans groot dat ze, die zee ja, ik heb het nog altijd over die zee, in haar kindertijd is, geen benul heeft van haar eigen einde, brullend en vol potentie, zoals Henriette toen ze hier woonde.

 

Geen enkele strofe is gewijd aan het helmgras, aan de zilte lucht, aan het grommen van het beest dat in dit dorp altijd op de achtergrond aanwezig is

 

Maar niets. Geen enkele strofe is gewijd aan het helmgras, aan de zilte lucht, aan het grommen van het beest dat in dit dorp altijd op de achtergrond aanwezig is. Wel drie keer blader ik door het kleine notitieboekje uit het archief, waarin haar jeugdgedichten zijn opgeschreven in een klassiek, zwierig handschrift. In het gedicht ‘Ommekeer’ lees ik over ruisende bomen en een nachtegaal in het bos. Welk bos, denk ik paniekerig, er is in Noordwijk helemaal geen noemenswaardig bos. Ze gaat maar door over een statig woud en eeuwenoude bomen. In het gedicht ‘Moedeloosheid’ springt mijn hart over bij de zin: ‘Daar buiten loeit d’orkaan met woeste vlagen’. De wind! Uit zee! Daar heb je hem! Maar de rest van het gedicht blijft het stil, klettert alleen de regen tegen de ruiten. ‘Zwart is ’t daarbinnen, somber is ’t daarbuiten’.  

 

Het schrift met jeugdpoëzie van Henriette Roland Holst, 1884. Collectie: Literatuurmuseum

 

Vol ongeloof sluit ik het boekje. Ik blader nog wat door een tweede aantekeningenschrift van een paar jaar later, waarin Albert Verwey haar gedichten verbeterde. Hij was in die periode ook in Noordwijk gaan wonen en had zich opgeworpen Henriette te helpen om haar grote droom te verwezenlijken: dichter worden. Is het om hem, denk ik dan nog, wilde ze indruk maken op Albert Verwey en was ze bang dat hij haar zeeën te sentimenteel vond?

Pas later, lezend in haar biografie, ontdek ik dat Henriette haar hele jeugd alleen maar in het huis en de tuin eromheen verbleef. Ze ging niet naar school of de kerk, maar kreeg thuis onderwijs en werd streng opgevoed door dienstmeisjes en de kinderjuffrouw. Voor die tijd gebruikelijk in een welgesteld gezin als dat van Henriette. Haar vader was notaris en de familie Van der Schalk woonde in een enorm huis met een nog veel grotere tuin dat destijds ‘Landgoed Lindeplein’ werd genoemd. 

 

Henriette Roland Holst op vijftienjarige leeftijd, 1884. Collectie: Literatuurmuseum

 

Vroege antikoloniale stemmen: Mohammad Hatta, Henriette Roland Holst en Jef Last

Als ik voor het huis sta valt het me gelijk op: de eeuwenoude bomen staan als een leger soldaten voor, achter en naast het huis. Alsof ze het op commando beschermen tegen de buitenwereld. Dit is haar statige woud, dit is haar bos waar de nachtegaal haar lied zingt. Met het gedicht ‘Moedeloosheid’ nog in mijn achterhoofd, voel ik haar eenzaamheid. Ik loop langs het hek, tik met mijn vingers tegen de spijlen, stel me voor hoe Henriette achter een van deze ramen op bed ligt en naar de kruinen van de bomen kijkt.

Even ben ik daar, een eeuw geleden, maar dan brengt de vette lucht van de burgertent tegenover haar huis me weer terug naar het heden. Het borstbeeld van Henriette Roland Holst op het plein wordt omringd door bezorgscooters. Ik tuur door de spijlen naar de tuin achter het huis. Een enorm gazon. Hoge heggen. Twee beelden van levensgrote giraffes. Het is haast onbegrijpelijk dat de vrouw die later een reis door de Sovjet-Unie zou maken, waar ze sprak met Lenin en Trotski, de vrouw die zich hard zou maken voor het socialisme en ‘De Internationale’ naar het Nederlands vertaalde, dat deze vrouw haar jeugd doorbracht op een landgoed met bediendes en zelden het terrein verliet.

 

De Lindenhof, het huis waar Henriette Roland Holst opgroeide, aan het Lindenplein te Noordwijk. Collectie: Literatuurmuseum

 

Al is nergens heen kunnen misschien ook een zegen, zeker voor een dichter in wording. In haar biografie lees ik dat Henriette zich vaak verveelde en wegvluchtte in een fantasiewereld. Ze was haar hele kindertijd niet geïnteresseerd in de buitenwereld, maar keerde naar binnen. Ziedaar de oorsprong van al haar jeugdgedichten. 

Er is bij mij ook zo’n gat, zo’n stukje geschiedenis waarin ik het huis niet uit kwam. In mijn geval niet omdat het me verboden werd, maar omdat ik angstig was. Met een schrift en pen op schoot vluchtte ik weg in het landschap van mijn verbeelding. Ook daar was geen zee te bekennen. Geen westenwind of doodslucht veroorzaakt door honderden aangespoelde kwallen. Ik herinner me zomers waarin ik niet met vriendjes op het strand speelde, maar uitgeput op de bank lag met de tuindeuren open. Het enige geluid dat ik hoorde was afkomstig van de bomen achterin de tuin, het ruisen van hun blad. Het is een ruisen dat, als ik mijn ogen maar dicht genoeg kneep, deed denken aan het ruisen van de zee.

 

In 't oude kamerlein zit ik alleen,
De lucht is grauw, de regen valt bij stralen,
De scheemring vangt reeds aan, op d'aard te dalen,
Geen vogel kweelt: doodstil is 't om mij heen.

Mijn hart is zwaar, mijn hoofd is mat en moe.
Daar buiten loeit d'orkaan met woeste vlagen.
Ik zou wel willen weenen, willen klagen,
Zoo zwart en droef schijnt alles ach! mij toe.

Ik denk aan hen, die ver van mij nu zijn.
O komt en troost mij, lieve dierbre vrinden,
God schijnt zoo ver dat ik hem niet kan vinden,
Hier in dit oude, smalle kamerkijn.

De hand op 't gloeiend hoofd, zit ik en ween,
De regen klettert droef tegen de ruiten.
Zwart is 't daarbinnen, somber is 't daarbuiten,
En ik voel mij zoo min, zoo zwak, zoo kleen!

Het gedicht Moedeloosheid, geschreven door Roland Holst in juli 1884.