Joost Oomen: Ik was verslingerd aan het dwalen door de gedachten van Tonke Dragt

Wat heeft een hersenchip van Elon Musk te maken met de toekomstverhalen van Tonke Dragt? Joost Oomen bekijkt haar aantekeningen voor Ogen van tijgers en overdenkt de sociale implicaties van gedachtelezen en kunstmatige intelligentie. ‘Er zal geen computer komen die echt wijs wordt uit alle emoties, verborgen liefdes en weggestopte angsten die een mens drijven.’

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

I. 
Er staat een filmpje op het internet van een man met een chip in zijn hoofd. Die chip kreeg hij van Elon Musk. De man zit in een rolstoel, hij is verlamd vanaf zijn schouders en voordat hij de chip in zijn hoofd geïmplanteerd kreeg, bediende hij zijn rolstoel en spraakcomputer met een stokje in zijn mond. Nu doet hij het met zijn brein. De chip is aangesloten op het hersengebied dat bewegingen aanstuurt en nu hoeft de man alleen nog maar te dénken dat hij de muis van zijn computer beweegt en hij bewéégt de muis van zijn computer. De man, ooit een aanstormend cellist maar door een noodlottige sprong in ondiep water in een rolstoel geraakt, is dolgelukkig.  

Het is fijn voor die man. En het is fijn voor een heleboel andere mensen die evengoed aan een rolstoel gekluisterd zijn. In een ander filmpje legt Elon Musk uit dat hij met die chip uiteindelijk wil dat mensen het lichaam van een robot kunnen overnemen, besturen door aan hun eigen armen en benen te denken. Ik begrijp dat dat mensen met een dwarslaesie hoop biedt. Ik vind het vooral eng.

 

Elon Musk vertrouw ik voor geen cent. Dat is niet echt een hot take, ik denk dat het merendeel van de mensheid Elon Musk niet vertrouwt, maar dat het merendeel van dat merendeel wel gewoon zijn producten gebruikt. Het maakt mij bang dat de kans bestaat dat dit met zo’n hersenchip ook zal gebeuren. Ik wil niet dat Elon Musk weet wanneer ik aan welk ledemaat denk. Elon Musk is een techmiljardair en als techmiljardairs iets doen, dan is het stapels data verzamelen om daar trends uit af te leiden, die ze vervolgens kunnen monetariseren. Uniciteit, afwijken van de norm, is de vijand van de techmiljardair, terwijl ik er graag aan vasthoud dat mijn gedachten privé en afwijkend mogen zijn. Maar het feit dat Musk meeleest, vormt die gedachten toch niet? Nou, 1) durf nog maar eens iets raars te denken als er iets of iemand meeleest en 2) iedereen die social media gebruikt weet dat binnen een mum van tijd de computer de standaardmal heeft uitgekozen die het beste bij je lijkt te passen, waarna de computer via diezelfde social media net zo lang op je inbeukt (barbecuefilmpjes of make-upfilmpjes of interieurfilmpjes of zwangerschapsfilmpjes) tot je daadwerkelijk in die mal gevangen zit. Er zijn mensen die daar weerstand aan kunnen bieden, er zijn er ook een heleboel die dat niet kunnen, ik wil in ieder geval niet dat Elon Musk, of wie dan ook, er nog beter in wordt. Nogmaals, ik wil dat mijn gedachten privé en afwijkend kunnen zijn. Van mij.

 

Het boek draait om de sociale implicaties van gedachtelezen. Wat zijn geheimen nog waard? Wat is een individu als je ook de gedachten van anderen denkt? Wat moeten we met de liefde?

 

II.
Iets soortgelijks vindt Mick. Mick is gestationeerd op Venus, een tropische planeet met open vlaktes, zeeën en wouden. De mensen, die veilig op een open vlakte onder een beschermende koepel wonen, hebben die wouden ooit wel verkend, maar ze kwamen er gillend gek weer uit. Nu is Edu, Micks beste vriend, tegen de zin van zijn meerderen in, met een vliegtuigje expres in het woud gecrasht en dwars door het woud weer naar huis gelopen. Er blijken wezens in dat woud te wonen. Die wezens kunnen gedachtelezen.

Edu vindt dat spannend, maar ook intrigerend en zelfs een beetje herkenbaar. De rest van de koepel vindt het vooral doodeng. Mick wordt met zijn vriend Edu meegestuurd het woud in, vooral om te verifiëren dat de verhalen van Edu niet op spookbeelden gebaseerd zijn. Ook Mick ontmoet een Venusman. Die Venusman benoemt direct, onomwonden en hardop, Micks grootste en geheimste angsten. Doodsbang rent Mick het woud uit.

 


Mick en Edu bestaan niet echt, Mick en Edu zijn personages verzonnen door Tonke Dragt. Ze komen voor in Torenhoog en mijlen breed, een kinderboek uit 1969, maar dan een voor vroegoude kinderen die ook het werk van Ursula le Guin of Philip K. Dick kunnen waarderen. Het boek draait om de sociale implicaties van gedachtelezen. Wat zijn geheimen nog waard? Wat is een individu als je ook de gedachten van anderen denkt? Wat moeten we met de liefde?

En is gedachtelezen alleen maar eng? Nee, laat Dragt ons zien. Op een gegeven moment zit Edu aan een meertje in het woud, samen met Firth, de Venusman die hij als eerste ontmoette (later in het verhaal volgen er meer). Firth vertelt dat zij, de wezens van het altijd bewolkte tropische Venus, een spelletje spelen waarbij ze elkaar in gedachte mooie dingen laten zien.        

 

‘(…) Wij hebben nooit de sterren gezien, zelfs niet de zon…’ Hij wachtte even. ‘Edu, denk iets moois voor mij. Laat mij de sterren zien.’  

Edu keek naar de hemel boven zich; tussen de bewegende bladeren was die bijna groen.  

‘Laat mij de sterren zien.’ Hij kon er wel aan denken, maar het beeld werd niet scherp… Hij moest zijn ogen dichtdoen, zijn omgeving vergeten, zich concentreren. ‘De sterren,’ prevelde hij, terwijl hij zich een duidelijke voorstelling probeerde te maken. ‘Door een venster van ruimteschip Morgenster… nee, in een sterrewacht op Aarde…’ Een vriesnacht op de pool, dacht hij, of een tropische nacht aan de evenaar. Kijk naar boven. Ik zie de sterren.  

Hij zag ze werkelijk, hij staarde naar de constellaties die hij had opgeroepen uit zijn herinnering – Orion, het Zuiderkruis… Hij zag de lichtende melkweg, de rode ster die de planeet Mars was… Venus als avondster… alle sterrennachten die hij ooit had beleefd… 

Hij hoorde Firth fluisteren: ‘De sterren. Prachtig, Edu, maar ook angstig. Je kunt zo ver kijken. Het is zo koud…’  

 

III. 
Ik las bovenstaande toen ik twaalf was. Waarschijnlijk in een vakantie, waarschijnlijk op een moment dat ik eigenlijk geacht werd te voetballen/vissen/zwemmen/andere zomervakantiedingen te doen, maar die deed ik niet, want ik was verslingerd aan de gedachten van Mick, Edu en Firth. Aan de gedachten van alle koepelbewoners, alle Venusmensen en ook aan de gedachten van Jock Martijn, Anna Martijn, Bart Doran en anderen die in het vervolg van Torenhoog en mijlen breed, het boek Ogen van tijgers voorkomen. Zij bestaan alleen niet. Dus was ik verslingerd aan het dwalen door de gedachten van Tonke Dragt.

 

Tonke Dragt, gefotografeerd door Hans Vermeulen. Collectie: Literatuurmuseum

 

Zo’n prachtig spelletje als Edu en Firth spelen, zal nooit in onze wereld mogelijk zijn. Gedachtelezen bestaat niet, Venus is een onherbergzaam oord waar het zwavelzuur regent en Elon Musk heeft dan wel een chip waarmee hij kan uitlezen of iemand zijn arm uit wil strekken, maar er zal geen computer komen die echt wijs wordt uit alle emoties, verborgen liefdes en weggestopte angsten die een mens drijven. En zelfs al kwam zo’n computer: het uitwisselen van dat wat in jouw eigen, unieke gedachten mooi is, heeft niet de interesse van techmiljardairs, aan uniciteit verdien je immers maar moeilijk geld.  

En toch: zo’n 100.000 jaar geleden leerde de mens taal te gebruiken, zo’n 5300 jaar geleden kregen we het schrift onder de knie. Door die twee uitvindingen konden onze gedachten onze hoofden uit, tijd en ruimte ontstijgen om naar het hoofd van een ander te reizen. Gemankeerd en indirect, het is geen gedachtelezen, het is wel hetgeen er het meest bij in de buurt komt.  

 

En met dat plakboek in de ene hand en een exemplaar van Ogen van tijgers in de andere, ben ik het dichtst in de buurt van Tonke Dragts hoofd dat ik kan zijn

 

Ik zit in een kamertje in het Literatuurmuseum en ik blader door de plakboeken die Dragt bijhield toen ze aan Ogen van tijgers (1982) werkte. Ze houdt erin bij wat haar inspiratiebronnen waren, hoe de overheidsinstanties die ze verzint functioneren, ze plakt er plaatjes van tijgers en kliedert er ogen van tijgers in. Je ziet haar het boek construeren, inspirerende regels haastig tussen zorgvuldig getypte regels priegelen. Je ziet haar in keurige brieven boos worden op uitgeversuggesties, in hanenpoten boos worden op zichzelf omdat iets nog slordig is uitgewerkt. Alsof je over iemands schouder meekijkt die een legomodel in elkaar zet, alleen is het een oneindig veelkantig legomodel en zijn de blokjes van lucht, dus echt zien doe je ze niet. Niet zichtbaar of tastbaar, toch zijn ze er, toch speelt ze ermee. Want als Tonke Dragt schrijft is het spelen. Als een hut van takken bouwen, maar dat je je dan voorstelt dat er een eettafel, een bank, een televisie staat. Heel minutieus, precies, ja zelfs professioneel spelen, maar spelen.  

En met dat plakboek in de ene hand en een exemplaar van Ogen van tijgers in de andere, ben ik het dichtst in de buurt van Tonke Dragts hoofd dat ik kan zijn. 

 

IV. 
Aan het eind van Torenhoog en mijlen breed hebben Firth en Edu het over Jock Martijn, de hoofdfiguur van Ogen van tijgers die ook ooit op Venus gestationeerd was. Ook hij kon gedachtelezen, ook hij werd door Firth geroepen. Hij riep alleen op een voor de Venusmensen vreemde, maar voor schrijvers, dichters, kunstenaars zeer herkenbare manier terug:  

 

‘(…) Hij dacht dat het zijn eígen ideeën waren,’ zei Firth. ‘Het lijkt vreemd en toch is het zo. Hij gaf wel antwoord, maar niet aan ons. Hij hield zijn antwoord voor zichzelf en maakte er iets anders van…’ Langzaam ging Firth verder: ‘Ik was een paar keer dicht bij hem – niet met mijn lichaam maar met mijn geest – ik keek door zijn ogen, en ik zag wat zijn handen ervan maakten…’ 

‘Tekeningen,’ zei Edu. ‘Schilderijen… Jock Martijn heette hij.’ 

‘Ja, tekeningen en schilderijen,’ zei Firth. ‘Hij probeerde vast te leggen wat wij hem van het Woud hadden verteld. Hij probeerde ook gedachten uit te beelden die niet zichtbaar of tastbaar zijn…’